De zoon des mensen

1978-01-13
  • Jaargang 22
  • nummer 2
Jaren geleden heb ik in dit blad een artikel gewijd aan de betekenis van Jezus' zelfbetiteling 'Zoon des mensen' I). Toen is de oudtestamentische herkomst van deze benaming, t.w. een van de gezichten van Daniël (7 : 13), wel even genoemd, maar niet uitvoerig besproken. Bij het maken van een inleiding over Dan. 7 vielen mij echter onlangs een paar dingen op met betrekking tot de figuur die met deze naam wordt aangeduid, die misschien toch wel verdienen eens onder de aandacht te worden gebracht.

Met 'zoon van' of 'kind van' wordt, zoals bekend zal zijn, in het O.T. meermalen aangeduid, dat iemand behoort tot een bepaalde groep. Als Nebukadnezar van het wezen dat naast Sadrach, Mesach en Abednego in de brandende oven wandelt zegt, dat zijn uiterlijk 'gelijkt op dat van "een zoon der goden" (Dan. 3 : 25), dan bedoelt hij: hij ziet er uit als iemand nit de godenwereld (en niet uit de mensenwereld). Zo betekent 'zoon des mensen' of 'mensenkind' eigenlijk niet meer dan 'iemand uit de mensenwereld, iemand van het menselijk geslacht'.
Deze aanduiding wisselt dan ook af met het enkele 'mens', b.v. in Ps. 144 : 3:

"Heere, wat is de mens, dat Gij op hem let, het mensenkind, dat Gij acht op hem slaat?"

bekend Hebreeuws gebruik wordt hier in verschillende bewoordingen hetzelfde tweemaal gezegd: 'letten op' en 'acht slaan op' komen zakelijk op hetzelfde neer, 'mens' en 'mensenkind' evenzo.
Nu krijgt echter de aanduiding 'mensenkind' of 'zoon des mensen' naast deze algemene ook een heel speciale betekenis, over het ontstaan en de ontwikkeling waarvan we straks iets meer hopen te zeggen.
Heel duidelijk vindt men deze in Dan. 7. De profeet Daniël beschrijft daar een gezicht dat hij ontving in het eerste jaar van koning Belsazar. Wat hij ziet is in het kort het volgende.
Uit de grote zee stijgen achtereenvolgens vier verschrikkelijke dieren op. Dan wijzigt zich het visioen: er worden voorbereidingen getroffen voor de zitting van een gerechtshof. Als president van de rechtbank treedt op een 'oude van dagen'. Daarop wordt aan de vier dieren het vonnis voltrokken.
Dan komt er opnieuw een wending in het visioen: er verschijnt "met de wolken des hemels iemand als een mensenzoon". Hij wordt voor den president van de rechtbank geleid, die hem met de wereldheerschappij bekleedt. In grote lijnen is de betekenis van het visioen wel duidelijk, dank zij het feit dat Daniël van een tolkengel uitleg ontvangt over de verschillende onderdelen ervan. De vier dieren zijn dezelfde vier rijken die werden voorgesteld in de vier lichaamsdelen (hoofd, borst en armen, buik, benen en voeten) van het beeld dat Nebukadnezar in zijn in Dan. 2 beschreven droom zag: achtereenvolgens het Babylonische, het Medische 2), het Perzische, en het Grieks-Macedonische rijk. Het laatste van deze vier heeft een voor Israël zeer belangrijke uitloper in de diadochen-rijken. Onder een vorst van een van deze deelrijken, t.w. Antiochus Epiphanes - in het visioen voorgesteld als een kleine hoorn op de kop van het vierde dier - heeft Israël nl. een zeer zware tijd doorgemaakt, waarop de volgende hoofdstukken van het boek Daniël nader ingaan. De 'oude van dagen' is God de Heere zelf. De in het visioen zich als 'mensenzoon' vertonende figuur is blijkens de uitleg van den tolkengel '(het volk van) de heiligen des Allerhoogsten' (v. 18, 22, 27), d.w.z. het volk Israël. (Dit is nl. het volk, dat van Antiochus Epiphanes bijzonder te lijden heeft gehad, v 25).
Dat een volk (een collectieve grootheid dus) hier als een persoon (m.a.w. als een individuele grootheid) wordt voorgesteld, is niet zo ongewoon. Door de mond van Jesaja b.v. spreekt de Heere van het volk Israël als van "Mijn knecht" (41 : 8, en verderop nog herhaaldelijk). 3) Als nu Jezus Christus deze profetie van den mensenzoon op zichzelf betrekt - en kennelijk is de bewuste zelfbenaming aan déze profetie ontleend blijkens de toevoeging "op de wolken des hemels" in Matth. 24 : 30 en 26 : 64 (vgl. ook Openb. 1 : 7 en 13, 14 : 14) - dan legt Hij daarmee een extra dimensie van dit profetenwoord bloot, die aanvankelijk verborgen was gebleven.

Ik wil bij dit verschijnsel nu verder niet stilstaan.
Slechts twee opmerkingen min of meer terzijde. In de eerste plaats deze: zulk een onthulling door Jezus van de uiteindelijke vervulling in Hem van een profetie die in eerster instantie Israël gold, rechtvaardigt het doen van Mattheüs, als hij nu ook (12 : 17-21) een profetie van Jesaja over 'den knecht des Heeren' (zie boven) op Jezus Christus betrekt. En eveneens Paulus, als deze in Gal. 3: 16 'het zaad van Abraham' duidt als 'Christus'. Het lijkt me niet overbodig het legitieme van Mattheüs' en Paulus' gebruik van het O.T. nog eens te onderstrepen met een beroep op de wijze waarop Jezus zélf dit deel van Gods openbaring hanteert. De evangelisten en apostelen staan in onze tijd op dit punt nl. nogal aan kritiek bloot, vgl. b.v, het door mij eerder in dit blad (jrg. 21, no. 1, P: 6) geciteerde oordeel van Grossouw. Men dient echter te beseffen, dat kritiek ten dezen op evangelisten en apostelen kritiek op onzen hoogsten Profeet en Leraar impliceert. Mattheüs en Paulus gaan hier nl. kennelijk in het spoor waarop zij door Jezus zelf zijn gezet. Aan hen gaat ook daarin in vervulling de belofte door Jezus -in Joh. 14 : 26 gedaan.
De tweede opmerking is deze: Jezus' zelfbenaming 'mensenzoon' mag er ons evenwel niet toe verleiden, om te ontkennen, dat met den mensenzoon uit Dan. 7 : 13 in eerster instantie het volk Israël bedoeld is.
Dat valt m.i. met de verklaring van den tolkengel in de hand niet te loochenen. Evenmin als ontkend kan worden, dat de 'knecht des Heeren' bij Jesaja in eerster instantie Israël is (zie b.v. 41: 8, 44: 21, 49 : 3); of dat 'het zaad van Abraham' in eerster instantie Israël is. Ook Jezus zelf ontkent zulks niet, maar erkent het volmondig, Joh. 8 : 37. Dat er een - door de profeten niet duidelijk voorziene - definitieve vervulling komt van een profetie van den Heere betekent niet, dat er niet ook een eerdere meer direct door de profeten bedoelde - vervulling is geweest. Men doet - dat hopen we straks nog te laten zien - aan de diepte van deze zelfbenaming van Christus, en van het conflict dat Hij daarmee oproept, tekort, als men aan de oudtestamentische strekking van deze titel voorbijgaat.

Intussen: we krijgen hier wel met een zeer opmerkelijke verschuiving van betekenis te maken in de aanduiding 'zoon des mensen': van 'mens' (heel in het algemeen) is ze blijkbaar gaan betekenen 'het volk Israël'. Toch is Dan. 7 : 13 niet de enige Schriftplaats waar de benaming 'zoon des mensen' (of 'mensenkind') die opmerkelijke speciale betekenis heeft. We kunnen hier nog twee andere plaatsen naastleggen. Allereerst Ps. 80: 18, waar Asaf den Heere bidt: "Uw bescherming zij ... over het mensenkind dat Gij U hebt grootgebracht". De context laat er geen twijfel over bestaan, dat hij met dat 'mensenkind' Israël bedoelt. Dan is er nog de uitleg die de schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft van Ps. 8. Om zijn bewering te staven, dat God "niet aan engelen de toekomende wereld waarvan hij spreekt heeft onderworpen" (2: 5) ver, wijst hij nl. naar de woorden van Ps. 8 (v. 6) "wat is de mens, dat Gij aan hem denkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet". Maar als hij dan het in v. 5 begonnen betoog gaat afsluiten, schrijft hij (v. 16) "Want niet over engelen ontfermt Hij zich, maar Hij ontfermt zich over het geslacht van Abraham". En daarmee laat hij er geen twijfel over bestaan, welke inhoud voor hem het begrip 'mens' en 'zoon des mensen' in Ps. 8 heeft.
Hoe is nu bij het begrip 'mensenzoon' de overgang van de algemene betekenis ('mens') naar die heel bijzondere betekenis ('het volk Israël') te verklaren?
Ik meen, dat we, om dat te verstaan, er goed aan doen nauwkeurig te letten op de twee psalmen, die we hier tegenkwamen: Ps. 8 en Ps. 80.
Psalm 8 spreekt van de positie van den mens in Gods schepping!" vgl. v. 4 "Aanschouw ik Uw hemel, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt". De dichter spreekt kennelijk van den mens, zoals deze eens uit Gods scheppershand te voorschijn kwam. V. 6 ("Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, ...") herinnert duidelijk aan Gen. 1: 26, waar God zegt: "Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis". En evenzo bevatten de verzen 7-9 ("Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds, de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist") onmiskenbaar een herinnering aan wat op het pas uit Gen. 1 geciteerde volgt: "En God zegende hen (den mens en zijn vrouw) en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des heli/eis en over al het gedierte dat op de aarde kruipt". M.a.w. den dichter van Ps. 8 staat niet maar een willekeurig mens voor ogen; nee, hij denkt aan hem die niet alleen met de soortnaam 'mens', maar ook met de eigennaam 'Mens' werd aangeduid, aan Adam.

En wat Ps. 80 aangaat: de dichter, Asaf, dringt zijn bede om Israëls herstel bij den Heere aan door te herinneren aan wat God met dit volk deed, toen Hij het uit Egypte naar Kanaän leidde (v. 9 "Gij hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven, Gij hebt volken verdreven en hem geplant"). Voor die destijds door den Heere overgeplante wijnstok (vgl Ex. 15 : 17) gaat zijn gebed op tot God (v. 15); het is deze stek uit Egypte (v. 16) die hij betitelt als "den zoon dien Gij U hebt grootgebracht" (v. 16) en als "het mensenkind dat Gij U hebt grootgebracht" (v. 18).
Zoals de dichter van Ps. 8 terugziet naar waar de mens vandaan komt, naar de dag van Adams schepping, zo ziet de dichter van Ps. 80 terug naar waar Israël vandaan komt, naar de dag van zijn uitleiding uit Egypte. Dát Israël, het Israël van de uittocht noemt hij "het mensenkind dat God Zich heeft grootgebracht", zoals de dichter van Ps. 8 Adam het mensenkind noemt.

De conclusie die uit de vergelijking van deze beide psalmen te trekken valt ligt m.i. voor de hand: als Israël 'mensenzoon' (of 'mensenkind') wordt genoemd, dan wordt Israël daarmee getekend als een tweede Adam, en zijn uitleiding door den Heere uit Egypte als een tweede schepping.4) AIs de Heere Israël in Kanaän plant, herplaatst Hij, om zo te zeggen, Adam in het paradijs. 5) Dat déze visie aan dit opmerkelijk gebruik van de benaming 'zoon des mensen' ten grondslag ligt, wordt nog te meer aannemelijk, als we letten op de context van Dan. 7 : 13. Het is nl. opvallend, hoe daar een mensenzoon (m.a.w. iemand van het genus 'mens') in contrast gezet wordt met verschillende typen van het genus 'dier': de heerschappij was nl.
eerst aan vier dieren geweest, voordat deze bij rechterlijke beslissing van den Heere aan een mensenzoon toevalt. (Terecht is er op gewezen, dat ook in Ps. 80 degenen die Israël afstropen worden betiteld met de naam van een vernielend dier: "het everzwijn uit het woud", v. 14.) Deze dieren nu kwamen op uit "de grote zee" die door de vier winden in beroering was gebracht. (Dan. 7: 2). Hier is een duidelijke zinspeling op de oervloed 6) en de daarover razende wind, op die elementen dus die we ook in Gen. 1 : 2 ontmoeten naar veler opvatting.
(I.p.v. als "geest Gods" interpreteert men daar dan nl. de desbetreffende woorden van de grondtekst als "wind Gods", d.i. "een hevige wind".
Vg!. voor deze betekenis van "Gods" b.v. Ps. 36: 7, waar "Gods" parallel staat met "geweldig", en Jona 3 : 3, waar de St.-vert. heeft "een grote stad Gods", maar de NBG-vert. "een geweldig grote stad". ) Bij de Israël omringende volken krijgt die vernielende watermacht, die bij de schepping aan banden gelegd moest worden (Vlg!. Ps. 104 : 6-9) vaak gestalte in een watermonster, een zeeslang, Rahab of Leviathan genoemd. Deze figuren spelen een rol in oude scheppingsmythen. Opmerkelijk is nu, dat de Bijbel daarentegen deze namen bezigt, als hij spreekt van de machten die Israël in zijn historie hebben bedreigd, maar door den Heere zijn vernietigd; en wel speciaal in de tijd, toen Israël uit Egypte trok (Jes. 51 : 9, 10; Ps. 74: 13, 14; Ps. 89: 10, 11).
Echter: niet uitsluitend in die tijd; want de geschiedenis herhaalt zich: Israëls vijanden maken steeds opnieuw zich sterk, maar ook de Heere herhaalt zijn wonderen, om zijn 'schepping' Israël te redden van de 'chaosmachten'. In dié gedachtesfeer beweegt zich de profetie uit Jes. 27: 1-3 ("Te dien dage zal de Heere met zijn fel, groot en sterk zwaard bezoeking brengen over den Leviathan, de snelle slang, over den Leviathan, de kronkelende slang, en Hij za~ het monster in de zee doden. Te dien dage zal er een wijngaard (!!! men denke aan Ps. 80!) zijn, die bruisende wijn voortbrengt; zingt van hem in beurtzang. Ik, de Heere, zijn behoeder, zal hem aldoor drenken; opdat niets hem beschadige, zal Ik hem dag en nacht behoeden"), beweegt zich - blijkens v. 2 - ook het visioen van Dan. 7.· Dat laatste nu pleit ervoor om in de benaming 'zoon des mensen' voor 'Israël' een zinspeling op de schepping van Adam te zien.

Paulus noemt in 1 Cor. 15 Christus 'den tweeden mens' en 'den laatsten Adam' (v. 45). Maar blijkbaar is het dus zo, dat Christus in zijn hoedanigheid van 'tweeden Adam' een voorloper heeft gehad onder het O.T., en wel Israël. Israël is de oudtestamentische tweede Adam. En het is door de benaming 'mensenzoon' (of 'mensenkind') dat dit volk als tweede Adam wordt gekenmerkt.
In al Israëls rechten treedt straks Jezus Christus, omdat Hij alle door Israël - evenzeer als door Adam - verzuimde verplichtingen jegens God op zich neemt en nakomt. Daarom maakt Hij aanspraak op alle titels van Israël: zo op de titel 'zoon', Joh. 8 : 36 (vg!. Ex. 4: 22; Ps. 80: 16; Hos. 11 : 2); alsook - en dat zeer veelvuldig - op de titel 'zoon des mensen'.
In dit verband vraagt één merkwaardige uitspraak van Jezus wel bijzondere aandacht. Ik bedoel Marc.
2 : 27, 28. A/Is de Farizeeën zijn discipelen lastig vallen over het plukken van aren op sabbat, zegt Hij: "De sabbat is gemaakt om den mens, en niet de mens om de sabbat. Dus is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat". Dat Jezus in de laatste zin met 'de Zoon des mensen' zichzelf bedoelt, valt dunkt mij niet te betwisten: in het N.T. is deze benaming helemaal voor Hém gereserveerd. Maar wien bedoelt Hij in de eerste zin met 'den mens', om wien de sabbat is gemaakt? Omdat hier in de conclusie ("dus") de aanduiding 'zoon des mensen' in speciale zin is gebezigd, lijkt het niet waarschijnlijk, dat in de stelling waarop deze conclusie is gebouwd, het woord 'mens' een algemene betekenis zal hebben. Veeleer zullen we ook het woord 'mens' hier in speciale zin moeten verstaan, m.a.w.óf op Adam óf op Israël moeten betrekken. Nu is van 'sabbat' voor het eerst sprake aan het begin van Israëls woestijnreis (Ex. 16: 25). En Mozes zegt dan, dat de Heere aan Israël de sabbat gegeven heeft (v. 29). Dezelfde voorstelling (dat de sabbat een geschenk van den Heere aan Zijn volk Israël is) vinden we later ook bij Ezechiël (20: 12). En ook in Ex. 31: 13 en 17 zegt de Heere, dat de sabbat een teken is tussen Hem en Israël. Van een sabbat voor den mens van den beginne weet de Schrift m.i. niet. In Gen. 2 : 2 wordt wel vermeld, dat God zelf op de zevende dag rustte, wat ook als motief dient voor de instelling van de sabbat voor Israël (Ex. 20 : 11). Maar dat God aan Adam de sabbat schonk, valt m.i. uit de Schrift niet op te maken. Ook in zijn opdrachten aan Adam rept de Heere met geen woord van het onderhouden van de sabbat.
Ik geloof dus, dat Jezus in Marc. 2 : 27 bedoeld heeft: de sabbat is gemaakt voor Israël, Gods nieuwen mens ( en niet omgekeerd: Israël voor de sabbat).
En hier krijgt nu het conflict met Israëls leidslieden een soortgelijke toespitsing op de rechtsaanspraken die Jezus Christus op de aan Israël vermaakte erfenis laat gelden, als in Joh. 8: 30-56 (waarop ik daareven zinspeelde), als Hij laat volgen: "Dus is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat", d.w.Z. omdat Ik de ware 'Israël', de definitieve 'zoon des mensen' ben, heb Ik te beschikken ook over de sabbat. Dit woord spreekt Jezus - men lette daarop - aanstonds bij de eerste van een hele reeks van wat in de ogen der Joden schendingen van de sabbat zijn. Daardoor worden alle volgende schendingen een onderstreping van de pretentie die Hij bij deze eerste zo duidelijk uitspreekt: "Ik ben Israël". En door nu meteen de kwestie op deze noemer te brengen, geeft Hij aan dit conflict een onnoemelijke diepte. Hij dwingt nl. Israël niet maar zijn sabbatspraktijken te herzien, maar stelt het volk voor een eis die oneindig veel dieper in hun vlees snijdt: niets minder dan hun identiteit eist Hij voor zichzelf op. Daarmee laat Hij het volk weten: slechts in Mij zijt gij die gij zijt, kunt gij voor den Heere zijn die gij zijn moet. Heel uw staat voor God is opgehangen aan Mij. "Niemand kent de Vader dan de Zoon, en degene aan Wien de Zoon Hem wil openbaren" (Matth. 11 : 27): op déze woorden van Jezus laat Mattheüs de geschiedenis van de arenplukkende discipelen volgen (12: 1-8). Israël is in zichzelf nergens meer, zo min als Adam na de zondeval.

Hier blijkt nu - en daarop doelde ik boven - wat ons ontgaat, als wc de profetie van den mensenzoon al te rechtstreeks op Christus betrekken. Als wij nl. niet in rekening brengen, dat deze mensenzoon in eerster instantie Israël was, beseffen wij niet, hoezeer de Heiland zijn eigen volk tegen de haren instrijkt, als Hij optreedt met de pretentie "Ik ben de mensenzoon". Dan wordt ons niet ten volle duidelijk, hoezeer dit evangelie voor de Joden een ergernis is geweest.

Hier in dit sabbatsconflict spreekt Jezus, als ik het goed zie, een woord van dezelfde diepte als in Joh. 15 : 1 vIgg.: "Ik ben de ware wijnstok"..., terwijl toch niemand er aan kon twijfelen, dat Israël Gods wijnstok was (zie nogmaals Ps. 80 !). "Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als hij niet aan een wijnstok zit, zo gij evenmin, wanneer ge niet in Mij zijt". Alleen maar: de discipelen, tot wie dit woord was gericht, hebben - in tegenstelling tot de Farizeeën en brede lagen van het volkdit vernederende woord aanvaard. Ze hebben zich gewonnen gegeven; al hun verworvenheden, ja hun identiteit prijsgegeven, om - naar het woord van Paulus (Filipp. 3 : 9) - "in Christus gevonden te worden". Want minder vraagt Christus van het volk Israël niet, dan dat het zich zelf verloochent in de meest absolute zin; d.w.z. dat het erkent: eigenlijk ben ik Israël niet, Gij zijt het; alleen in U ben ik mijzelf.


Noten
1) 7de jrg., blz. 100.

2) De identificatie van dit rijk als wereldmacht tussen het Babylonische en het Perzische vormt een probleem.
Volgens onze huidige kennis van de toenmalige geschiedenis is er geen plaats voor. Dit probleem laten we hier rusten. Intussen is het duidelijk, dat het boek Daniël inderdaad in zijn historisch deel deze voorstelling van zaken geeft, dat na de val van Babel eerst de Meden aan de macht komen, en pas later de Perzen. Intern is er dus in het boek Daniël overeenstemming tussen profetie en geschiedenis.

3) Men denke verder b.v. ook aan de voorstelling van Israël als bruid van den Heere

4) Daarmee ben ik op een geheel onverwachte wijze gesterkt in de overtuiging die ik vele jaren geleden heb verdedigd, dat nl. in het N.T. de uitdrukking 'grondlegging der wereld' meermalen - ik geloof zelfs: altijd - betrekking heeft op Israëls uit- en intocht. Vgl. mijn gebundelde Reformatie-artikelen Wat betekent de term 'grondlegging der wereld' in het N.T.?, Enschede 1959, en de beantwoording van de kritiek daarop in De grondlegging der wereld. / Zag Israël zijn uittocht als schepping?, Enschede 1958.
T.a.v, een der belangrijkste teksten in geding (Ef. 1 : 4) heb ik naderhand nog enkele niet onbetekenende nieuwe argumenten aangedragen (in dit blad, jrg. 9, blz. 270 en 278). Ik wil daaraan nu nog een toevoegen. Het bewuste woord uit Ef. 1 : 4 vormt een onderdeel van een lofzang (blijkens het begin van v. 3). Is het niet curieus, dat Paulus' metgezel Lucas zowel in de lofzang van Maria als in die van Zacharia een verwijzing naar de belofte, aan Abraham gedaan, opneemt (Luc. 1 : 55; 73)? (Hij leidt die in 1 : 55 in met hetzelfde 'kathoos' (zoals), dat Paulus in Ef. 1 : 4 bezigt; vgl. ook - in wijdere samenhang - Luc. 1 : 70.)

5) Ik vraag mij af, of in de Bijbel de vestiging van Israël in Kanaän niet in nog meer trekken als een parallel van Adams vestiging in het paradijs wordt getekend. Bij de intocht wordt voor Israël de keuze tussen zegen en vloek aanschouwelijk gemaakt (en permanent gehouden), doordat zegen en vloek op twee naast elkaar gelegen bergen worden gelegd, t.w, de zegen op de Genizim en de vloek op de Ebal (Deut. 27: 12, 13; vgl. Joz. 8 : 33). Heninnert dit niet aan de wijze waarop voor Adam de noodzaak om bewust te kiezen aanschouwelijk werd gemaakt, nl. doordat de Heere in het midden van de hof van Eden twee bomen naast elkaar plant, waarvan Hij de ene maakt tot drager van het leven, de andere tot drager van de dood (Gen. 2: 9; vgl. 3 : 3)?

6) Ook in Openb. 13 komt het beest met de tien horens en de zeven koppen op uit de zee. Vgl. verder Openb. 21 : 1 "en de zee was niet meer": geen 'chaosmacht', d.w.z. geen vijand van Gods uitverkoren volk, van Zijn nieuwe schepping, kan ooit meer de kop opsteken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief