Hoe Ezra de trouwbreuk in de gemeente aanpakte

1978-01-27
  • Jaargang 22
  • nummer 4
Ezra is in Jeruzalem aangekomen. Hij is erg geschrokken van de toestand daar. Wat deed hij toen? Bidden en werken. Hij heeft eerst gebeden. Hij heeft zich diep verootmoedigd voor de HERE en de schuld van het volk beleden. En daarna ging hij aan het werk. Het volk is samengestroomd om Ezra te zien en te horen (9 : 4).
Ezra en ook Nehemia waren vóór alles bidders. Nehemia zond dag en nacht zijn gebed op voor de Israëlieten. En Ezra was met gescheurd kleed en met gescheurde mantel neergeknield en hij sprak met uitgebreide handen een schuldbelijdenis uit. Hij lag voorover, vlak vóór het huis van God. Als de Israëliet bad zocht hij de HERE en de HERE had eeuwenlang willen wonen op Sion. Daniël had in zijn boven vertrek open vensters aan de kant van Jeruzalem. Hij keek door die vensters en driemaal per dag boog hij zich neer op zijn knieën en bad en loofde zijn God.
Ezra bidt in Jeruzalem, vlak vóór de tempel. Terwijl Ezra bad en schuld beleed, wenend zich nederwerpende voor het huis Gods, verzamelde zich tot hem een zeer grote schare uit Israël, mannen, vrouwen en kinderen, want het volk was in luid geween uitgebarsten. Er vergadert zich een volksverzameling.
Dat is de gemeente die trouwbreuk heeft gepleegd. Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd gehouden van de volken der landen, wat hun gruwelen betreft. Dat volk is diep getroffen door de woorden die Ezra in zijn gebed uitsprak. Die mensen hebben staan luisteren. Ze stonden daar als een echte gemeente, niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen en de kinderen. Dat is een gemeente. Dat is de kerk. Niet mannen alleen, niet volwassenen alleen, maar mannen en vrouwen en kinderen. Ook de kinderen horen bij de gemeente. En daarom ook in de kerkdiensten. Toen in de vlakke velden van Moab aan de drempel van het beloofde land het verbond tussen de HERE en zijn volk vernieuwd werd, was dat een zaak voor heel het volk. Toen heeft Mozes gezegd: Allen staat gij heden voor het aangezicht van de HERE, uw God: uw aanvoerders, uw stamhoofden, uw oudsten en uw opzieners, alle mannen van Israël; uw kinderen, uw vrouwen en de vreemdelingen in uw legerplaatsen, zelfs uw houthakkers en uw waterputters, om toe te treden tot het verbond van de HERE, uw God.
Hier is ook een complete volksvergadering. Mannen, vrouwen en kinderen stonden om Ezra heen. Wat hij deed trok de aandacht. En het volk was in luid geween uitgebarsten.
Welk volk is hier bedoeld? Dat lezen we in 9: 4. "Tot hem kwamen samen allen die beefden voor de woorden van de God van Israël. Die waren uitgebarsten in geween. Die lieten hun tranen de vrije loop. Dat duet een Oosterling eerder dan een Nederlander. Ook de heiligen van het Oude en het Nieuwe Testament hebben zich voor hun tranen niet geschaamd.
De mensen die zich al vroeg om Ezra heen geschaard hadden waren erg gespannen. Ezra heeft gebeden. Wat i zal hij nu gaan doen. Hoe zal hij de zaak van de verboden huwelijken gaan aanpakken? Voordat Ezra iets onderneemt gaat Sechanja spreken. Hij treedt op als de woordvoerder van het volk. Ezra was diep bedroefd. Hij had in zijn gebed alleen maar schuld beleden.
Nu zegt Sechanja: Er is nog hoop I voor Israël. Wie is deze Sechanja? Hij is uit de zonen van Elam. Dat is een heel grote familie geweest. In de tijd van koning Kores keerden de zonen van Elam terug uit de ballingschap, 1254 man.
De vader van deze Sechanja heette Jechiël. Verschillende personen hebben deze naam gedragen. In de lijst van mannen die met vreemde vrouwen getrouwd waren komt ook een Jehiël voor en nog wel uit de zonen van Elarn. Dat staat hier in vers 26: Van de zonen van Elam: Mattanja, Zacharia en dan Jehiël. Er is veel voor te zeggen, dat deze Jehiël de vader van onze Sechanja is, die immers ook uit het geslacht Elam komt. Dan protesteert de zoon tegen de ronde van zijn vader! Hij nam het woord en ging spreken. Wat zegt Sechanja?
Wat krijgen Ezra en het volk te horen? Wij zijn ontrouw geweest jegens onze God, doordat wij vreemde vrouwen uit de volken des lands hebben gehuwd; desondanks is er nog hoop voor Israël. Daar had Sechanja gelijk aan. Sechanja stelt voor de vreemde vrouwen en hun kinderen buiten de gemeente te sluiten. Dat voorstel komt niet van Ezra, maar van Sechanja. Dat voorstel van Sechanja, dat was nogal wat. Een heel aantal vrouwen en kinderen wegsturen. Hoe moeten we hierover denken? In de eerste plaats moeten we niet doen alsof wij geroepen zijn alles na te doen wat mensen gedaan hebben waarover de Schrift ons vertelt. En verder is het zaak te letten op de speciale situatie in de dagen van Ezra. Het ging er op of er onder. Het was op dat ogenblik geboden de vermenging met heidense volken ongedaan te maken en daarbij de ontbinding van een aantal huwelijken op de koop toe te nemen ...
Dat was minder erg dan de ondergang van de hele gemeente als het heilige volk van God. En die ondergang dreigde werkelijk als de kleine gemeente zich door huwelijken ging vermengen met de volken van het land, de Samaritanen en andere hele en halve heidenen.
De toestand is ernstig. Desondanks is er nog hoop voor Israël. Want de HERE is de Hope Israëls. Sechanja stelt voor een verbond te sluiten met God. Een verplichting aan te gaan.
Met het woord "verbond" wordt hier niet het verbond bedoeld, dat de HERE met zijn volk heeft gesloten. Dat verbond gaat van God alleen uit. Daarin heeft de HERE genadig het initiatief genomen. Hier is met verbond een verplichting bedoeld, die het volk op zich neemt. Het volk moet beloven de vreemde vrouwen weg te zenden. Dat is een ingrijpende maatregel. Wegzending van die vrouwen en hun kinderen. Dat had Ezra niet gezegd, dat wordt vanuit de gemeente voorgesteld. Ezra moet alleen maar zeggen, hoe de zaak geregeld moet worden in de praktijk.
Dat betekenen de woorden: volgens de raad van mijn heer. Volgens het advies van Ezra. Sechanja noemt Ezra "mijn heer". Deze aanspraak gaat dan later over in het gewone "u". Uit deze aanspraak blijkt diep respect voor Ezra. Geen wonder, na Ezra's gebed. Nu wil Sechanja zich richten naar het advies van Ezra en van hen, die voor het gebod van God vrezen.
In zo'n moeilijke zaak kunnen alleen mensen die zich laten beheersen door Gods gebod goede leiding geven. Laat er gehandeld worden volgens de wet. Ezra moet opstaan en moed grijpen. De zaak rust op hem. Het is zijn taak om de leiding te nemen. En een brede kring belooft: Wij zullen met u zijn. Dat zeggen de vorsten en de gemeente: Wees dan sterk en handel. Doe moedig uw plicht.
Dan komt Ezra in actie. Hij deed de oversten der priesters en der Levieten en geheel Israël zweren, dat zij naar dit woord zouden handelen en zij zwoeren. Hij zoekt medewerking uit de hele gemeente. Te beginnen bij de oversten van de priesters. Die worden telkens genoemd: de oversten van de priesters naast de Levieten. Die groepen gingen niet vrijuit. Ook de priesters en de Levieten hadden zich niet afgezonderd gehouden van de volken der landen. Als nu de leiders een eed zweren, zal heel het volk de leiding wel volgen. Heel die grote schare uit Israël, mannen, vrouwen en kinderen. Ze zwoeren een eed bij de naam van God, dat ze zouden doen naar het woord van Sechanja. Dat was nu wat onze Catechismus in Zondag 37 bedoelt: je mag een eed zweren als de nood het vereist.
De geschiedenis van Ezra en Nehemia is een geschiedenis die maar éénmaal plaats vond. Een harde geschiedenis in een harde tijd.
Ezra deed zijn plicht met een verslagen hart. Hij stond op van voor het huis Gods en ging naar het vertrek van Johanan, de zoon van Eljasib, waar hij de nacht doorbracht; brood at hij niet en water dronk hij niet, want hij bedreef rouw over de trouwbreuk der ballingen. Ezra kon geen hap door zijn keel krijgen. Zo heeft Mozes gevast na Israëls zonde met het gouden kalf. God hield Mozes op een wonderlijke manier in het leven, veertig dagen lang.
Ezra ging niet triomfantelijk naar huis, in de stemming van: daar heb ik toch lekker m'n zin gekregen.
Neen, Ezra blijft zich verootmoedigen. In het tempelcomplex waren verschillende vertrekken in de bijgebouwen.
In één van deze vertrekken trok Ezra zich terug, namelijk in de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib, In die kamer van de zoon van Eljasib zet Ezra zijn verootmoediging voort.
We weten niet wie Johanan en zijn vader Bljasib geweest zijn. In het boek Nehemia komen we dezelfde namen tegen. Blijkbaar bekende figuren in die tijd. Maar waar het om gaat is dit: Ezra trekt zich in een kamer terug en brengt vastend de nacht door. Na een zware dag een zware nacht. Brood at hij niet en water dronk hij niet.
Na de zonde met het gouden kalf was Mozes op de berg zonder brood en eten en water te drinken. Na de trouwbreuk door de gemengde huwelijken heeft Ezra gebeden en gevast. Want hij bedreef rouw over de trouwbreuk van de ballingen. Hij treurde over de schuld van zijn volk.
Dat is Ezra. Een man vol vurige ijver, maar allereerst een man vol diep schuldbesef. Hij treurt over de trouwbreuk van zijn volk, over het verraad van de ballingen. Een emotioneel mens, een diep bewogen man. Maar geen. drijver, geen man van een fanatieke geest en een hoog hart.

AIs we Ezra zo aan het werk zien, denken we aan het woord van Christus: Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden. Een treuren niet alleen en niet speciaal over eigen zonden. Daarover ook. Maar een treuren om de zonden van het Verbondsvolk, Zalig die treuren over de macht van het moderne ongeloof en over de trouwbreuk van zo vele gedoopte Christenen.
Die zullen vertroost worden. Dan is er hoop voor Israël. Hoop voor allen die de HERE vrezen en door het geloof in Christus gerechtigheid werken. Het is nooit hopeloos.
Sechanja wist het: Wij zijn ontrouw geweest; desondanks is er nog hoop.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief