Pastorale Theedrinkers gevraagd
2012-04-14
Het rapport van de commissie-Predikantsprofiel dat de laatste Landelijke Vergadering domineerde, bepleit voor predikanten een concentratie op de kerntaken van prediking en pastoraat. Door allerlei oorzaken is pastoraat minder in de aandacht van predikanten komen te staan. In veel gemeenten zijn pastorale taken en verantwoordelijkheden overgedragen aan kringen of pastoraal assistenten. Daartegenover benadruk ik de waarde van toegeruste (professionele) pastores in de gemeente.- Jaargang 56
- nummer 8
Pastoraat vat ik breed op als ‘omzien naar elkaar in de naam van Christus’.
Traditioneel is het pastoraat in onze kerken georganiseerd volgens het huisbezoekmodel en gebonden aan het ambt. Officieel bevestigde ambtsdragers (dominee, ouderling, diaken) bezoeken mensen thuis om over geestelijke zaken te spreken.
In de loop van de tijd is daarbij een zekere werkverdeling ontstaan. De ouderling doet het reguliere jaarlijkse huisbezoek waarin het geloofsleven en de kerkelijke betrokkenheid aan de orde komen. De dominee is vooral in beeld bij belangrijke levensgebeurtenissen en crisissituaties en de diaken is gericht op het geven van praktische hulp.
Dit huisbezoekmodel is in de gereformeerde traditie verankerd en gegroeid.
Onze liturgische formulieren gaan ervan uit en het is kerkordelijk vastgelegd in het AKS. Dit model is gebaseerd op de Bijbelse idee van de Goede Herder. De Goede Herder in de hemel – Jezus - ziet om naar de schapen op aarde. Hij doet dat door zijn Geest, door middel van mensen die daar speciaal voor geroepen en aangesteld zijn. De gelovigen worden uitgenodigd om in deze speciaal aangestelde mensen een gezondene van de Heer te zien. Als een ambtsdrager vertroost of vermaant is het alsof de Heer zelf je vertroost of vermaant.
Dit wordt de ‘ambtsgedachte’ genoemd en het is de dragende grond van het huisbezoekmodel.
Huisbezoekmodel in crisis
Dit huisbezoekmodel is in crisis geraakt. Allereerst omdat de ambtsgedachte – de kern van dit model – niet meer vanzelfsprekend is. De ambtsgedachte is opgekomen in een samenleving waarin mensen gewend waren om in gezagsdragers representanten te zien van een kosmische of goddelijke orde. Inmiddels beleven we gezag op een andere manier. We hebben er democratische en/of bureaucratische gedachten bij gekregen.
Achter de leider en gezagsdrager zien we niet zozeer een ‘Hogere Macht’, als wel een organisatie of instituut dat aan bepaalde mensen bepaalde bevoegdheden verleent en die bevoegdheden om allerlei redenen ook weer in kan trekken. De ‘magie’ van de gezagsdrager is zo goed als verdwenen en dat is natuurlijk niet alleen verlies.
Dit heeft zijn weerslag op de manier waarop we tegen kerkelijke ambtsdragers aankijken. Het is zeker niet onmogelijk geworden om in hen ook vandaag nog ‘gezondenen van de Heer’ te zien, maar daar moet je wel moeite voor doen. Dat het huisbezoekmodel in crisis is geraakt is onder meer af te lezen aan de manier waarop het huisbezoek wordt afgesproken. Ik heb de tijd nog meegemaakt dat de namen van de te bezoeken mensen zondags werden afgelezen in de kerk. De mensen moesten blijkbaar hun bezigheden daarop maar aanpassen. Zo groot was het aanzien van de ambtsdrager.
Vandaag worden door zowel ambtsdrager als gemeentelid de agenda’s getrokken. Na veel plussen en minnen wordt er dan een gaatje gevonden.
Het trekken van de agenda’s alleen al en de onderhandelingen over de datum laten iets zien van de gewijzigde beleving van het huisbezoek.
Het huisbezoek heeft meer het karakter van een formele (functionele) afspraak dan van een omzien naar elkaar. Bij het onderhandelen over de datum ontdek je als ouderling verder dat het huisbezoek bij het gemeentelid niet zo’n hoge prioriteit heeft. De sport gaat voor, zo vindt in feite ook de ambtsdrager, die immers zelf ook sport. Daarbij wordt steeds openlijker getwijfeld aan het nut van huisbezoek. De ambtsdrager vraagt zich af hoe hij een gesprek over zoiets intiems en persoonlijks als het geloof inhoud moet geven bij iemand die hij/zij nauwelijks kent. De bezochte vraagt zich op zijn beurt af: ‘Wat schiet ik eigenlijk op met dit formele bezoek? Als ik een vertrouwelijk gesprek wil voeren over wat mij bezighoudt is het formele huisbezoek voor mij niet de beste gelegenheid.’
Drie nieuwe modellen
Het is dan ook goed te begrijpen dat er ook in onze kerken naar nieuwe organisatiemodellen van pastoraat is gezocht. Uitgaande van de Nederlands Gereformeerde Kerken zie ik drie modellen: het inschakelmodel, het kringmodel en het charismatisch model.
Het inschakelmodel betekent dat het huisbezoekmodel in principe intact blijft. Alleen schakelt men dan ook niet-ambtsdragers in, die werken onder verantwoordelijkheid van de ambtsdragers. Ze hebben allerlei namen en heten pastoraal bezoekers, pastoraal assistenten, wijkzusters et cetera. In de twee andere modellen wordt het huisbezoekmodel feitelijk losgelaten. In het kringmodel is de leidende gedachte dat pastoraat in eerste instantie moet gebeuren tussen gelovigen onderling. Daartoe wordt de gemeente in kringen opgedeeld.
De leden van een kring worden geacht zich verantwoordelijk te weten voor elkaars geestelijk welzijn en daar passende actie op te plegen. De ambtsdrager staat als coördinator of toeruster op enige afstand en komt slechts in beeld bij formele zaken als inschrijving, uitschrijving, doop, huwelijk sacramenten, tucht.
Een derde model is het charismatisch model. In dat model vindt pastoraat plaats door het samen bidden met elkaar. Dit pastoraat strekt zich uit naar de werking van de heilige Geest die in en door het samen bidden ervaren kan worden. Daarbij kunnen woorden en beelden die tijdens het gebed door de Geest worden ingegeven richting wijzen. Dit pastoraat wordt niet gedaan door ambtsdragers, ook niet door gemeenteleden, maar door mensen die daarvoor de gaven hebben en/of speciaal zijn toegerust. Deze vorm van pastoraat gebeurt doorgaans op verzoek van de gelovige of op uitnodiging van de pastor, waarbij de beslissing om op die uitnodiging in te gaan blijft liggen bij de gelovige. Het bijzondere van deze vorm van pastoraat is dat mensen niet alleen intellectueel worden aangeraakt, maar ook emotioneel en spiritueel. Ook hier staat de ambtsdrager op afstand. Niet zozeer als toeruster en coördinator, maar als degene die deze vorm van pastoraat mogelijk maakt en de kwaliteit bewaakt.
Kwetsbare kanten
Voordat we zeggen dat oude en nieuwe modellen elkaar aanvullen moeten we hun kwetsbaarheden onder ogen zien.
Het huisbezoekmodel bindt pastoraat te veel aan ambtsdragers en doet onvoldoende recht aan de pastorale verantwoordelijkheid die iedere gelovige heeft. In het inschakelmodel benut men de gaven van gemeenteleden en doet men iets aan het probleem van overbelasting van ambtsdragers, die immers behalve pastorale ook bestuurlijke taken hebben. Maar inhoudelijk blijft het huisbezoekmodel intact met alle vragen die daarbij horen. Verder is de verdeling van de bevoegdheden een probleem: waar houdt de bevoegdheid van de pastoraal assistent op en waar begint die van de ambtsdrager?
Bij het kringmodel komt de vraag op hoe ver de verantwoordelijkheid voor elkaars geestelijk welzijn zich uitstrekt. Gaat het om gewoon menselijke contacten door dag en tijd, of is het de bedoeling dat er ook intieme geestelijke zaken aan de orde komen? Is een kleine groep daarvoor wel veilig genoeg? Voor goed pastoraat is immers niet alleen nabijheid nodig, maar ook een zekere afstand.
En hoe zit het met de geschiktheid en deskundigheid van de kringleden?
We hebben allemaal een pastorale roeping, maar toch is niet iedereen begiftigd met de gave van het goede luisteren. Daarom is het kwetsbaar om als kerk het pastoraat volledig te delegeren aan groepen en kringen.
De kwetsbaarheid van het charismatisch model ligt in het gegeven dat de grens tussen onze eigen geest en de tijdgeest enerzijds en de heilige Geest anderzijds vloeiender is dan bij ander modellen. Het vraagt in elk geval om goede waarborgen, waarvoor gelukkig ook veel aandacht is.
Belangrijker vind ik dat deze vorm van pastoraat ervan uitgaat dat de gelovige om pastoraat verzóékt. Het is meer of minder probleemgeoriënteerd.
Aan de ene kant is dat een belangrijke erkenning van de eigen verantwoordelijkheid van de gelovige, maar een essentieel element van pastoraat lijkt zo onderbelicht te worden, namelijk dat de ander je aanspreekt en de moeite neemt om je leven binnen te komen. Omzien naar elkaar betekent dat je aangesproken wordt door de ander die zegt: ‘Je ziet er slecht uit, is er wat aan de hand?’ En is het niet denkbaar dat pastoraat ook goed zou kunnen zijn voor mensen die geen enkel probleem ervaren?
Pastoraat betekent ook dat je tegen iemand zegt: ‘Joh, ik zie dat je hard bezig bent, maar kom je op deze manier wel ergens uit?’ Een derde punt is dat datgene wat in het gebed is ervaren om verwerking vraagt.
Daarom behoort het charismatisch pastoraat ingebed te zijn in een dialoog, waarin de concrete betekenis van het ervarene wordt verkend en de eigen verantwoordelijkheid wordt vormgegeven.
De Ander
De crisis van het huisbezoekmodel en de ontwikkeling van nieuwe organisatiemodellen die alle ook weer hun nadelen hebben, nopen tot een inhoudelijke bezinning: wat is eigenlijk pastoraat en hoe geven we dat in de kerk vorm? Wezenlijk voor het pastoraat acht ik, dat de ander naar je omziet. Pastoraat is in wezen niets anders dan dat een ander naar je toekomt en vraagt: hoe gaat het met jou? De aloude ambtsgedachte is daarbij nog steeds aanwezig. In het geloof zien we achter de ander de Ander: onze Heer Jezus. Zo wordt het evangelie dat God in Jezus naar ons heeft omgezien (Lucas 1: 68; Lucas 7:16) waargemaakt in de onderlinge omgang van broeders en zusters. Dat een ander naar je omziet is ook de essentie van het Griekse woord ‘epis- kopos’, dat verbasterd is tot bisschop en in de NBG-vertaling vertaald is met ‘opziener’.
Het ‘bezoeken’ – het op eigen initiatief de ander opzoeken op de letterlijke en figuurlijke plaats waar hij/zij zich bevindt – zie ik dus als een essentieel element van het pastoraat. Precies waar de meeste pastoraal werkers wel eens vermoeid van raken – dat je achter mensen aan loopt – zou wel eens wezenlijk voor het pastoraat kunnen zijn. Vanuit de bezochte gezien is een bezoek een ervaring van genade. Onverwacht valt je ten deel dat je wordt gezien, bevestigd, gewaardeerd, door de ander, door de Ander. Dit ‘bezoeken’ hoeft niet per se te gebeuren in de vorm van een formele jaarlijkse rondgang door de wijk, maar kan ook gebeuren langs informele lijnen. Ook in een gesprekje op het kerkplein kun je ‘bezocht’ worden, al moet de waarde van passende tijd en ruimte niet onderschat worden. De talrijke samenkomsten van een levende eigentijdse gemeente zijn even zo vele gelegenheden voor pastorale werkers om te informeren naar iemands welstand. Er hoeven alleen maar mensen te zijn die zich voor deze activiteit verantwoordelijk weten en in staat zijn om dit op een meer dan oppervlakkige manier te doen.
Antwoordruimte
In het pastoraat is de vraag ‘hoe gaat het met je?’ meer dan een beleefdheidsaanspraak.
Door deze vraag wordt de ander uitgenodigd om in zijn antwoord iets van zichzelf te laten zien, zichzelf te tonen. Als pastoraat begint met het aanspreken van de ander, betekent het dat de aangesprokene dus de ruimte moet hebben om te antwoorden. Daar zijn veiligheid en vrijheid voor nodig. Contacten van mens tot mens, waarin je jezelf (je ziel) in veiligheid en vrijheid kunt uitdrukken, zijn in onze samenleving een even groot als schaars goed. De meeste van onze contacten zijn immers functioneel: we moeten samen iets doen, of we willen iets van elkaar. In pastorale trainingen is dan ook het eerste leerpunt hoe je als pastor zo ruimte en veiligheid kunt bieden dat de ander in zijn verhalen tevoorschijn kan komen.
Dat gaat niet vanzelf. Op subtiele manieren hebben we de neiging de antwoordruimte in te perken door onze oordelen over wat wel en niet aan de orde kan komen, wat wel en niet geoorloofd en passend is, wat wel en niet belangrijk is, wat wel of niet het effect van het gesprek moet zijn et cetera.
Omiemand echt antwoordruimte te geven zullen we die oordelen (die we allen hebben) echt moeten opschorten.
De kracht van een goede pastor daarbij is dat hij/zij niet omvalt van onbegrip of verontwaardiging bij alles wat er aan vreemds of afkeurenswaardigs in gesprekken voorbij komt. De kracht van een goede pastor is dat hij/zij door alles heen de persoon van de ander blijft zien als mens Gods, die aanvaardt, en daarbij diens keuzeruimte (een belangrijk onderdeel van de menselijke waardigheid!) respecteert.
Van mens tot mens
Het gaat in het pastoraat om het leven zelf. Dwars door de gewone dingen van het leven heen gaat het telkens om grote vragen van zin en onzin, lijden en dood, vreugde en verdriet, gemis en verlangen, schuld en vergeving. Met deze vragen worstelen we als mensen allemaal. Niemand heeft hier definitieve antwoorden. Het evangelie van het Koninkrijk wordt ons weliswaar met gezag verkondigd, maar tegelijk blijft het zoeken naar de tekenen daarvan in ons eigen leven. Daarom is het pastorale contact altijd een contact ‘van mens tot mens’, waarin we, naar een woord van Luther, samen bedelaars zijn. Dit ‘van-mens-totmenskarakter’ is allerminst strijdig met de ambtsgedachte. Dat is te zien aan Jezus. Hij heeft zijn ‘God-gelijkzijn’ niet vastgehouden, maar is mens geworden en aan ons gelijk geworden (Filippenzen 2). De essentie van naar elkaar omzien in de naam en de geest van Christus isblijkbaar dat je naast de ander gaat staan en mens met de mensen wilt zijn.
Verhalen serieus nemen
Als mensen gaan antwoorden op de vraag ‘hoe gaat het met je?’ gaan ze verhalen vertellen. Die verhalen bestaan weer uit kleinere verhaaltjes, die op het eerste gezicht onbeduidend lijken. In het sociale verkeer zijn deze verhaaltjes een soort garnering op de taart van de informatie. In het pastoraat worden deze verhaaltjes uiterst serieus genomen, omdat mensen daarin zichzelf laten kennen. Je kunt eruit opmaken wie ze zijn, wat ze geloven of afwijzen, wat ze missen en verlangen, waar ze over tobben of op hopen, wat ze vermijden en waarnaar ze streven.
Dat je die verhalen in vrijheid en veiligheid kunt vertellen is op zichzelf al van groot belang. Al vertellend worden de dingen ook voor de verteller zelf helder. Soms gaat hem een licht op en soms kan zelfs Het Licht opgaan. Als verhalen van mensen afgekapt worden of buiten de orde geplaatst, wordt dat ervaren als een inbreuk op de waardigheid of een schending van de integriteit. Dat ‘buiten de orde plaatsen’ gebeurt in onze samenleving al te veel. Daar lijkt het zo te zijn dat mijn verhaal slechts van belang is voor zover ikzelf of de ander er iets aan heeft. Plaatsen waar je in vrijheid en veiligheid je verhaal kunt vertellen zijn schaars.
Pastoraal theedrinken
Het goede nieuws voor pastoraal werkers is dat je iemand al een enorme dienst bewijst als je erin slaagt iemand zijn/haar verhaal te laten vertellen.
De andere kantvan diezelfde medaille is, dat het niet altijd meevalt om daartoe te komen. Dat ligt soms aan de vertellende mensen zelf, soms aan de pastores. Mensen verdwalen soms in hun eigen verhaaltjes, verliezen zich in details, komen niet tot de kern. Ben je als pastor in staat om de verschillende verhaaltjes die je hoort met elkaar te verbinden, zodat er iets van een rode draad zichtbaar wordt en de ander de knoop van zijn leven een beetje kan ontwarren? Ben je in staat om iemand aan te sporen zijn verhaal zo te doen dat de ander daarin zichzelf beter verstaat en het geheim van het Koninkrijk van Jezus in eigen leven kan ontdekken? Ben je in staat om al de verhalen die je hoort te verbinden met het verhaal van het Koninkrijk zoals we dat in de Bijbel vinden? De eigen oordelen van de pastor kunnen het goede luisteren in de weg zitten. Is je hart groot genoeg om ook het vreemde van de ander te ontvangen, in zijn vreemdheid te laten bestaan en in christelijke liefde te bergen?
Ik wil maar zeggen: een goede pastor ben je niet zomaar. Er wordt soms (ook door ambtsdragers helaas) in negatieve zin gesproken over pastorale bezoeken aan ouderen als ‘pastoraal theedrinken’. Ik vind dat jammer. Ik ben zelf een fervent Pastoraal Theedrinker en schrijf het met hoofdletters. Ik luister onder het genot van een kop thee naar gewone verhalen en zoek in het gewone (theedrinken) het bijzondere (tekenen van het Koninkrijk).
Toegeruste pastores
Als het bovenstaande hout snijdt betekent dat mijns inziens dat een kerkenraad niet alle kaarten kan zetten op het onderlinge pastoraat. Er blijft de noodzaak van speciaal aangestelde en toegeruste pastores. Om drie redenen.
Ten eerste: het valt niet mee om in iedere broeder en zuster een gezondene van de Heer te zien. De praktische waarde van een ambt is dat het dat wat gemakkelijker maakt.
Ten tweede is het van belang te beseffen dat voor pastoraat behalve nabijheid ook afstand nodig is. Ik spreek regelmatig met mensen over dingen waarmee ze hun partners, kinderen of vrienden niet willen belasten. De relatieve afstand is dus heilzaam.
Bovendien schept een zekere afstand ruimte voor de ander om te antwoorden.
Een te grote nabijheid ontneemt de ander de adem.
In de derde plaats heeft niet iedereen de gave of de vaardigheid van het goede luisteren. Predikanten mogen (blijkens het door de LV vastgestelde predikantsprofiel) beschouwd worden als mensen die de gave van het luisteren hebben en daarin tevens geschoold zijn. Als dat werkelijk het geval is, is het van belang dat ze die gave ook in uitvoerende zin inzetten.
Daarvoor is immers die scholing bedoeld.
Juist het uitvoerend pastoraat vraagt om geschoolde mensen en het zou raar zijn als predikanten de ontvangen scholing niet vruchtbaar zouden maken. Wie zich als predikant beperkt tot regelgevende, coördinerende of toerustende taken in het pastoraat, zet mijns inziens zijn/ haar licht onder de korenmaat. Ook, ja juist, als het predikantenhart bij de prediking ligt, lijkt me de beoefening van het pastoraat voor predikanten noodzakelijk. De grote predikers uit de geschiedenis van de christelijke kerk waren zonder uitzondering ook grote zielzorgers. De brieven van Paulus zijn geboren uit zijn pastorale worsteling om de gemeenten het beeld van Christus te laten vertonen.
Wie wil preken, beoefene het pastoraat.
Ik kijk dan ook kritisch aan tegen de wens om te willen preken zonder pastoraat te beoefenen. In en door het pastoraat leer je preken. Dat laat natuurlijk onverlet dat ook nietambtsdragers in pastoraat geschoold kunnen worden en dat ook ongeschoold aandacht geven en meeleven van broeders en zusters van groot belang is. Ik wil slechts benadrukken dat goed pastoraat een kunst en kunde is die het nodige van mensen vraagt. Niet voor niets heeft de kerk daar altijd aparte mensen voor aangesteld.
Missionair
In het licht van de huidige aandacht voor het missionair kerk-zijn zou aandacht voor pastoraat gezien kunnen worden als een stap terug. Dat lijkt me een (grote) misvatting. Ik herinner aan de observatie van de kerkvader Tertullianus in de 3e eeuw. Hij merkte op dat de heidenen op een bijzondere manier naar christenen keken. Zij zeiden tegen elkaar ‘Ziet, hoe lief zij elkander hebben’. Het creëren van een plek waarin de liefde kan worden beleefd (lees: waar goed pastoraat wordt beoefend) is een missionaire factor van de eerste orde. Sterker nog: het is misschien wel de essentie van de missie van de kerk in de wereld. ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt’ (Johannes 15:12). In mijn werk als geestelijk verzorger ervaar ik telkens weer hoezeer van de kerk vervreemde mensen opademen bij ‘aandacht in de naam van de Heer’, ook al kennen ze de Heer niet zelf, of alleen op afstand.
Met toegerust pastoraat is een wereld te winnen.
Job Smit is predikant in de NGK en als geestelijk verzorger werkzaam in de ouderenzorg bij Viattence in Heerde (verpleeghuis ‘Wendhorst’).