Zo was het (14)

1978-01-27
  • Jaargang 22
  • nummer 4
In het Kerkblaadje, dat ik in Voorthuizen om de veertien dagen vol tikte, schreef ik na het artikel over de rechtvaardigen, ook over de rechtvaardigheid of gerechtigheid van God. Er is tussen rechtvaardigheid en gerechtigheid wel eens verschil gemaakt, maar als er verschil zou zijn is het wel een verschil als van een gekloofde haar. Met Gods gerechtigheid is een deugd of eigenschap van God bedoeld, Maar wat is daaronder precies te verstaan? In de kerkgeschiedenis blijkt, dat theologen daaraan een verkeerde betekenis hebben gehecht. En hele geslachten van het kerkvolk hebben onder die verkeerde betekenis geleden. En doen het nog, als ik het wel heb. Ze hebben bij het lezen van deze deugd van God gedacht aan een straffende, wrekende eigenschap van God. Ze hebben gedacht dat Gods gerechtigheid straffend ingreep in het leven der gelovigen. En dus waren ze als ze lazen van Gods gerechtigheid niet getroost en bemoedigd, maar ze vreesden zeer. En werden soms tot wanhoop gebracht. Ze overlegden bij zichzelf: Als God wraak neemt voor alles wat wij Hem hebben aangedaan en nog aandoen, hoe zullen wij dan leven?
Dan moeten wij wel vergaan onder Zijn straffen. Wie kan dan voor Zijn gerechtigheid bestaan? Wie zal aan Zij n wraak ontkomen?

Nu staat er wel in de Schrift, dat God een wreker is en wraak neemt. En dat voor Zijn wraak geen schepsel kan bestaan. We lezen bijv. in Nahum 1: "Een naijverig God en een wreker is de HERE, een wreker is de HERE en vol van grimmigheid; een wreker is de HERE voor zijn tegenstanders, en. toornen blijft Hij tegen zijn vijanden".
Als Hij met ons in het gericht gaat kan niemand voor Hem bestaan.
Maar de Schrift spreekt in dat verband, voor zover ik weet, vrijwel niet van Gods gerechtigheid. Dán heeft de Schrift het over wraak, wreken, gericht, toorn en grimmigheid.

Desondanks hebben velen, en ook wel groten in het Koninkrijk Gods, bij Gods gerechtigheid gedacht aan een wrekende en straffende werkzaamheid van God. Dat zij dachten aan een werkzaamheid van de HERE was goed. Want God is niet een doe-niet.
Hij grijpt in het leven van wereld en kerk in. En Zijn eigenschappen zijn werkzaamheden, ze dóen wat in ons leven. Maar het was een misverstand, bijv. van Luther, dat hij het doodsbenauwd kreeg als hij las van Gods gerechtigheid. Dat hij het soms verschrikkelijk benauwd had, heeft hij zelf geschreven. Bekend is het verhaal, dat hij eens in een hevig onweer geraakte. Donder en bliksem waren niet van de lucht. Voor zijn besef was hij de ondergang nabij. Toen moet hij uitgeroepen hebben: "Help mij, Sint Anna, ik wil monnik worden". Lucher heeft zeker gedacht: In een klooster kan ik vasten en bidden en mij kastij den en op die manier aan Gods straffende gerechtigheid ontkomen. Luther is in een klooster gegaan. Maar het lukte hem niet om door "goede werken" als vasten en bidden en zelfkwelling aan Gods straffende gerechtigheid te ontkomen. Hoewel hij z'n uiterste best heeft gedaan. Want hij was geen man van half werk. Hij heeft het zichzelf zo zuur gemaakt dat z'n biechtvader hem waarschuwde met dat waken en vasten enz. niet zo door te gaan. Het is onvoorstelbaar wat voor kwellingen monniken en nonnen zich hebben aangedaan om aan Gods wrekende gerechtigheid te ontkomen. Terwijl die wrekende gerechtigheid niet eens bestaat! Daaraan kunnen we zien wat misverstand van Wet en Evangelie kan teweeg brengen. We kunnen dat niet alleen in de geschiedenis der kerk opmerken.
Maar we zien het in het leven van veel kerkmensen van de huidige dag. Ik zal maar geen beschrijving geven van wat kloosterlingen zich hebben aangedaan. Het is afgrijselijk. En dat alles tevergeefs. Door zulke "goede werken" heeft nog nooit een mens vrede met God gevonden.

Luther heeft leren inzien, dat hij voor Gods gerechtigheid niet te vrezen had. Toen hij eens bezig was met een tekst uit het Nieuwe Testament is hem een licht opgegaan. Dat Schriftwoord was: "Het Evangelie is een kracht Gods tot redding of zaligheid voor ieder, die het gelooft. Want in of door dat Evangelie wordt Gods gerechtigheid geopenbaard uit geloof tot geloof. Zoals geschreven staat: De rechtvaardige zal door z'n geloof leven". Hij zag ineens, dat Gods gerechtigheid door het Evangelie wordt geopenbaard. Nu dan, het Evangelie is een blijde boodschap, een goede tijding, groot nieuws. Dan kon daar met Gods gerechtigheid toch niet iets bedoeld worden, wat zeer te vrezen was. Een blij de boodschap brengt toch geen schrik teweeg? Toen vertaalde Luther: Door het Evangelie wordt bekend gemaakt, hoe een mens rechtvaardig voor God wordt, namelijk door het geloof. Hij verstond onder Gods gerechtigheid dus: onze gerechtigheid, die voor God geldt. Ik ben van mening, dat hij daarmee nog niet de rechte, volle zin van de gerechtigheid Gods had begrepen. Maar in elk geval was hij wel bevrijd van de schrik of angst, die hij voor de rechtvaardige God had gehad. Men zegt wel: God slaat met een kromme stok wel eens een rechte slag. Dat zou men ook in dit geval kunnen zeggen. Luther zag in, dat de openbaring van Gods gerechtigheid niet bedoeld was om een mens de stuipen op het lijf te jagen.

Op de Veluwe - en ik denk overal' wel - waren heel wat kerkmensen die beefden voor Gods gerechtigheid of rechtvaardigheid. Men zei daar in "zware" kringen: "Het zal wat zijn om in de handen van een rechtvaardig God te vallen". Nu staat er wel ergens in de Bijbel: "Vreselijk is het te vallen in de handen van de lévende God". Maar bij mijn weten staat nergens, dat dit geldt van de rechtvaardige God. Hoe dit ook zij, in elk geval was de toestand zo, dat hele scharen met schrik dachten aan Gods gerechtigheid. En zo waren er ook wel sommigen in de gereformeerde kerken. Die werden dan wel een oase in de kerkelijke woestijn genoemd, maar in die oase groeiden toch ook wel wat giftige planten.

Als we de Schrift nagaan dan zouden we zeggen: Luther had het toch kunnen weten, dat we voor Gods gerechtigheid niet hoeven beven? En de "zware" broeders en zusters hadden het toch ook kunnen weten? De rechtvaardigen beroepen zich in het O.T. juist op Gods gerechtigheid voor hun redding. Zo is in Psalm 31 te lezen: "Bij U, HERE, schuil ik, laat mij nimmer beschaamd worden.
Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid". In Psalm 89 lezen we: "Gerechtigheid en recht zijn de grondslag van uw troon, goedertierenheid en trouw gaan voor uw aangezicht heen. Welzalig het volk, dat de jubelroep kent, zij wandelen, HERE, in het licht van uw aanschijn; in uw naam juichen zij de ganse dag, en door uw gerechtigheid worden zij verhoogd". Daar is sprake van Gods goedertierenheid en trouwen van Zijn vriendelijk aangezicht en van het geluk van Gods volk, dat Gods deugden bejubelt, In dát verband hoort nu ook Zijn gerechtigheid. Ps. 143 zegt: "Verhoor mij om uw gerechtigheid. Red mij om uw rechtvaardigheid."
En in Ps. 145 juichen de vromen om Gods gerechtigheden.

Ik zal u niet met meer teksten vermoeien. Ik ben het eens met de samenvatting, die prof. dr H. Bouwman indertijd in zijn proefschrift gegeven heeft: "De gerechtigheid' Gods is die eigenschap van de HERE, waardoor Hij handelt met de zijnen en met de vijanden van de zijnen naar de verbondsverhouding, krachtens welke Hij de getrouwen zegent, de ontrouwen tuchtigt, de vijanden der zijnen straft".
Wij maken in ons spreken verschil tussen genade en gerechtigheid. Maar de Schrift zegt: "De HERE is genadig en rechtvaardig en onze God is ontfermend."

Dit alles wil niet zeggen, dat onze God een "lieve Heer" is, die alles wat Zij n volk uitvoert maar goed vindt. Hij toornt op Zijn vijanden. Ook op vijanden onder Zijn volk. Hij' is een God, die te allen dage toornt, staat ergens. Maar als in Rom. 1 : 17 staat, dat door het Evangelie Gods gerechtigheid wordt geopenbaard, dan wil dat zeggen, dat God door het Evangelie van Jezus Christus Zijn reddende, verlossende, vrijsprekende en dus zaligmakende rechtvaardigheid doet blijken. Voor allen die in Hem geloven. De tegenstelling is Gods toorn. "Gods toorn wordt geopenbaard van de hemei over alle goddeloosheid en ongerechtigheid". Gods toorn bewerkt chaos, verwarring en verdeeldheid en misdadigheid in deze wereld, ook in onze dagen. In Zijn toorn straft Hij de goddeloosheid. Maar voor allen, die oprecht in' de Here Jezus geloven, wordt Gods reddende gerechtigheid onthuld, voor het geloof. Hun leven is uit geloof tot geloof. Het echte leven begint met geloof en dat blijft zo tot het einde. Een bekende verklaarder heeft het zo gezegd: Geloof is de vóór- en achtersteven van ons levensschip.

Gods gerechtigheid wordt geopenbaard door het Evangelie, dat een kracht van God is tot behoud. Die eigenschap Gods, die kracht van God, blijkt uit de redding van ons leven.
Zij ,zet ons leven om. Zij is een macht in het leven van de gemeente. Zij werkt geloof en bekering. Zij vergeeft niet alleen, maar heelt het leven. Gods tóórn bewerkt onheil en onvrede. Maar Gods gerechtigheid werkt vrede, barmhartigheid, eendracht. Zij maakt de gelovigen tot rechtvaardigen. Die de verdrukten te hulp komen, ellendigen barmhartigheid bewijzen. We mogen ook wel zeggen: rechtvaardigheid bewijzen.
Zo is het Evangelie een kracht van God tot redding.

Misschien heeft iemand gedacht: Zo spreekt Paulus in de brief aan de Romeinen, maar doen de andere apostelen dat ook? Ja, de anderen ook. Ik denk aan de eerste brief van Johannes 1 : 9: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouwen rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid". Het woord rechtvaardig staat op één lijn met getrouw.
De apostel Petrus begint z'n tweede brief zo: "Aan hen, die een even kostbaar geloof als wij hebben gekregen door de gerechtigheid van onze God en Heiland Jezus Christus."

Hiermee wilde ik er bij ons allen inprenten: Vreest niet voor Gods gerechtigheid als gij gelooft in de Here Jezus. Want gerechtigheid is reddend verschenen en zaligmakend in Jezus Christus. Wie zijn zonde belijdt en laat zal niet alleen barmhartigheid geschieden, maar ook gerechtigheid. De HERE doet wat Hij beloofd heeft.

Nu wil dit ook weer niet zeggen, dat overal waar van Gods gerechtigheid gesproken wordt gedacht moet worden aan Gods réddende eigenschap. We moeten bij het lezen van de Schrift wèl bedenken, dat woorden niet altijd één en dezelfde betekenis hebben. Ik noem als voorbeeld Matth. 6 : 33: "Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Gods gerechtigheid". Met die laatste woorden moeten we denken aan onze rechtvaardigheid, die voor God geldt. We moeten dus jagen naar Gods genade-heerschappij en streven naar een leven in rechtvaardigheid, dat God goedkeurt. Een dergelijk gebruik vinden we ook bij jakobus. In 1 : 19 vv, zegt deze schrijver, dat elk mens er vlug bij moet zijn om te luisteren. En traag in het tegenspreken en toornig verzet.
Als de HERE met Zijn Woord tot ons komt moeten we niet tegenspreken. Tegen de beloften moeten we niet zeggen: te mooi om waar te zijn. En tegen Gods bevelen moeten we niet sputteren op de manier van: een mens moet ook maar kunnen! Gods beloften zijn waar en Zijn geboden niet zwaar. Als iemand zich in toorn van God en Zijn Woord afwendt dan zegt Jakobus waarschuwend: "De toorn van een mens brengt Gods gerechtigheid niet voort". D.w.z. die doet niet wat rechtvaardig voor God is. Diens werken zijn niet recht voor God. Die leeft niet als een rechtvaardige. Bij Jakobus is dus geen eigenschap van God bedoeld, maar het doen van een mens, wat niet recht is in Gods ogen. Zo zal er nog wel een plaats zijn van deze betekenis. Maar als regel hebben we bij Gods gerechtigheid te denken aan een heilbrengende eigenschap of deugd van de HERE, onze God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief