pastorale notities
1979-05-04
- Jaargang 23
- nummer 18
Ik ga naar de kerk om de Heer te ontmoeten. Maar je kunt beter niet elke zondag gaan, want dan wordt het sleur. Dat zei mij grootvader indertijd ook al, toen er plannen waren om vaker avondmaal te vieren. Het moet iets bizonders blijven. Je hebt hier ook iemand, die gaat alleen op oudejaarsavond naar de kerk, maar hij slaat nogal eens een jaar over, anders wordt het weer zo’n gewoonte.
Ik ben nu naar de kerk gegaan, omdat ik er behoefte aan had. Maar de preek, dat is het niet. Deze dominee ligt mij niet zo. Ik moet zeggen, hij heeft wel een actueel onderwerp, hij bedoelt het goed en hij doet zijn best, hij zegt diepe gedachten. Hij praat aarzelend. Hij geeft toe, dat hij het ook niet zo precies meer weet. Hij vraagt ons, of wij met hem meedenken willen en om dan ons denken op weg te helpen, zal hij een woord aanreiken dat hij, naar zijn zeggen, ergens in de bijbel gevonden heeft en waar wij misschien mee uit de voeten kunnen. Al met al is die preek natuurlijk niet de ontmoeting: waarvoor ik kwam. De dienst van de tafel, dat begint er meer op te lijken. Ergens ontmoet je daarin toch de Heer. Maar het wordt niet, wat ik ervan verwachtte. Gelukkig voelt de dominee dat ook aan.
Hij zegt, dat we de Heer ontmoeten, als we elkaar ontmoeten.
Hij stelt voor, dat we allemaal gaan staan en onze buren aan tafel de hand geven en dan vriendelijk tegen ze lachen. Dit moeten we nu spontaan gaan doen, zegt hij. Dat spontane begrijp ik niet goed, want hij heeft eerst zijn opdracht gegeven.
Het komt bij mij niet over.
Ik denk, dat ik de Heer eens ga ontmoeten als het mooi weer wordt; in de natuur.
Er waren twee mensen, die de Here Jezus ontmoetten. Hij liep met hen op, Hij ging mee naar binnen in hun huis, Hij brak het brood en reikte het hun toe. Die twee mensen spraken daarover toen zij terugliepen naar Jeruzalem en ze waren het erover eens, wát het hoogtepunt was van die dag. Niet dat ze de Here ontmoet hadden; niet dat ze met Hem gegeten hadden, maar dat Hij hun de Schriften geopende had. Tóen stond ons hart in vuur en vlam, zeiden ze tot elkaar.