Boekbespreking
1979-05-04
Prof. dr. I. Verkuyl, Inleiding in de evangelistiek.- Jaargang 23
- nummer 18
Met bijdragen van prof. dr. O. Jager.
Uitg. Kok, Kampen, 1978.
Prijs f 42,50.
Dit forse boek van 284 pagina's is bedoeld als een aanvulling op het in 1975 verschenen nog forsere boek: Inleiding in de nieuwere zendingswetenschappen (571 pagina's). Het veronderstelt dit laatstgenoemde boek als bekend, met name enkele hoofdstukken over de fundamentele bijbelse onderbouw, de motieven en het doel van het zendingswerk, omdat tussen zendingswerk en evangelisatiewerk geen scherpe grenzen liggen.
Zoals steeds bij publicaties van prof. Verkuyl wordt je ook bij dit boek weer getroffen door het sterk getuigende karakter ervan. Verkuyl schaamt zich niet voor het evangelie van de gekruisigde en opgestane Heer.
Het komt niet vaak voor, dat dit in wetenschappelijke publicaties zo sterk en overtuigend naar voren komt. Je proeft in heel dit boek, dat hier een man aan het woord is, in wiens leven Christus allesbeheersend is, die gedreven wordt door de liefde van en tot Christus en die niets liever zou willen dan dat ieder deze Heiland in geloof zou aanvaarden.
Dat doet weldadig aan. En jè weet je daardoor op de meest wezenlijke manier met de schrijver verbonden. Ik wil dat graag met enige nadruk vooropstellen en verklaren dat dit gevoel van verbondenheid ongeschokt blijft door de voor mijn besef toch wel ernstige critiek die ik hier en daar op bepaalde meningen van de schrijver meen te moeten hebben.
Mijn hoofd bezwaar tegen Verkuyl is, dat hij veel te naïef te werk gaat.
Vanuit zijn enorme belezenheid graait hij links en rechts om zich heen en hanteert hij allerlei woorden en begrippen zonder voldoende rekening te houden met de betekenis die ze in hun oorspronkelijke contekst hebben. Verkuyl is een bruggenbouwer pur sang.
In zijn gedrevenheid maakt hij gebruik van alle materialen die hem daarvoor worden aangereikt, ook van de minder deugdelijke. Hij zegt dan wel, dat bepaalde materialen beter van kwaliteit zouden moeten zijn.
Maar uit angst dat de bouw van de brug stil zou komen te liggen, blijft hij deze materialen toch gebruiken.
Dat de bruikbaarheid van de brug zo uiterst dubieus wordt, is duidelijk.
Ter illustratie zou ik willen wijzen op zijn gebruik van het woord dialoog.
In mijn binnenkort verschijnende boekje "Communicatie en Zending" verwijt ik Verkuyl, dat hij bijdraagt tot een vervelende begripsverwarring met betrekking tot de dialoog. Bij velen in oecumenische kring wordt het woord dialoog gebruikt in een betekenis die alleen maar kan leiden tot relativering va:n het christelijk geloof en van de exclusiviteit van het evangelie. Verkuyl laat duidelijk merken dat hij deze kant niet uit wil en dat de dialoog een getuigend karakter moet hebben en gericht moet zijn op het winnen van mensen voor Christus.
In het begrip dialoog ligt echter de bedoeling om mensen te winnen beslist niet opgesloten. Door er zelf sterke. nadruk op te leggen dat een dialoog pas werkelijk dialoog is als die bedoeling er wel achter zit, legt Verkuyl een rookgordijn rondom de zakelijke betekenis van het woord dialoog en om de manier waarop de dialoog in oecumenische kring veelal functioneert, terwijl hij m.i. te zeer geneigd is om daar waar hij het woord dialoog ontmoet, zijn eigen interpretatie ervan mee te horen klinken.
Ik meen te begrijpen waarom Verkuyl zich zo opstelt. Volgens hem is het opbouwen van oecumenische relatiepatronen een conditio sine qua non voor evangelisatie-werk (p. 45).
Zonder deze relatie-patronen is evangelisatie in de huidige samenleving niet meer mogelijk. Dat betekent dat het een onvermijdelijke noodzaak is te werken in het kader van de Wereldraad van Kerken. Wie dat niet wil, snijdt daarmee ipso facto de mogelijkheid om te evangeliseren af.
Maar dat zou onvergeeflijk zijn. Want evangeliseren is een altijd bindende opdracht. Deze optiek leidt er m.i. toe, dat men allerlei tendenzen in de Wereldraad, die de exclusiviteit van het evangelie ondermijnen, toch anders zal inschatten dan wanneer men er niet a priori van uitgaat dat samenwerking binnen het raam van de Wereldraad een absolute voorwaarde voor evangeliseren is.
Een en ander hangt duidelijk samen met Verkuyls gedachten omtrent de kerk. Volgens hem beschouwden de nieuwtestamentische gemeenten "zichzelf niet als "het lichaam van Christus", maar a.h.w. als lichaamsstof aan het ene lichaam van Christus", dat . een grote verscheidenheid aan structuren vertoonde. Verkuyl spreekt in dat verband van een palestijnse, een paulinische en een johanneïsche kerkstructuur (p. 94).
M.i. is hier sprake van een vertekening van de nieuwtestamentische gegevens.
In de eerste plaats is het spreken over "lichaamsstof" zo abstract en zo vreemd aan het concrete spreken van het Nieuwe Testament, waarin een plaatselijke gemeente wel degelijk als lichaam van Christus gekarakteriseerd wordt, dat alleen al daardoor een scheef beeld ontstaan moet. In de tweede plaats hanteert Verkuyl het begrip "kerkstructuur" te slordig. Het is duidelijk dat er een grote verscheidenheid in geloofsbeleving bestond tussen joodse christenen en christenen uit de heidenen.
Maar dat is iets heel anders dan een kerkstructuur. Een kerkstructuur is het organisatorische grondpatroon, het frame, van een gemeente. En dat was in alle gemeenten identiek en werd gevormd door de plaatselijke ambtsdragers in combinatie met charismatische bedieningen (niet alleen in Corinthe!), terwijl apostelen en evangelisten o.a. een schakeldienst vervulden (enigszins vergelijkbaar met de huidige zendelingen). Deze structuur vinden we in heel het Nieuwe Testament, overal waar gemeenten ontstonden.
Door een verschil in geloofsbeleving als een verschil in structuur te katakteriseren, haalt Verkuyl niet alleen twee zaken door elkaar, maar komt hij ook tot onjuiste gevolgtrekkingen.
Het leidt nl. tot de gedachte, dat het Nieuwe Testament geen duidelijke blauwdruk voor het grondpatroon van de gemeente geeft en dat elke kerkstructuur die zich onder invloed van allerlei omstandigheden ontwikkelt, haar goed recht van bestaan heeft. Bij een dergelijke benadèring verdwijnt het besef dat vele in de loop der eeuwen gegroeide kerkstructuren het functioneren van de ge meenten volgens nieuwtestamentische maatstaven niet dienen, maar juist belemmeren en soms zelfs duidelijk tegen de in het Nieuwe Testament gegeven blauwdruk in kunnen gaan.
Dit gebrek aan een bijbels-critische distantie ten opzichte van historisch gegroeide organisatie-structuren heeft ook tot gevolg, dat deze structuren een dominerende aandacht krijgen in vergelijking met de plaatselijke gemeenten en in meerdere of mindere mate gezien worden als het belangrijkste aspect van de kerk. Zoals in de traditionele roomse theologie de clerus als de eigenlijke kerk beschouwd wordt, komt in bovengenoemde benadering de kerkelijke organisatie als de eigenlijke kerk op ons af. Evangelisatie is dan niet meer primair een opdracht van de gelovigen, maar een taak van “de kerk".
Ook Verkuyl ontkomt niet aan deze bureaucratiserende tendens. De lezing van zijn boek liet bij mij een gevoel van dodelijke vermoeidheid en moedeloosheid achter. Als evangelisatie moet plaatsvinden volgens de aanwijzingen die in dit boek gegeven worden, is geen enkele gelovige ertoe in staat. Om werkelijk te kunnen evangeliseren moet men dan nl. inzicht hebben in o.a. gesprekstechniek, in de stedebouwkundige problematiek, in de sociale woningbouw en in de ecologische structuur van de grote stad.
Men moet het industriële bedrijfsklimaat van binnenuit bestuderen, contacten onderhouden met vakbonden en directies, maar ook met vormingscentra, arbeidsbemiddelingsbureau's, volksuniversiteiten, V.V.V.'s en reisbureau's. Verder moet er gratis of goedkope rechtshulp geboden worden. Er moet geholpen worden bij het zoeken naar huisvesting, bij huurkwesties en de machtsvorming bij machtelozen moet bevorderd worden.
Wat ik hier opsomde, is nog slechts een deel van wat er volgens Verkuyl allemaal nodig is, wil de kerk haar opdracht tot evangelisatie nakomen.
Maar het is al ruim voldoende om een gevoel van frustratie op te roepen.
Want het is duidelijk dat een dergelijke oeverloze opdracht door geen enkele christen kan worden uitgevoerd, zelfs niet door een plaatselijke gemeente. Daar heb je gigantische organisaties voor nodig met tal van secties, die weer onderverdeeld zijn in commissies en sub-commissies, met heel de onvermijdelijke papierwinkel van rapporten en richtlijnen en memoranda en notulen en praatstukken die daar aan vast zit.
Gelukkig vallen er ook nog andere dingen van dit boek te zeggen en verdrinkt Verkuyl niet geheel in bovengenoemde zaken. Zo verdient bv. het profiel van een groeiende gemeente, dat hij op p, 113, 114 doorgeeft, bijzondere aandacht. Erg belangrijk vind .ik ook, dat hij sterke nadruk legt op het verschijnsel, dat de geseculariseerde mens zich nieuwe goden schept en dat we vandaag geconfronteerd worden met een neopaganisme (p. 56 v.v.). Dionysus, de god van het normloze leven heeft weer vele vereerders... Dionysus wordt echter nooit alleen vereerd.
Eros, Bacchus, Mars en Mammon zijn altijd in zijn buurt" (p. 60). Ook zijn opmerkingen over buitenkerkelijkheid (p. 75 v.v.) zijn kennismaking meer dan waard. Dat geldt eveneens voor zijn critisch commentaar ten aanzien van sociaal-politieke actiegroepen (P. 186, 187). Verkuyl legt mij echter te gemakkelijk een verbindingslijn tussen de demonstraties en symbolische handelingen van Israëls profeten en de huidige demonstraties.
Bij de profeten lag het accent altijd op het woord van Jahweh en werd opgeroepen tot een terugkeer naar Hem. In de huidige demonstraties kom je dat element niet tegen. En als Verkuyl opmerkt dat actie-groepen dienstbaar moeten zijn aan de dienst der verzoening, vraag ik me af hoeveel actie-groepen en demonstraties daar werkelijk aan beantwoorden.
Het is onmogelijk een werk als het onderhavige, waarin zoveel zaken aan de orde komen, in een boekbespreking volledig recht te doen. Wie kennis wil nemen van wat er vandaag op het gebied van evangelisatie aan de orde is, kan in dit boek uitstekend terecht.
Hij bedenke daarbij dat dit boek een inleiding is. Anders gezegd: het geeft van al die zaken een globaal overzicht. Wie van een of meer onderwerpen nader studie wil maken, zal ook andere literatuur ter hand moeten nemen, waarvan in dit boek uitgebreide lijsten voorkomen, die gezamenlijk zeker 25 pagina's beslaan.