lets over antithese (2)
1979-05-11
Herkenning- Jaargang 23
- nummer 19
De vorige maal eindigde ik met te zeggen dat er in de materialistische exegese en haar nieuwe antithese een stuk waarheid stak. En daar moeten we het nu over hebben.
Welke waarheid?
In de eerste plaats - maar dan ben ik eigenlijk nog niet bezig met 't beantwoorden van de vraag - iets algemeens. Het is verkwikkend wanneer na een tijd van synthese, relativisme en eindeloos begrip voor alles en nog wat, iemand de antithese weer omhoog durft te heffen.
Dat werkt als een knuppel in het hoenderhok van kerkelijke en theologische gezapigheid. Persoonlijk word ik bij het lezen van lectuur uit kringen van de materialistische exegese getroffen door de overeenkomst met de vroege vrijgemaakten: even militant, even onverdraagzaam, even bijterig, even verongelijkt, even gewond door miskenning.
Als ik spreek van vroege vrijgemaakten, bedoel ik niet te zeggen dat de tegenwoordige de antithese zouden begraven hebben. Nee, niet in het binnenverbandse en niet in het buitenverbandse. Toch zijn we sindsdien voorzichtiger en bezadiger geworden. We hebben voor onze scherpslijperij ook wel enig lesgeld moeten betalen.
Maar als ik nu de materialistische exegeten hoor, dan denk ik in een mengeling van weemoed en geërgerdheid: hé, waar heb ik dat toch vaker gehoord? Ik heb ds Zuurmond eens horen toornen tegen het lied 'on the rivers of Babylon' (of hoe dat pop-lied ook mag heten).
Wat hij zei kwam hierop neer: hé, hé, doorzingen tot het einde van die psalm! En wat staat er aan het einde van deze psalm 137? "Gij dochter van Babel, ter verwoesting bestemde, gelukkig hij die u zal vergelden hetgeen gij ons hebt aangedaan; gelukkig hij die uw kinderen zal grijpen en tegen de rots verpletteren!"
Nu, zeg nu zelf, had deze opmerking, deze herinnering aan zo'n psalm-slot, niet uit de koker van de vrijgemaakten van voorheen kunnen komen? Wij zóngen in de eerste jaren na de vrijmaking die psalm. En inderdaad tot het einde.
Het is dan ook een psalm van antithese, opgediend als gloeiende lava.
Maar sinds de vrijgemaakten niet meer in Babel zitten, maar in dit land een geacht en geëerd kerkgenootschap vormen (voor de binnenverbanders geldt dat weer op andere wijze dan voor de buitenverbanders), nu zul je deze psalm niet zo gauw meer op 't bordje zien staan zeker niet tot dat bloedige einde toe.
Ik beoordeel dit nu niet. Ik wijs er alleen op, dat je nu vanuit een heel andere hoek van kerkelijk Nederland dit antithese-geluid kunt horen opklinken, Daar zit men nu een beetje in Babel, althans men voelt dat zo. Tegenwerking, miskenning, Ter Schegget niet op de katheder van Strijd in Amsterdam, een fel omstreden bijbeluitleg, een gevoel van met een kleine groep alleen te staan - werkelijk, ik herken dit.
En diep in mij vindt 't weerklank: waarachtig, ze lopen ergens voor warm en ze voelen weer dat het evangelie scheiding maakt!
Versimpeling en vergroving
Ja, maar als dit nu het warm lopen is voor een antithese die niet deugt?
Hier komen we dus aan de waarheidsvraag die ik stelde.
De antithese die de materialistische exegese aan Karl Marx ontleent de klassen-strijd dus - is wel fout vanuit bijbels gezichtspunt, maar dan fout door vergroving en versimpeling.
Dat is trouwens kenmerkend voor heel Marx' maatschappij-analyse, dat ze lijdt aan vergroving en versimpeling. De tijd waarin hij leefde gaf daar trouwens aanleiding toe. De samenleving van na de franse revolutie had veel van haar vroegere geschakeerdbeid verloren. Sterk was daarin naar voren gekomen de vrije burger, de bourgeois, en deze ontpopte zich als de vrije ondernemer die, geholpen door de industriële revolutie, het arbeidersproletariaat in het leven riep. Marx had alleen maar oog voor deze twee-poligheid in de samenleving. Het vrije beroep en de middenstand kon hij eigenlijk niet thuis brengen in zijn maatschappij-ontleding en dus verwaarloosde hij die. Zo tekende hij wel met een grof krijtje.
Maar had hij maatschappelijk weinig oog voor nuance, geestelijk geldt dit nog meer. En vooral op dit punt neem ik het de christenen voor het socialisme kwalijk, dat ze Marx niet corrigeren. Want het is waar, je zou de Bijbel het boek voor de armen kunnen noemen, maar wat gaat de Bijbel met grote genuanceerdheid te werk als hij ons leert de arme geestelijk te onderscheiden.
Dat is trouwens bij meer van zulk soort begrippen het geval.
Neem nu de weduwen. Zeker heeft het zin de God van de bijbel de God der weduwen (en wezen) te noemen .. Daar gaat de Schrift ons echt in voor. Toch wordt over de weduwen ook weer met onderscheiding gesproken. En de apostel stelt de vraag naar de ware weduwe. "Houd als weduwen in ere, wie waarlijk weduwen zijn" (1 Tim. 5 : 3). Je zou zeggen: Er is toch maar een vereiste waaraan een vrouw moet voldoen om weduwe, echte weduwe te zijn, namelijk het door de dood verloren hebben van de echtgenoot. Toch zegt de apostel: "Een ware weduwe dan, die alleen staat, heeft haar hoop op God gevestigd en volhardt in haar smekingen en gebeden dag en nacht; doch zij die een los leven leidt, is levend dood." (vs. 5, 6).
Zoals er nu ware weduwen zijn, zo zijn er naar de Schrift ook ware armen. En de ware arme in de bijbelse zin van het woord - Jezus heeft die Lazarus genoemd (Luc. 16: 20), dat wil zeggen: God, die helpt in nood. Zoals Paulus van de ware weduwe zegt, dat ze haar hoop op God heeft gevestigd, zo zegt Christus van de ware arme dat hij God tot zijn hulp gesteld heeft en dat ook belijdt tot in zijn naam toe.
Vergeestelijking?
Men vreest hier wel vergeestelijking van het begrip 'anne'. Dat we dus met de hierboven gemaakte onderscheiding de werkelijke armoede onder de tafel vegen en aan de nood daarvan niet tillen. Inderdaad is het goed dat we elkaar voortdurend waarschuwen tegen dat gevaar, dat gezien de historie werkelijk niet denkbeeldig is te noemen.
Er is op deze manier heel wat slechte stichtelijkheid over de toonbank van de Kerk gegaan! Er werd met het begrip 'geestelijke armoede' over het concrete leven heen gesproken.
Toch kunnen wij dit noch Paulus, noch Jezus verwijten. Als Paulus 't over de ware weduwe heeft, voegt hij toe: "die alleen staat". Daar heb je heel concreet de levensnood van de vrouw die uit de geborgenheid van de huwelijksgemeenschap weggestoten haar levensweg op. aarde eenzaam ten einde moeten brengen. De apostel vergeestelijkt niet ten koste van het materiële en concrete; de ware weduwe die haar hoop op God gevestigd heeft, blijft er echt weduwe om.
En dat is ook het geval met de arme, die Lazarus heet. Jezus gebruikt deze kenschetsing echt niet om om de ellende en de zweren van deze stakker heen te praten. Noch onze Here noch Paulus worden met hun onderscheiding stichtelijk in de brave zin van het woord.
De kerk is dat later helaas wel vaak geweest. En inzoverre zij het was; heeft ze 't verdiend dat ze Marx tegenover zich heeft gekregen en krijgt. Hij heeft immers tegenover een 'vergeesteijkende’ kerk weer de nadruk gelegd op het materiële van de armoede. En daarin had hij niet tegenover het evangelie, maar wel tegenover de kerk (althans een bepaald soort kerk, want ook hier moet onderscheiden worden) gelijk.
De naaste en de broeder
De bijbel gaat ons dus voor in het maken van onderscheid als 't over de armen gaat. Maar wat doen we nu met dit gegeven? Zou het bijvoorbeeld de bedoeling zijn, dat we de arme pas dan helpen als hij een arme Lazarus is? Nee, dat kan niemand volhouden. De barmhartige Samaritaan hielp zonder navraag te doen. En dit staat ter navolging.
Toch kunnen wij het niet laten om al helpend in de naaste ook de broeder te zoeken, zoals we trouwens ook omgekeerd vanuit de broederliefde gestimuleerd worden tot liefde jegens allen (2 Petr. 1: 7). Er is een openheid tussen de kring van de broeders en de kring van de naasten en een spanning en inspanning om deze twee kringen te laten samenvallen. In het vorige artikel schreef ik, dat de antithese geen voor-gegeven is. Dat moet hier mee-bedacht worden. Daardoor is elke naaste een mogelijke broeder.
En daardoor is elke arme een mogelijke Lazarus. Niet dat je hem dáárom helpt, maar al helpend hoop je op herkenning in Christus, op wederkerigheid. Het is trouwens ook de vraag of de naaste die geen broeder wil zijn, en de arme die geen Lazarus wil zijn, "zich zal láten helpen, want daar is een nederigheid voor nodig die op de duur alleen in Christus te vinden is.
Ik constateer op dit punt dus een spanning in het evangelie. Enerzijds het voorbeeld van de barmhartige Samaritaan (Luc. 10) die zonder navraag helpt en anderzijds, Matth. 10 : 42: "Wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft ... "
Enerzijds Matth. 25 : 40: "Inzoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan", en anderzijds Matth. 25: 45: "Inzoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan." Het verschil tussen 'naaste' en 'broeder' groeit onderweg.
Je gaat er niet van uit, je komt er bij terecht, - helaas.
We gaan op dit onderwerp een volgende keer nog door. Maar we kunnen al vast zeggen, dat hoezeer wij met betrekking tot de armen ook onderscheiden moeten, de materialistische exegese ons dwingt hun kant uit te kijken. En dat is winst.