Van hongerdoek tot smartlap

1979-05-04
  • Jaargang 23
  • nummer 18
leder kent vandaag het woord smartlap. Het wordt immers gebruikt voor een sentimenteel liedje: Een gedicht, een verhaaltje, dat zo aandoenlijk is dat niemand het meer serieus neemt, wordt smartlap genoemd; vooral wanneer het bovendien populair geworden is en zodoende de slechte smaak van de massa verraadt. Maar u, die zo precies weet wat een smartlap is, kunt u misschien ook zeggen of zo'n lap gewassen en gestreken kan worden? Wat zegt u?
Spreken we over een figuurlijke lap?

Als u het Van Dale zou vragen, dan kon hij u (in zijn achtste druk) het antwoord niet geven.
Daarom moeten we samen maar eens verder zoeken. Misschien vinden we wel iets van droefheid-naar-God en droefheid-naar-de-wereld, om een statenvertaling-term te gebruiken.

Een aantal jaren geleden bezochten we een der Utrechtse musea. En daar, bij een indrukwekkende verzameling oude pierementen, draaiorgels zogezegd, troffen we voor het eerst een smartlap aan. Dat was een grote geborduurde doek. die - aan een draaiorgel gehangen - in een aantal tafrelen een smartelijke geschiedenis uitbeeldde, waarover het orgel zijn klanken uitgoot.

Ineens werd de betekenis van de smartlap duidelijk: een zichtbaar verhaal, een drama dat in liedvorm werd doorgegeven. Een stukje historie uit de tijd van minstrelen en barden, een boek der Ieken uit vooralfabetische tijden.
En de vraag, of zo'n lap gewassen en gestreken kan worden, was hiermee beantwoord, voorlopig.

Een der oudste schrijvers uit de Duitse litteratuur was Hans Sachs, de schoenmaker-dichter.
Zijn korte biografie luidde: "Hans Sachs war Schuhmacher und Poêt dazu." Deze Hans Sachs (1494-1576) schreef eens over "am hungertuch sich nehen" en ook "am Hungertuch nagen", in de betekenis van gebrek lijden, op een houtje bijten. En daar komt de naam hongerdoek ter sprake - een naam trouwens, waarover Van Dale u wel kan inlichten. Een hongerdoek is namelijk een "vasten-gordijn"; een versierd linnen doek, dat veertig dagen voor Pasen het altaar in Roomse kerken aan het oog onttrekt. Veertig dagen, dat is de vastentijd.

Deze doek geeft dus de vasten, soberheid, religieuze ingetogenheid aan.
Deze hongerdoek is al heel oud, zo oud dat hij in West-Europa bijna onbekend is geworden.
Maar er stak veel achter. Misschien was dit wel de oorsprong: dat men zich in de lijdensweken alle kostbare opsmuk ontzegde, vooral in de kerken. Misschien ook - laten we eens optimistisch mogen zijn - zat hier wel de stille erkenning in: dat het dagelijks offer maar eens vergeten moest worden, zo lang aan Christus' eenmalige en afdoende offer werd gedacht. Hoe het zij - aanvankelijk werd deze doek van grof linnen gemaakt en diende om het altaar te bemantelen. Zijn functie werd aangegeven door een geborduurd kruis. Dat was de hongerdoek: veertig dagen geen praal, veertig dagen soberheid, zo niet hongeren.

Het Duits kent naast hungern ook schmachten; kent behalve de Hungertuch ook de Schmachtlappen.
Maar die laatste kan niet gewassen en gestreken worden, want nu is het woord overdrachtelijk gebruikt. Een Schmachtlappen is vandaag een hongerlijder; bovendien ook een verliefde gek. En nu is de sprong van de kerkelijke hongerdoek naar de smartlap gemaakt._ Schmachten is namelijk hongerlijden, omkomen, verkwijnen. Zoals u in de oude berijming van psalm 130 zong: "daar 'k in mijn druk versmacht".
En van de honger, de religieuze soberheid, zijn we bij de verliefde gek aangekomen: de hunkeraar, waarover ieder gnuift, die vrij is van zijn kwaal. En nog iets. De smartlap heeft twee zijden. Wat voor de een diep smartelijk is kan voor de ander reden tot vrolijkheid zijn.

Gaan we nog even verder? Want die historie is de moeite waard. Van voor de middeleeuwen komt u de hongerdoek in de kerkelijke geschriften tegen. De oudste vermelding is uit de elfde eeuw. Vermoedelijk kwam het gebruik in West-Europa vanuit Cluny in Bourgondië, waar in 910 de Abdij der Benedictijnen werd gesticht.

Het werd in de 12e tot 14e eeuw een algemeen en legitiem verschijnsel in klooster- en parochiekerken.
Een Engelse synode schreef de doek tijdens de vastentijd voor. In die jaren werden al versieringen aangebracht: behalve het centrale kruis kwamen nu ook kruisigingswij tafrelen voor, delen van de passiegang, later tafrelen uit het oude en nieuwe testament beide.
Omstreeks 1300 werd Otto van Rietberg, bisschop van Münster, gehoond met spotverzen die op de hongerdoek waren aangebracht. De populaire naam was toen al Schmachtlapp, maar officieel heette hij velum quadragesimale of velum tempi i. De eerste naam slaat op de veertig dagen (voor Pasen), de tweede op het tempelvoorhangsel. De hongerdoek kwam tot zijn hoogtepunt in de 14e en 15e eeuw - maar wordt ook vandaag nog wel gemaakt. U kunt hem zien bij onze Oosterburen, in Westfalen, Kevelaer bijvoorbeeld.

Bij de ontwikkeling van deze doek werd borduurwerk soms vervangen door schildering, door druk of door kantklos werk. Het materiaal van linnen werd soms vervangen door zijde, door leer. Was de hongerdoek van de aanvang af een simpel voorwerp, van ongebleekt linnen gemaakt, soms door veen zwart geverfd en met gebleekt linnen garen bewerkt - op de duur kwam de gebruikelijke kerkelijke praalzucht boven. Rijke mensen schonken speciale kostbare doeken, waarbij eigen wapen, naam of monogram vooral niet vergeten werden.
Was het ophangen van de hongerdoek een jaarlijkse kerkelijke gebeurtenis met een deprimerend karakter, het wegnemen van de doek was een feest. Bij voorkeur onder het lezen van het Evangelie - bij de woorden "het voorhangsel van de tempel scheurde van boven naar beneden" - het doek weggeschoven. Of liever: men liet het doek met stangen en al omlaagvallen, onder tromgeroffel en geklapper van kerkboeken, waarmee men de aardbeving beleefde.
Daarna zei men opgelucht: "Dat hungerdoek is fallen", de vastentijd was over. Geen wonder dat Martin Luther, die bereid was lijdenstijd en palmzondag, zelfs vasten te handhaven - het "gegoochel" met hongerdoeken afschafte.

De grootte van deze doeken kan sterk veriëren.
Er worden kleden bewaard van een vierkante meter, soms van 265 x 180 cm. In het Duitse Telgte vindt u er een van 440 x 740 cm en wel uit 1623, in Vreden een van 505 x 506 cm, bewaard uit 1619. Het Rijksmuseum (Catharijneconvent) te Utrecht had al lange tijd een van 106 x 197 cM en sedert kort vindt u in het Rijksmuseum te Enschede een van 300 x 300 cm. *)

Van hongerdoek naar smartlap is eigenlijk geen grote stap. Eigenwillige eredienst brengt naar zijn aard het bederf mee. Waar honger-naar-God eigenwillige wegen bewandelde ontaardde hij geleidelijk tot honger-naar-de-wereld. De hunkering naar goedkope zinstreling is de beloning voor illegale devotie, voor vreemd vuur op Gods altaren.

*) Voor veel gegevens danken we M. Niermeijer, "Antiek", mrt. 1979.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief