De te kiezen naam

1979-04-27
  • Jaargang 23
  • nummer 17
Op de laatst gehouden Landelijke Vergadering van onze kerken te Wezep is besloten dat de vaststelling van de naam onzer kerken zal worden overgelaten aan de op 19 mei a.s. Voortgezette Landelijke Vergadering, die zal worden samengesteld via rechtstreekse afvaardiging door de kerken. Er was namelijk tijdens de genoemde zitting (op 25 nov. '78) onvoldoende eenstemmigheid.
Bij de eerste stemming vielen verschillende namen af als Evangelische Gereformeerde Kerken (5 stemmen), Vrije Gereformeerde Kerken (2 stemmen) en de huidige benaming (Ger. Kerken in Nederland, buiten verband, 4 stemmen).

Bij een tweede stemming verkreeg de benaming Nederl. Geref. Kerken 18 stemmen en die van Vrijgem. Geref. Kerken 20. Het was een wijs besluit in deze situatie geen definitieve beslissing te nemen, maar die over te laten aan een volgende, door rechtstreekse afvaardiging bijeen gekomen zitting.

Intussen is in de pers enige discussie over de te kiezen naam op gang gekomen en is met name het pleit gevoerd voor de naam Vrije Gereformeerde Kerken. De redactie van 'Opbouw' heeft voor deze discussie welwillend gelegenheid gegeven, maar ook de Kerkbode voor Geref. Kerken in Noord- en Zuid-Holland kreeg nogal wat artikelen over de naam onzer kerken als 'ingezonden' op de redactietafel. De meeste ingezonden stukken kenmerken zich door een rustige betoogtrant en poging tot zakelijke argumentatie, een enkel draagt een nogal polemisch karakter.

Het valt op dat zowel bij de stemming op de Landelijke Vergadering als in de ingezonden stukken - op één na - de naam Gereformeerd, met dan natuurlijk een of andere toevoeging, algemeen gewenst wordt. Nederlands Gereformeerd, Evangelische Gereformeerd, Vrij Gereformeerd, Vrijgemaakt Gereformeerd, het woord Gereformeerd komt in alle voorgestelde benamingen voor. Hierover schijnt dus wel een grote eensgezindheid te bestaan.
Dat behoeft ons niet te verwonderen.
Deze benaming is van oude datum en draagt een sterk historisch stempel. Zij komt reeds voor in de 16e eeuw. In de kerkenordening werd in 1581 opgenomen dat niemand tot het avondmaal zal worden toegelaten dan die belijdenis van de Gereformeerde religie heeft gedaan. Voordien werd gesproken over belijdenis van het geloof in het algemeen of ook van een onderzoek in de christelijke religie. Het woord Gereformeerd wees de tegenstelling met de Rooms-Katholieke godsdienst aan.
In officiële stukken wisselen aanvankelijk de benamingen nogal.

Men sprak ook wel van de christelijke gereformeerde religie, van de gereformeerde evangelische religie en ook wel van de christelijke evangelische religie 1), maar voor de kerk der Reformatie in Nederland wordt de benaming Gereformeerde kerk steeds meer algemeen. Hoewel de kerk een Calvinistisch karakter kreeg, werd zij toch niet naar Calvijn genoemd, terwijl de kerk van de Reformatie in Duitland Luthers kwam te heten. De benaming Gereformeerd wijst aan het herstel van de door het Rooms-Katholicisme vervallen kerk en is naast deze afwijzing toch positief van inhoud.

In de 19e eeuw wijkt de benaming Gereformeerd terug voor Hervormd, de officiële benaming van het door koning WiIlem I omgevormde genootschap. De naam "Gereformeerd" blijft dan voortleven in de Chr. Afgescheiden kerken, die hem bij een vereniging in 1869 opnemen in haar officiële naam: Christ. Geref. Kerk. Via vereniging met de uit de Doleantie voortgekomen kerken krijgen we dan in 1892 de naam Gereformeerde Kerken in Nederland. Het woord 'Gereformeerd' wordt door deze gang door de geschiedenis nader gestempeld. Er komt de gedachte in van afweer van het modernisme, dat tot afscheiding van de Hervormde kerk had genoopt, van afwijzing van de Bijbelkritiek, van vasthouden aan de belijdenis der kerk (de Drie Formulieren van Enigheid), van vasthouden aan de vrije, uitverkiezende genade van God. Het is verblijdend dat in de discussies aan deze benaming is vastgehouden.

Hoe valt nu te denken over de toevoeging: 'Vrije' bij Gereformeerde Kerk?
Deze toevoeging is vooral in de 1ge eeuw gangbaar geworden: dit is de eeuw van het ontstaan van de zgn. vrije kerken, in Frankrijk, Italië, Duitsland, Schotland, Engeland en Nederland. Het betreft hier kerken, die zich hebben afgescheiden van de officiële staatskerken.
Dit kon zijn omdat in die Staatskerken de belijdenis in gedrang was gekomen of ook uit principiële verwerping van de staatskerk als zodanig.
Natuurlijk ging het een veelal met het andere samen. Daarnaast duidt het toevoegsel 'vrij' ook op verzet tegen de volkskerk en zit er de gedachte in dat men door vrijwillige toetreding op persoonlijke belijdenis slechts lid van de kerk kan worden. 2). Meermalen worden de kinderen hierbij niet als eigenlijke leden van de kerk geteld. Ook is er sprake van Vrije gemeenten.
Hier duidt de benaming 'vrij' aan dat men zich losgemaakt heeft van het kerkverband en dat ook verder verwerpt. Het woord autonomie van de plaatselijke kerk gebruikt, geldt in dit geval onbeperkt.

We kennen in ons land de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland. Zij willen niet weten van belijdenisgeschriften met bindend gezag, gaan uit van de autonomie van de plaatselijke kerk en verwerpen alle andere kerkelijke vergaderingen met besluitsbevoegdheid en kennen niet het instituut van doopleden 3). Een bepaalde vorm van de leer van het duizend jarig rijk is algemeen. Zij geldt als een ongeschreven bindende belijdenis: wie deze leer niet aanhangt zou als predikant ongetwijfeld moeilijkheden ondervinden, zo verzekerde mij eens een van haar predikanten.
Verder zijn er naast de Vrij-Katholieke Kerk nog een aantal plaatselijke Vrije Kerken, waaronder de onder ons enigszins bekende Vrije Gereformeerde Kerk te Wolvega.

Uit het bovenstande is duidelijk dat de toevoeging 'vrij' in het kerkelijk spraakgebruik met een bepaalde inhoud is geladen en niet te vergelijken is met een onbeschreven blad papier, waarop men naar believen zijn opvatting kan invullen.
De woorden krijgen hun betekenis door het gebruik, zegt een spreekwoord.
Ze hebben nu eenmaal door het gebruik een bepaalde inhoud, dat geldt ook in het kerkelijk leven.

Reeds daarom verdient het geen aanbeveling bij de door ons te kiezen naam van de terminologie 'vrije' gebruik te maken. Wij kunnen wel zeggen: we geven daaraan een schriftuurlijke inhoud, maar het woord 'vrij' hééft in het kerkelijk spraakgebruik reeds een bepaalde inhoud en kleur, daaraan valt nu eenmaal niets te veranderen. En uit de reeds door onze kerken genomen
besluiten op de Landelijke Vergaderingen blijkt overduidelijk dat zij déze kleur niet begeren. Enkelen zullen er geen bezwaar tegen hebben, dat is duidelijk, maar ik ga nu uit van wat onze kerken zelf duidelijk hebben uitgesproken, zowel over de belijdenis - de Drie Formulieren van Enigheid- als over' haar wil om gezamenlijk op te treden ook door middel van bredere kerkelijke vergaderingen.

Het lijkt me gewenst in tlit artikel nog één opmerking te maken over de gedachte, dat het woord 'vrij' in de benaming onzer kerken gewenst is omdat we daarin met een schriftuurlijk gegeven te doen hebben: is het niet een geweldig ding, dat Christus ons heeft vrijgemaakt en dat we opgeroepen worden in de vrijheid te staan? Is die 'christelijke vrijheid' niet een der wezenstrekken van de kerk? Afgezien nu verder van de kleur van dit woord in de kerkelijke benaming - zie boven - zou ik daarvan graag het volgende willen zeggen.
Het heil dat Christus voor ons heeft verworven is onmetelijk groot en rijk. Het heeft verschillende aspekten en wordt ons in de Heilige Schrift op allerlei wijzen voorgesteld en beschreven. De Schrift spreekt over roeping en wedergeboorte, over geloof en bekering als gave van God; over rechtvaardiging en heiliging, over verzoening en verlossing, over uitverkiezing en bevrijding. In de apostolische brieven worden de gemeenten dienovereenkomstig aangesproken als de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen, geliefden Gods, de heiligen, de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, gemeenten in God en de Here Jezus Christus, de uitverkorenen. Ik geloof dat het niet aangaat uit het veelkleurig heil van Christus één keuze te doen in de benoeming van de kerk en die keuze te maken tot een algemene typering, die bovendien voor buitenstaanders niet of moeilijk te begrijpen is. Vrijheid houdt in het Nieuwe Testament in vrijheid van zonde, vrijheid van de wet in de zin van middel om zichzelf de zalgheid te verwerven door eigen aktiviteit, vrijheid van de leugen, die in het bovenstaande geval altijd meekomt in de interpretatie van de wet - vgl. Joh. 8: 32 -, vrijheid van de vloek der wet, vrijheid van de dood. ) Hoe moet déze vrijheid niet worden afgeschermd tegen alle misbruik om haar heerlijke betekenis te doen verstaan. Dit was reeds in het Nieuwe Testament het geval. Voor een náámgeving, waarin men van alles en nog wat kan opbergen, lijkt ook daarom dit heerlijke woord minder geschikt. Men vergelijke daarvoor het spel, dat met het woord 'bevrijding' in de hedendaagse bevrijdingstheologie wordt gespeeld.

1) Zie Christelijke Encyclopedie; dl 3, onder Gereformeerd, art. van prof. dr D. Nauta,
2) idem, dl. 6, onder Vrije kerken, van dezelfde schrijver.
3) vgl. Kaart van kerkelijk Nederland, door dr C. N. Impeta, pag. 148 e.v., 1e druk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief