Persverslagen

1978-06-23
  • Jaargang 22
  • nummer 25
Van de 4e en 5e zitting van de Landelijke Vergadering van afgevaardigden van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt buiten verband), gehouden op respectievelijk 29 april en 3 juni 1978 in het vergadergebouw achter de Gereformeerde kerk te Wezep.


4e zitting
De praeses, ds Goris, opent de vergadering.
Hij laat zingen Ps. 147 : 6 en 10, leest Ps. 147 en gaat voor in gebed. Hij feliciteert de predikanten Van Oene en Van der Kwast met hun 25-jarig ambtsjubileum en br. Groenevelt met de ontvangen Koninklijke onderscheiding. De samenstelling van de vergadering heeft opnieuw enige wijziging ondergaan. Enkele afgevaardigden zijn vervangen door hun secundi; enkele andere afgevaardigden zijn verhinderd zonder dat een vervanger aanwezig is.

De praeses heropent de bespreking van de voorstellen tot samenspreking met de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt binnen verband). Naast de voorstellen-Blokhuis c.s. en -Bakker - es. liggen nu ook voorstellen op tafel van ds Van Oene en van ds Moggré en br. Meints. Het voorstel-Van Oene ligt in de lijn van het voorstel-Bakker c.s., maar noemt in tegenstelling tot dit voorstel geen enkel punt van verschil met de Gereformeerde kerken (vrijgemaakte binnen verband), om zo aan een positieve reactie van die kant geen enkele verhindering in de weg te leggen. Het voorstel-Moggré-Meints wijst evenals het voorstel-Blokhuis c.s. het verzoek tot samenspreking op synode- of deputatenniveau af, maar legt sterkere nadruk op het feit, dat het nu niet "de aangename tijd" is voor samenspreking en roept op tot het afwachten van betere tijden.
Na een korte toelichting door de indieners van de voorstellen wordt overgegaan tot stemming. Uiteindelijk wordt het voorstel-Blokhuis c.s. aanvaard.
In een eindstemming verklaren 35 afgevaardigden dat ze kunnen instemmen met een uitspraak van de Landelijke Vergadering in overeenstemming met dit voorstel; 3 afgevaardigden zijn daartegen en 4 onthouden zich van stemming. In het genomen besluit wordt de in de jaren zestig geslagen breuk voor God en mensen onverantwoord genoemd, en wordt de opdracht benadrukt om te streven naar herstel van de geschonden eenheid. Aan de verzoeken van enkele kerken tot samenspreking op synode- of deputatenniveau met de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt binnen verband) wordt echter niet voldaan. Geconstateerd wordt dat zo'n verzoek onvoldoende steun vindt en daardoor aan overtuigingskracht zou inboeten. Een dergelijk verzoek zou juist vrucht moeten zijn van een veel bredere praktijk van plaatselijke herkenning en contactoefening dan waarvan thans sprake is, aldus het besluit. Gevraagd wordt bovendien dat een afwijzende reactie van de Generale synode van Groningen-Zuid toenadering tussen kerkleden en plaatselijke kerken juist zal bemoeilijken. Het besluit spreekt de hoop uit dat allereerst de plaatselijke kerken wegen tot toenadering zullen kunnen vinden.
De praeses spreekt de bede uit dat het genomen besluit door de Here gezegend zal worden.
Vervolgens stelt hij opnieuw de bespreking van art. 34 en 35 van het Akkoord van kerkelijk samenleven aan de orde. De tijdens de vorige zitting benoemde commissie ter nadere redactie van de betreffende artikelen brengt verslag uit. Namens de commissie accentueert ds Van Tongeren met name de handhaving van het woord "bekrachtigen" waarin de herkenningsmelodie van de Vrijmaking z.i. is bewaard.
Aan de bespreking wordt deelgenomen door de brs. ds Smit, ds Van der Kwast, Van Dijk, Boonstra, ds Bakker, ds Doornbos, ds Strating, Amold, ds Van Oene en Huizinga.
Diverse afgevaardigden betreuren het dat art. 34 steeds meer uitdijt, en dat er steeds meer in wordt gestopt, zodat ieder die woorden eruit kan halen die het beste zijn opvatting dekken: zo worden naar hun mening de werkelijke verschillen versluierd. Anderen bekritiseren de handhaving van het woord bekrachtigen en betwijfelen, prof. Deddens het in dit opzicht wel bij het rechte eind had. Ook vinden zij het een nauwelijks te vervullen opgave voor de kerken om alle besluiten te moeten toetsen. Na overleg tussen de rapporteur van de Kommissie Functionering Kerkverband, br. Huizinga, en de rapporteur van de commissie ad hoc, ds v.
Tongeren, stellen deze een nieuwe, vereenvoudigde tekst van art. 34 voor. De gewijzigde tekst luidt: "Hetgeen in regionale en landelijke vergaderingen besloten is, wordt door de plaatselijke kerken bekrachtigd en in onderlinge liefde nagekomen, tenzij het strijdig bevonden wordt met de Heilige Schrift of met dit Akkoord van kerkelijk samenleven; de kerk die een besluit niet bekrachtigt zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven."

Beide brs. stellen tevens voor om in art. 35 van het concept-KFK alleen de eerste zin van lid 2 te wijzigen in: "In elk geding is slechts één beroep . mogelijk." De bespreking van dit onderwerp wordt verdaagd tot de volgende zitting.

Aan de orde komt vervolgens het contact met de Christian Reformed Church. Deze kerk nodigt onze kerken uit tot het aangaan van de relatie van "Churches in ecclesiastical fellowship"
en tot het zenden van afgevaardigden naar hun synode van 13-23 juni 1978 in Grand Rapids. Op voorstel van het moderamen spreekt de vergadering uit geen mogelijkheid te zien tot het aanvaarden van laatstgenoemde uitnodiging. De Commissie voor contact en samenspreking met andere kerken zal dit schriftelijk aan de Christian Reformed Church meedelen.
Aan de Commissie wordt opgedragen de uitnodiging van de Christian Reformed Church tot het aangaan van genoemde relatie in studie te nemen, en op de volgende Landelijke Vergadering daarover advies uit te brengen. Tevens wordt de Commissie gevraagd te adviseren over eventuele toetreding tot de Gereformeerde Oecumenische Synode, in dit geval echter voor de volgende zitting van déze Landelijke Vergadering. Daarna komen de zaken betreffende de liturgie in bespreking, t.w. het voorstel van de regio Harderwijk om de mogelijkheden te onderzoeken om te komen tot één reformatorisch kerkboek - met adhaesiebetuiging van de kerk van Zaandam -, een brief van de Stichting ter verkrijging van een Schriftgetrouwe Psalmberijming waarin deze aandacht vraagt voor haar werk, en een voorstel van de regio Enschede-Zwolle om een commissie te benoemen die, met gebruikmaking van de studie die reeds door diverse kerken is verricht, aanbevelingen zal doen tot vermeerdering en verbetering van onze geestelijke liederen.
Aan de bespreking in eerste ronde wordt deelgenomen door de brs, ds Janse, ds Bakker, ds Doornbos, De Boer, ds Van der Kwast, ds Van Oene en ds Strating. Enkele sprekers zijn van oordeel dat we ten aanzien van de psalmberijming te laat zijn met pogingen om reformatorisch Nederland tot wat grotere eenheid te brengen. Veel van onze kerken gebruiken de IKB al: terugdraaien ten gunste van b.v. de berijming van de kerken binnen verband is niet meer mogelijk, menen zij. Eén afgevaardigde vindt, dat we ons niet voetstoots aan de IKB moeten overgeven; hij pleit voor serieuze aandacht voor het werk van genoemde stichting.
Eén afgevaardigde waarschuwt voor het nemen van besluiten in de geest van: dit of dat gaan we zingen, en pleit ervoor dit aan de vrijheid van de kerken over te laten. Anderen zijn juist voor eenheid in dit opzicht, die h.i. door een te grote diversiteit wordt geschaad. Enkele afgevaardigden zien graag een proefbundel van goede, Schriftuurlijke gezangen tot stand komen.
Besloten wordt dat een commissie ad hoc, bestaande uit de brs. Stellingwerf, ds Bakker en ds Doornbos, zal proberen de ter tafel liggende voorstellen in elkaar te schuiven, rekening houdend met de gemaakte opmerkingen, en daarover op een volgende zitting rapporteren.

In de middagvergadering komt het rapport over het seizoen 1976/77 van de Raad van Toezicht en Advies inzake de Theologische Studiebegeleiding aan de orde. Namens de Raad deelt ds Visser mee, dat de Theologische Hogeschool van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Apeldoorn de Raad heeft gevraagd om namen te noemen van broeders uit onze kerken die aan de vooropleiding in Apeldoorn zouden kunnen meewerken. De Raad heeft daartoe enkele aanbevelingen gedaan, waaruit inmiddels br. G. J. Vrijmoeth uit Zwolle is benoemd.
Een financiële bijdrage onzerzijds rechtstreeks voor deze post lijkt de Raad niet wenselijk, aldus ds Visser. Wel zou te overwegen zijn onze jaarlijkse bijdrage aan Apeldoorn te verhogen. In verband daarmee en met het oog op de benoeming van een derde begeleider zal voortaan jaarlijks f 100.000,- door de kerken moeten worden opgebracht. Aan de bespreking van dit onderwerp wordt deelgenomen door ds brs. De Blois, Zuidhof, De Boer, ds Bakker en ds Janse. Aangedrongen wordt op ruime aandacht in de begeleiding voor je verworvenheden uit de reformatie van de jaren dertig. Eén der sprekers dringt erop aan dat de studenten voldoende verweer meekrijgen tegen de macht van het wetenschappelijk theologisch denken.
De praeses besluit de bespreking met woorden van dank aan de beide studiebegeleiders en aan de leden van de Raad van Toezicht en Advies.

Hij stelt vervolgens het rapport van de Commissie Opleiding Dienst des Woords aan de orde. Deze commissie werd door de Landelijke Vergadering van Kampen ingesteld met de opdracht de kerken van advies te dienen inzake de ingediende voorstellen over de opleiding tot de Dienst des Woords. De commissie stelt in haar rapport voor, o.m. uit te spreken dat in de situatie waarin de zaak van de opleiding in onze kerken verkeert een studie in Apeldoorn de voorkeur verdient boven die aan de universiteiten, en dat een studie aan laatstgenoemde instellingen ernstig verdient te worden ontraden. Namens de commissie geeft ds Van der Kwast een korte toelichting. Aan de bespreking in twee rondes wordt deelgenomen door ds brs. ds Bakker, ds De Jong, ds Van Oene, ds Versluis, Boonstra, ds Van Atten, ds Visser en ds Plooy. Enkele afgevaardigden maken bezwaar tegen de aanscherping van het zogenaamde Apeldoorn-advies en het "ernstig" ontraden van de studie aan andere instellingen. Ze menen dat voor deze aanscherping door de commissie geen gronden zijn aangegeven. Andere sprekers pleiten voor een vermindering van de begeleiding, nu de problemen rond de vooropleiding opgelost zijn en ieder naar Apeldoorn kan gaan. Ds Van der Kwast verdedigt in zijn beantwoording de aanscherping van het Apeldoorn-advies met een verwijzing naar het veldwinnen van de moderne theologie aan vele universiteiten en hogescholen. Hij ontkent dat het commissievoorstel zal leiden tot discriminatie van hen die het Apeldoorn-advies niet opvolgen: er zal z.i. altijd een uitzondering op de regel mogelijk blijven. Hij beklemtoont, dat ook wanneer alle studenten in Apeldoorn zouden studeren de begeleiding nodig zou blijven. Hierna wordt de verdere bespreking van en de besluitvorming over het commissie- voorstel verdaagd tot een volgende zitting. De vergadering gaat in comité voor de benoeming van een derde begeleider voor de theologische studenten, m.n. voor de ambtelijke vakken. Na een korte bespreking wordt tot stemming .overgegaan, waarbij ds O. Mooiweer wordt verkozen. Na opheffing van de comitézitting wordt de benoeming aan ds Mooiweer meegedeeld. Deze dankt voor het in hem gestelde vertrouwen en zal deze zaak in ernstige overweging nemen.
De volgende zitting wordt vastgesteld op 3 juni 1978. Nadat de 2e praeses, ds Van Tongeren, is voorgegaan in dankgebed, sluit de praeses de vergadering.


5e zitting
De 2e praeses, ds Van Tongeren, opent de vergadering. Hij laat zingen Ps. 135: 2 en 3, leest Efeze 4 : 1-16 en gaat voor in gebed. Hij deelt mee dat de praeses, ds Goris, gedurende de morgenvergadering door ambtsbezigheden verhinderd is. Een aantal afgevaardigden blijkt vervangen door hun secundi; enkele andere afgevaardigeden zijn verhinderd zonder dat een plaatsvervanger aanwezig is. De Acta van de 2e en 3e zitting worden ongewijzigd vastgesteld. Aan ds O. Mooiweer wordt op diens verzoek enkele weken uitstel van beslissing gegeven inzake zijn benoeming tot begeleider van de theologische studenten.

Aan de orde komen vervolgens de 34 en 35 van het A kkoord van kerkelijk samenleven, in de redaktie van de hand van ds Van Tongeren en br. Huizinga zoals die tijdens de vorige zitting is tot standgekomen.
Aan de bespreking wordt deelgenomen door ds brs. Brouwer, Arnold, Holwerda en ds Van Oene.
Br. Brouwer dient een amendement in op de voorgestelde tekst van art. 34. Hij stelt voor, de mogelijkheid tot het niet-bekrachtigen van een besluit van een meerdere vergadering wanneer "aanvaarding niet zou dienen tot heil van de gemeente" - zoals die ook in de oorspronkelijke formulering van de Commissie Functionering Kerkverband voorkwam - toch weer in art. 34 op te nemen.
Niet dat wat anderen tot ons heil vinden, is ook werkelijk tot ons heil, aldus een andere afgevaardigde. 'Er kunnen besluiten genomen worden die weliswaar niet tegen de Schrift ingaan, maar die toch niet tot heil van de gemeente zijn Hoewel hij het waardeert dat het ratificatierecht nu duidelijk is vastgelegd, acht deze afgevaardigde art. 34 toch niet aanvaardbaar, omdat onvoldoende op de Schrift is teruggegrepen.
Ds Van Oene dient een amendement in om het woord "bekrachtigen" in art. 34 te vervangen door "toetsen", vanuit de overweging dat de genomen besluiten in zichzelf rechtskrachtig zijn.
Eén der afgevaardigden maakt bezwaar tegen de uitdrukking "zich beroepen op" in art. 35. Z.i. suggereert dat, dat meerdere vergaderingen hogere rechtsinstanties zijn. Ook de woorden "zich voegen naar" wekken de indruk dat de landelijke of regionale vergadering de eindbeslissing van de plaatselijke kerk overneemt.
Ds Van Tongeren en br, Huizinga beantwoorden de sprekers. Ds Van Tongeren verdedigt het centrale begrip "bekrachtigen". Juist nu wij gehoond worden op de lijn die prof. Deddens ons heeft gewezen, stelt hij. Juist daarin heeft de Schrift het laatste woord. Br. Huizinga heeft er moeite mee het amendement-Brouwer in art. 34 een plaats te geven, omdat dan in een zeer fundamenteel artikel een uitzondering wordt ingelast met vooral praktische aspecten. Hij verdedigt de strekking van art. 35 en wijst erop, dat niet alleen landelijke en regionale vergaderingen, maar ook kerkenraden verkeerde besluiten kunnen nemen. Is het dan in strijd met hun bevoegdheid, wanneer ambtsdragers - hun eigen zwakheid kennend - door het aanwijzen van een plaats waar hulp te verkrijgen is zelf een correctie inbouwen op hun handelen?, vraagt hij.
Vervolgens wordt tot stemming overgegaan.
Een amendement van de kerk van Leerdam blijft buiten stemming. In een later stadium zal bekeken worden, of dit nog op een andere plaats in het Akkoord van kerkelijk samenleven moet worden opgenomen. Dit amendement luidt: "De band met een zuster kerk zal niet verbroken worden, tenzij wordt aangetoond, dat die zusterkerk volhardt in een handelen in strijd met een uitgedrukt Woord van God."
Het amendement-Van Oene wordt verworpen met 7 stemmen voor, bij één onthouding.
Het amendement-Brouwer wordt aanvaard met 24 stemmen voor, 14 tegen, bij 3 onthoudingen.
Art. 34, gewijzigd volgens het amendement- Brouwer, wordt aanvaard met 2 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen. Het luidt: "Hetgeen in regionale en landelijke vergaderingen besloten is, wordt door de plaatselijke kerken bekrachtigd en in onderlinge liefde nagekomen, tenzij het strijdig bevonden wordt met de Heilige Schrift of met dit Akkoord van kerkelijk samenleven, of ook dat aanvaarding niet zou dienen tot heil van de gemeente; de kerk die een besluit niet bekrachtigt zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven."
Art. 35 wordt aanvaard met één stem tegen, bij 2 onthoudingen. Het luidt: "Het is geoorloofd zich van een besluit van de kerkenraad op de regionale vergadering, of ook van een besluit van de regionale vergadering op de landelijke vergadering te beroepen; naar de verkregen uitspraak zal men zich voegen, tenzij dit niet recht zou zijn voor God.
In elk geding is slechts één beroep mogelijk; tegen een besluit dat de leer der kerk of tucht over de dienaar des Woords betreft, staat echter beroep open tot op de landelijke vergadering."
De 2e praeses spreekt zijn dankbaarheid uit voor de bereidheid die er in de langdurige besprekingen is geweest om naar elkaar te blijven luisteren. Dat biedt uitzicht op een vreedzaam verder gaan, ook met onderlinge verschillen, wanneer we maar dicht bij het Woord blijven, aldus ds Van Tongeren. Br. Huizinga wijst er als rapporteur van de KFK op, dat volgens art. 40 de Landelijke Vergadering bij de vaststelling van de artikelen van het Akkoord van kerkelijk samenleven een voorlopig oordeel uitspreekt, waarna de definitieve vaststelling moet plaatsvinden op een voortgezette Landelijke Vergadering, waar alle kerken rechtstreeks zijn vertegenwoordigd.
Vervolgens komt art. 37 van het Akkoord van kerkelijk samenleven aan de orde. Br. Huizinga licht het commissievoorstel toe. De commissie wil het al of niet brengen van kerkvisitatie in de vrijheid van de regio's laten.
De záák waarom het gaat - elkaar helpen, op elkaar toezien, elkaar vermanen etc. - blijft zo recht overeind, maar de manier waarop dat gebeurt wordt vrijgelaten, aldus br. Huizinga.
Aan de bespreking wordt deelgenomen door de brs. ds Smit, Buitenhuis, ds Van Oene, Bosman, en Strating.
Enkelen van hen pleiten ervoor om in het nieuwe art. 37 de mogelijkheid van kerkvisitatie in het geheel niet te opperen. H.i. werkt het systeem niet en bergt het het gevaar van overheersing in zich. Anderen willen juist uitdrukkelijk vastleggen, dat kerkvisitatie in alle regio's moet plaatsvinden. Kerkvisitatie, gebracht in een voltallige kerkenraadsvergadering, eventueel in aanwezigheid van gemeenteleden, is veel meer anti-hiërarchisch dan het elkaar informeren op een regiovergadering waar slechts enkele afgevaardigden aanwezig zijn, stellen zij.
Enkele amendementen worden ingediend. In zijn antwoord beklemtoont br. Huizinga, dat de commissie met art.37 is uitgegaan van de concrete situatie: sommige regio's zijn wel kerkvisitatie blijven brengen, andere regio's hebben andere vormen gekozen.
Hij waarschuwt voor het gevaar dat naast het gevaar van overheersing bestaat, nl. dat we ons niets van elkaar aantrekken.
Tevens geeft hij een toelichting op het voorstel van de commissie om art. 39 van het concept, opgesteld door de vorige KFK, te laten vervallen.
Volgens de commissie wordt in dit artikel te fragmentarisch en op onheldere wijze gesproken over de opdracht van de kerken om de eenheid met andere kerken te zoeken. Bovendien spreekt de Preambule daar uitvoerig over. Mocht de vergadering toch een dergelijk artikel nodig vinden.
laat de formulering dan in de toekomst nog eens nader bekeken worden, zo stelt hij voor.
In de bespreking over art. 39 en 40 voeren ds Bakker en ds Van Oene het woord.

Deze verslagen breken wij af bij het begin van de middagvergadering.
Volgende week hopen wij u het vervolg van de 5e zitting aan te bieden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief