Ingezonden

1979-05-11
  • Jaargang 23
  • nummer 19
Graag wil ik de persoonlijke mening van H. Amelink over mijn boekje "Wij zijn niet machteloos" respecteren, maar de voorbeelden die hij gaf in zijn artikel "Twee dichtersover de ronde" (Opbouw 30-3-'79) hebben in dat boekje een geheel andere betekenis dan in zijn weergave. "Hij zegt dat de historici bezig zijn de geschiedenis te vervalsen. En je denkt: alle historici?"
Wie leest wat er staat, hoeft dat niet te denken. Ik schreef over een bepááld thema in een bepááld land: "Historici zijn bezig ... enz." zonder het generaliserende woordje "de".
"Geen Amerikaan bekommert zich om de 500.000 oorlogsinvaliden". Dit is een conclusie uit een in de pers weergegeven onderzoek in de V.S.
"Geen arbeider maakt zich druk over Vietnam". Dit is een duidelijk met een dubbele punt aangegeven citaat van Kousbroek, waar ik op pg. 96 mijn mening tegenover plaatste. "Er was geen eensgezind nee tegen abortus, omdat het de tegenstanders geld zou kosten", Zulke onzin schreef ik nooit. Het nee dat geld en moeite kost, is het nee tegen kernwapens en milieuverwoesting. Schreef ik oppervlakkig of werd ik oppervlakkig gelezen?
"Dat maakt de jaren zeventig nog onverdragelijker: dat zij zo goed verdragen worden" is geen aardige woordspeling, maar een joods gezegde over de ballingschap, toegepast op een hoogst ernstige zaak die alleen in déze woorden kan worden uitgedrukt.
Het bijbelse "woordspel" zoals "rechtsverkrachting, geen rechtsbetrachting" is toch ook niet oneerbiedig?
Ik begrijp niet waarom de eerbied voor de Drie-Enige God niet zou dulden, dat wij over een demonische drieëenheid spreken: vele gereformeerde vaderen hebben beschreven boe de duivel de Drieëenheid imiteert.
Ik gaf geen eigen zondeleer, maar verwees steeds naar wat de bijbel over de zonde zegt: "In de bijbelse verkondiging wordt de zonde als overtreding en als ongerechtigheid altijd uiterst konkreet getekend en als schókkend ervaren. De boosdoener kan nooit en nergens enig recht van bestaan opeisen" (61). Ik schreef zelfs over de zonden van de jeugd, de middelbare leeftijd en de ouderdom, ook over de zonde tegen de Geest (67).
Ik vind het namelijk op mijn beurt generaliserend, als men alle mensen goddelozen noemt, zonder concreet en historisch aan te duiden waaruit die goddeloosheid bestaat. In de bestrijding van een bepaalde zondeleer gaat het mij nu juist om het rechte zicht op de verschrikking van de zonde: "Juist door hun rondeleer kunnen zij de zonde niet tijdig ontdekken"
(53). Ik ben geen moralist, want ik waarschuw leterlijk: "Het nieuwe moralisme berust op een lichtvaardig optimisme over de mogelijkheden van de mens" (61). Ik waarschuw tegen het optimisme van extreem-radicalen goedwillenden en kortzichtigen, die alles te rooskleurig voorstellen (50).
"Wij moeten zelfs vaststellen dat de feiten de fantasie van de christenen met het zwaarste zondebesef nog verre overtreffen in verschrikking" '(52)en die verschrikking is aan mènsen te wijten. Daarom noem ik wel terdege de noodzaak van bekering. Ik citeerde met instemming dr C. Beekenkamp (Dr Kuyper-Stichting 1934): "Nu moogt ge van uw ongeloof blijk geven.
door mij tegen te werpen dat de mensen wel nooit zullen veranderen en altijd egoïsten blijven, dan heb ik daartegenover geen ander antwoord dan dat van Johannes: dit is de overwinning, waarmede wij de wereld overwinnen, nl. ons geloof" (71), en Miskotte: "Wat werkelijk onmogelijk is, moet door de H. Geest worden aangewezen" (72). Ik schreef over Jezus' oproep tot omkering (61) en over Pinksteren en Gods garantie waarvan wij moeten uitgaan (54). Ik noem het dan ook uitdrukkelijk een christelijke waarheid dat de eindvervulling van Gods rijk niet vereenzelvigd mag worden met menselijke denkbeelden of initiatieven (73) en ik eindig met de gaven van de gemeente en de strategie van de Geest (123). Is dat alles nog niet duidelijk genoeg? Dit geeft naar mijn oprechte overtuiging een heel ander beeld dan de weergave van Amelink, waarin ik mijzelf niet herken.

Okke Jager

Ik kreeg nog meer reacties op mijn artikel over de twee dichters en de zonde. Het is waarschijnlijk wel mogelijk om later nog eens nadrukkelijk op die reacties in te gaan. De zaak is het wel waard.
Nu alleen dit. Het is me niet ontgaan dat dr Jager vaak citeerde. Maar dat is de zaak niet. De zaak is dat hij met instemming citeerde. Op blz. 96 ontdek ik wel vreemde dingen maar niet een weerspreken van Kousbroek. T.a.v. de abortus heb ik ongelijk en dr Jager gelijk. Maar zijn formulering was nogal onduidelijk. Of Jager betoogt dat het eensgezinde nee tegen abortus er was omdat men “voor het eerst te maken (had) met een probleem waarmee men zèlf eigenlijk niets te maken had: het nee was kosteloos."
De onderstreping is van de Jager zelf. Maar hij bedoelt wat anders.
Daarvoor mijn verontschuldiging.
De zaak waarom het gaat is deze. Dr Jager schreef om ons duidelijk te maken dat we niet machteloos zijn en dat onze rondeleer onze zonde is.. En met “onze” zonde bedoelt hij die van de Gereformeerden, neem ik aan, want hij verwijst naar de H. Catechismus.
Daartegen heb ik me verzet. Dat doe ik nog. Het is niet generaliserend álle mensen goddelozen te noemen.
Dat doet de Schrift. Romeinen 4. Wij allemaal moeten ons geloof vestigen op die God, die goddelozen vrijspreekt.
Dat gold van Abraham, van David, van Paulus. Dat geldt ons.
De moraalpredikers van zeg maar, voor de oorlog hadden het bijna altijd over geslachtelijke zonden en de strijd daartegen. De huidige moraalpredikers hebben de maatschappij en de politiek ontdekt. Een beetje laat. Maar elk betoog tegen welke zonde ook; waarin men zegt dat de christen nogal wat kan en niet machteloos is, ontkent de ernst van onze diepe val.
Wij zijn volkomen heilig. In Christus zijn we meer dan overwinnaars. Maal echt alleen in Christus. De mensen aan de gang zetten in het stuk van de levensheiliging zonder ook daarin het "zonder de werken" vol te houden maakt ze óf wanhopig óf tot huichelaars. Efeziërs 3 : 10.
Amelink

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief