lets over antithese (1)

1979-05-04
  • Jaargang 23
  • nummer 18
Abraham Kuyper Volgens eerder gedane belofteverleden december alweer - zou ik nog wat verder hardop nadenken over de materialistische bijbel-uitleg, die tegenwoordig zo van zich doet spreken. Men vindt deze manier van Bijbel-benadering bij de mensen van de beweging 'Christenen voor het socialisme'. Met één van hen, ds Roebus Zuurmond, was ik vorig najaar in gesprek, in ons blad.
Eigenlijk ontmoeten wij in dit denken een nieuwe antithese-theologie en -politiek en ik stel me in dit artikel ten doel uit te leggen wat ik hiermee wil aanduiden.
Antithese - het is bijna een vergeten woord. Maar voor wie enigszins thuis is in de geschiedenis, is de naam van Abraham Kuyper hieraan verbonden. Hij was het die er de ogen voor opende dat de politieke beschouwingen ter linkeren ter rechterzijde beheerst worden door tegengestelde uitgangspunten.
Afzonderlijke politieke opstelling en organisering van de christenen vloeide' hieruit noodzakelijkerwijze voort. Zo was Kuyper's gedachte en daarnaar heeft hij ook gehandeld.
Hij is er bijna om dood gehoond.
Toch was wat hij zei bijbels. Ik kerkelijk leven haal ten bewijze twee teksten aan, één uit het slot van het Oude Testament en één uit het slot van het Nieuwe. Maleachi 3 : 18: "Dan zult gij tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient." En Openb. 22: 11: "Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd." In deze woorden wordt duidelijk een verschil, zelfs een tegenstelling, ja zelfs een groeiende tegenstelling (de letterlijke betekenis van het woord 'antithese') openbaar tussen gelovig en ongelovig in de wereld.
Misschien verbaast het iemand dat ik in dit verband niet aankom met de tekst die altijd weer te berde gebracht werd als het over de antithese ging, namelijk Gen. 3: 15, dat woord aan het begin van de Bijbel: "En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen." Inderdaad is het niet noemen van deze tekst opzet van mijn kant. Want wel-is-waar gaat 't in dit woord over antithese, maar niet over die tussen mensen. Het gaat hier om de tegenstelling tussen de slang en de mens, de duivel en de mensheid.
De Here God heeft van zich uit nooit enig mens op de kant van de duivel gezet. Hij heeft integendeel het hele mensengeslacht door deze gestelde vijandschap uit de klauwen van de duivel willen redden. Dat achteraf de duivel 'zaad' gewonnen heeft onder de uit vrouwen geborenen is weliswaar aangeduid in Gen. 3 : 15, maar de eerst bedoelde tegenstelling is zeer duidelijk die tussen slang en vrouw. Helaas is later deze tegenstelling óók een tegenstelling tussen mensen onderling geworden. Maar Gods bedoeling was dat niet. Het is er helaas van gekomen in de geschiedenis.
Daarom geloof ik dat 't niet toevallig is, dat we meer aan het eind dan aan het begin van de Bijbel moeten zijn, om van deze antithese tussen de mensen te vernemen. Zij is meer conclusie dan premisse.
Van hieruit zou ik ook een vraag hebben aan Abraham Kuyper en in iedere geval aan zijn volgelingen: Hebt u de antithese niet te gemakkelijk als een vóór-gegeven gehanteerd?
Bent u er niet te gemakkelijk van uitgegaan? In plaats van er u door de praktijk toe te laten leiden?
Mogen wij niet altijd weer opnieuw beginnen vanuit Gods algemene mensenliefde? Dus bij Joh. 3 : 16: "Alzo lief heeft God de wereld gehad ... ", wel wetend en er ook rekening mee houdend dat dit evangelie aan het eind zegt: "Niet voor de wereld bid Ik u, maar voor degenen die Gij Mij (uit de wereld) gegeven hebt. .. " (Joh. 17: 9). Er is, dunkt me, profetisch inzicht voor nodig om het tijdstip te beproeven waarop je weer met de klaroenstoot van Gods liefde-voorállen mag starten, vergetende hetgeen achter ligt. Antithese - ja dus, maar niet als vóór-gegeven.

Karl Barth
Nu is in later tijd Karl Barth gekomen en hij heeft op de hele antithese-gedachte indringende kritiek geleverd. Hij heeft gewezen op het gevaar van de vereenzelving. Dat we dus gemakkelijk een is-gelijkteken gingen zetten tussen Gods zaak en de onze.
Deze kritiek kan ten goede gebruikt worden, in die zin dat wij er de antithese steeds door laten zuiveren.
Want inderdaad ligt 't gevaar van de vereenzelving vlak voor de deur. Ik denk hier aan wat we lezen in Jozua 5: 13 v.v., van die man, die vorst. van het heer des HEREN, die met uitgetrokken zwaard vóór Jozua staat. Jozua, vol van zijn oorlog met de inwoners van Kanaäan, stelt de begrijpelijke vraag: behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? en krijgt terug: neen. .. Wij krijgen er niet goed hoogte van, wat deze bovenmenselijke gestalte nu precies wil, maar Hij zegt tot Jozua: doe uw schoenen van. uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. Het is eigenlijk een vreemd stukje, maar juist in die vreemde stukjes is de Bijbel vaak zo ontzettend bijbels.
God de HERE die vóór en na (hfdst. 5 en 6) aan de kant van Jozua strijdt, stelt zich hier tegenóver hem op en zegt: jouw strijd hángt wel samen, maar vált niet samen met de mijne. Het is immers niet in overeenstemming met de stijl van zijn handelen dat God ergens, zoals hier over de Kanaänieten, met zijn oordeel komt, nog voordat Hij er met zijn genade geweest is (vgl. Matth. 11 : 20-24).
Hier wordt dus m.i. de antithese gezuiverd. En dat moet het herhaaldelijk gebeuren, want onze 'oorlogen des HEREN' zijn niet zomaar vanzelf heilig. In plaats van de schoenen van onze voeten te doen, houden wij vaak de klompen aan onze poten.
Maar Karl Barth heeft zijn kritiek niet geleverd om Ide antithese te zuiveren. Veelmeer om haar op te heffen. Dat heeft hij trouwens op 'n eigenaardige wijze gedaan, door haar te verticaliseren en daardoor, meende hij, te radicaliseren. De antithese verticaliseerde hij tot een tegenstelling tussen God en mens.
Dat leek inderdaad veel geestelijker dan de antithese tussen gelovig en ongelovig. Maar de soep werd toch niet zo heet gegeten als ze werd opgediend, want in Christus werd die antithese tussen God en mens tegelijk gesteld èn opgeheven. Daarmee werd de antithese tot een denk-ding; de werkelijkheid werd er niet langer echt door beïnvloed. En zeker de politieke werkelijkheid niet. Als de mens in Christus tegelijk verworpen èn verkoren is, dan wordt alleen dat laatste woord 'verkoren' onthouden, want dat telt uiteindelijk. En zo is dan ook het front dat door de wereld loopt (en altijd weer opnieuw loopt) tussen gelovig en ongelovig doorbroken.
Geen wonder dat we in het politieke Nederland van na de tweede wereldoorlog, toen de ideeën van Barth hier gerijpt waren, de Doorbraak hebben beleefd: het opgeven van de confessioneel bepaalde politieke opstelling.
Het is tegenwoordig onder ons mode om over Karl Bart tamelijk positief te spreken. Dat is wel begrijpelijk als je let op de ontwikkelingen na hem. Teruggrijpen op hem lijkt een orthodox gebaar. Het is ook behoudend. Je kunt het vergelijken met de waardering onder gereformeerden voor Willem Drees, de vroegere politieke tegenstander.
Maar deze nieuwe taxaties zijn toch meer blijken van gradueel dan van principieel denken.
Principiëel gesproken moeten we blijven zeggen dat Karl Barth een volstrekt heilloze wending aan het theologisch denken gegeven heeft.
Klaas Schilder had daarin gelijk en krijgt daarin ook nog steeds meer gelijk. De theologie van Karl Barth heeft zichzelf verstaan als een theologie 'zwischen den Zeiten', tussen de tijden, en dat is precies raak gekenschetst.
Karl Barth heeft een theologie gemaakt voor tussen de tijden, voor tussen de getijden, voor het ondeelbare ogenblik tussen eb en vloed, de eb van het verdwijnende christendom en de vloed van de opkomende secularisatie. Nu dat moment is gepasseerd en de vloed krachtig komt opzetten, beseffen wij hoe onhoudbaar Barth's positie is, hoe krachteloos zijn luchtsprong was, toen hij de antithese verticaal overeind zette en haar zo meende te radicaliseren.

De nieuwe antithese
Want in een leven vol tegenstellingen en in een tijd waarin deze polariserend worden aangescherpt, laat zich de antithese natuurlijk niet aan de kant drukken. En deze is dan ook teruggekeerd. In een nieuwe vorm, in een geseculariseerde gestalte. Er is nu niets verticaais meer aan. De antithese is zo plat als een cent geworden, materialistisch.
En ze heet: klassen-strijd. Het frappante is dat deze klassen-strijd als nieuwe antithese 't christelijk erf wordt binnengedragen door theologen die stuk voor stuk zeggen bij Barth vandaan te komen. Althans in Nederland is dat zo. Wij moeten hen daarin ook wel geloven.
Maar zo wordt wel iets van hef mislukken van Barth's theologie tragisch onthuld. Want wat begonnen is als een titanische kritiek ("senkrecht von Oben") op de vereenzelviging, loopt nu uit op een vereenzelving die zijn weerga niet kent: God en zijn evangelie opgesloten in de wereldse strijd der klassen, via het bijbelse gegeven dat God de God der armen is.
Onderken in deze ontwikkeling de toeleg van de boze. Eerst heeft hij Gods volk door middel van het barthianisme ontwend aan de antithese-
gedachte. Een geest van synthese en samendoen is daarvoor in de plaats gekomen. Nu deze synthese is uitgelopen op kleurloosheid en verdoezeling, groeit onder de jongeren een bereidheid tot een weer omhoog heffen van de antithese.
Want de antithese is reëler dan de synthese, sluit meer aan bij de werkelijkheidsbeleving van vandaag.
Het motief van kleur bekennen is zeer populair. Alleen, de nieuwe antithese is nu niet meer de bijbelse. Ze is afgeplat, vermagerd en verwrongen tot de tegenstelling tussen arm en rijk in de materialistische zin van het woord. Ontzettend, wat knap van de grote tegenstander!
En de grote vraag wordt nu: hoe doorzuiveren wij opnieuw deze nieuwe antithese. Want dat er bij alle verwringing toch een bijbelse kern van waarheid steekt, in deze nieuwe antithese, staat voor mij vast. Maar wij moeten die kern onder veel vandaan halen. Daarover een volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief