Klagen en klagen is twee
1979-05-11
Wat klaagt dan een mens- Jaargang 23
- nummer 19
inhet leven!
leder klage over zijn zonde.
Klaagl. 3. 39
Dit woord is de kern van de gedachtegang, die de dichter in dit derde klaaglied heeft opgebouwd.
Met dit woord wordt de wortel aangewezen van de ellende, waarin de dichter is verzeild geraakt. Een ellende, leest u het Klaaglied er maar op na, die nauwelijks met een pen te beschrijven is. Aan alle kanten kraakt het in zijn leven vanwege de slaande hand van God, waarover hij dan ook hartgrondig klaagt in de eerste 19 verzen van dit Klaaglied.
Op alle mogelijke manieren is hem de voet dwars gezet, ja God zelf heeft hem de voet dwars gezet. En als zo'n man niet mag klagen in zijn leven, wie mag het dan wel?
Toch lees je dan, dat deze manin vs. 39 afstand neemt van de ellende en puinhopen in zijn leven en zegt: "Wat heb je nou toch te klagen. Klaag over je zonde!" M.a.w. al die ellende in je leven heb je te danken aan je eigen zondige hart. Dat is de konsekwentie, die de dichter zelf trekt in het midden van zijn klaagzang. Een mens heeft niets om over te klagen in het leven dan alleen over zijn zonde.
Dit woord van de dichter moet u allereerst lezen (en horen) tegen de achtergrond van de geschiedenis van het volk Israël, dat in de ballingschap is weggevoerd naar Babel. Boven dit klaaglied staat een poststempel gedrukt, de plaatsnaam en de datum zijn niet helemaal meer duidelijk leesbaar, maar laten we zeggen, er staat boven: Jeruzalem of Babel ten tijde van de ballingschap in de 6e eeuw voor Christus.
De ellende, waar de dichter het over heeft, is het gevolg van de zonde van het volk, waar hij als Israëliet ten volle in deelt.
De wegvoering naar Babel, de verwoesting van Jeruzalem en de ondergang van de tempel hebben het joodse volk in 'n diepe geloofscrisis gebracht: hoe heeft dit kunnen gebeuren! Waaraan hebben wij dit te danken, zo klaagde het volk.
De gelovigen, die vertrouwd hadden op het verbond van de Here met zijn volk, waren door de ingrijpende en vernederende gebeurtenissen rondom stad en land in grote geestelijke verwarring geraakt.
.Het leek wel of God zijn volk had verlaten, ja sterker nog, of God een tegenstander was geworden.
Ook in zijn eigen leven ervaart de dichter dat God voor hem een tegenstander is geworden. Een tegenstander, die hem voortdurend plaagt en bestookt en hem de voet dwars zet: "God is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken ... " (vs. 8 v.v.). Zozeer zelfs dat hij het hoofd in de schoot legt en zucht: "Ik dacht: vergaan is mijn kracht, vervlogen mijn hoop op de Here."
Je kunt er soms zo machteloos bij staan, wanneer mensen in hun opstandigheid hun verdriet en frustraties er uit gooien. Dat God mij dit doet overkomen, dat ik altijd geslagen moet worden in mijn leven, waarom is Hij zo hard tegen mij?
Maar zijn deze woorden terecht uitgesproken aan het adres van de Here, is het terecht dat de dichter de Here afschildert als de tegenstander, die zijn ondergang wil?
En het lijkt wel of ook de dichter zelf schrikt van de woorden, waarin hij zich in zijn opstandigheid heeft laten gaan. Breekt er op dit moment licht door in de duisternis, waarin hij bezig was zichzelf op te sluiten?
U moet er eens op letten, dat, wanneer de dichter tot zichzelf komt en er in de gesloten koepel van zijn ellende een opening gemaakt is naar de hemel toe, hij op een heel andere toon spreekt over de Here, zijn God. "Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet zijn omgekomen, want Zijn barmhartigheden houden niet op"
(vs. 22).
Het lijden heeft zin (vs. 25-27) en het lijden kent vanwege de Here grenzen en beperkingen (vs. 31-33).
Wat er ook in het leven gebeurt, de Here ziet het en het beroert Hem.
Het gaat echt niet buiten Hem om en Hij heeft een open oog voor uw ellende en verdriet. En Hij ziet wel uw ziekte en Hij hoort uw klachten.
Maar zien wij ook wie de Here is?
Ja, zegt u, onze trouwe Vader in de hemel, die in alle dingen voor ons zorgt. Terecht zegt u dat.
Maar God is ook een heilig God, die zich niet laat narekenen in zijn hoge leiding. "Wie is het die spreekt en het is er, wanneer de Here het niet gebiedt? Komt niet uit de mond van de Allerhoogste het kwade en goede?" Ook al stoten wij ons aan Gods leiding in ons leven, toch zullen we erkennen dat we in Hem te maken hebben met de Heer van hemel en aarde, die heel het leven regeert en onderhoudt.
En die in zijn leiding rechtvaardig, wijs en goed is.
Daarom moet onze klacht ook niet de Here gelden, maar onze klacht moet ons zelf gelden. Een ieder klage over zijn zonde! En daarmee wordt de wortel van alle ellende aangewezen.
Wanneer een mens de werkelijkheid van zijn leven onder ogen ziet voor het aangezicht van de levende God, dan moet hij de hand in eigen boezem steken en zijn zonde betijden.
Inderdaad: Gods hand is opgeheven tegen de mens, die zich in verwatenheid en eigen wijsheid 'opstelt tegen de Here.
En dan moet zo'n mens niet klagen over die hand van God, die tegen hem is, maar dan moet hij klagen over zijn zonde, waardoor de Here een tegenstander is geworden. De rotte plek, de zonde, de wortel van alle ellende moet er dan ook radikaal uit worden weggesneden.
Of zoals de dichter dat zegt in vs. 40: "Laten wij onze wegen doorzoeken en doorvorsen en ons bekeren tot de Here."
Zonder voorbehoud doet de dichter belijdenis van zonde en schuld: "Wij hebben overtreden en zijn weerspannig geweest." (vs. 42) Het was immers vanwege de zonde, de weerspannigheid, een woord dat vertaald kan worden als rebellie, opstand tegen de Here, dat de hemel zich heeft gesloten en dat de Here doof was voor het gebed (vs. 44).
Wanneer God zo een tegenstander is geworden, dan moet een mens niet klagen over zijn ellende. Want er is niets om over te klagen dan over de eigen zonde, waardoor de hand van God tegen een mens is opgeheven.
Maken wij dat vandaag ook niet mee als volk, dat de Here tegen ons is vanwege onze zonde en boosheid?
En wat klagen wij dan! Wat klagen we over dit en over dat. Het gaat zo slecht met de ekonomie en met de zede. Maar vergeten we niet ook één ding? Te klagen over onze zonde? We laten na om de hand in eigen boezem te steken en ons te verootmoedigen voor de Here, onze God.
Zou het niet een geweldige bevrijding zijn, wanneer we konden zeggen: "Laten we met de handen ons hart opheffen tot God in de hemel" en het uitspreken voor Gods aangezicht: "Wij hebben overtreden en zijn weerspannig geweest."
Wanneer dat gebeurt; dan opent de hemel zich en hoort de Here onze stem. Hij vergeeft en Hij spreekt vrij, Hij verlost uit de diepten van ellende. En Hij doet dat door ons onder de hemel die éne Naam te geven, waardoor wij behouden worden: Jezus Christus, die gekruisigd is!