Wandschilderingen
1978-02-03
Het gebruik, om op muurvlakken taal of beelden of namen vast te leggen, is zo oud als de mensheid. En hoe oud is de mensheid? vraagt u. Dat is een ondeugende vraag. Maar als u het antwoord weten wilt: zo oud als de wandschilderingen.- Jaargang 22
- nummer 5
Wanneer u meent dat de geschiedenis der mensheid bij Abraham begon dan valt het u op, dat op de binnenwanden van tabernakel en tempel engelen, palmen en bloemen waren geborduurd. En wat kunnen die symbolen hebben beduid? Nu, de palmtakken brengen u op de gedachte van koelte, rustig wonen, vrede. De bloemen wijzen op leven, overvloedig leven. En de cherubs kunnen ons leren dat in deze gewijde ruimte geen leegte - maar dat hier de woonplaats van de Vorst des hemels was, die het leven en de vrede en overvloed is.
Als iemand meent dat de geschiedenis der mensheid bij de holenmens begint, dan kan hij op dit punt zijn hart ophalen: dat de holenmens alles van wandschilderingen afwist. Om maar dicht bij huis te blijven: gaat u naar de grotten in de Pyreneën, een dag rijden. Voor zover ze niet wegens restauratie gesloten zijn vindt u daar primitieve maar zeer verstaanbare wandschilderingen. Ze geven de mens weer in zijn primitiefste levensuitingen: op jacht en in oorlog.
Niet als illustratie bedoeld; volgens oudheidkundigen liggen er andere motieven aan ten grondslag. De jagers, die er op uit moesten om levensmiddelen voor hun stam te bemachtigen, tekenden vooraf hun verhoopte buit in een toestand van reeds bemachtigd zijn: getroffen door pijl en werpspies. Waarom?
Bij wijze van bezwering? Misschien wel. Bij wijze van herinnering aan een geslaagde jacht? Mogelijk wel, maar niet waarschijnlijk. Als u een wandschildering bekijkt en u ziet de koppen van vijf mannelijke herten uit het struikgewas over een heuvelrand kijken; elk gewei afzonderlijk waargenomen, de ogen, de oren, de neusgaten weergegeven; of u neemt de bekende wandschildering van de vijf paarden met een bison - u hoeft niet te twijfelen aan de identiteit van de afgebeelde dieren.
Toch is de idee van een gedenkteken niet zo gek. Toen de mens in zoverre cultuur gemaakt had, dat hij uit de overvloed van zijn bestaan aan iets anders dan het vege lijf kon denken, kwamen de beelden: die een mens of een woord of een geschiedenis moesten vastleggen voor nageslachten. In Brits Columbia, in Alaska vindt u nog primitieve beelden, standbeelden, uit hout gesneden totempalen. Ook Griekenland en Italië hebben ze volop gekend. En ook in de Bijbel komt u ze tegen.
Omdat de Rornaanse bouwwijze grote muurvlakken en weinig ramen had, werden de kerkwanden beschilderd met taferelen uit de heilshistorie of met heiligen. Toen de Gothische bouw veel ramen en weinig muurvlakken bood, ging men over op gebrandschilderde ramen of vrijstaande beelden. Of men bewerkte pilaren, zoals al duizenden jaren gebruikelijk was. De aard van het bouwwerk bepaalde de aarde van de afbeeldingen.
In een tent of enig ander minder solide bouwsel waren het de pilaren, die afbeeldingen mochten dragen. De tempel van de Filistijnse god Dagon was zodanig gebouwd, dat met het wegtrekken van twee pilaren de hele zaak in pastei viel. Zo belangrijk was dus de pilaar; geen wonder dat men in een pilaar een fundamenteel ding van blijvende waarde zag, geschikt om onvergankelijke dingen te vermelden.
De kinderloze Absalom richtte bij zijn leven voor zichzelf een monumentale pilaar op; zijn naam was: "de naam" of "de hand" van Absalom. (Het heeft hem niet mogen baten: zonder de Bijbel zou zijn naam al lang vergeten zijn.
Evenals Og, de koning van Basan, die nooit in het door hem gebouwde praalgraf is bijgezet). Later werd het woord pilaar zelfs overgedragen op mensen: Jacobus en anderen werden pilaren van de christelijke gemeente genoemd.
Sterker nog: Paulus schrijft aan Timotheus, dat de gemeente zelf een pilaar is, een zekerheid en een onbeweeglijk stuk waarheid. En eindelijk moet u denken aan Openbaringen 3 : 12 waarin aan degene, die in de grote vervolgingen overeind blijft, beloofd wordt een pilaar te zullen worden in Gods huis, waarop de namen van God en Christus en Jeruzalem worden geschreven!
Een schilderij kan vervreemd worden, verkocht, verplaatst, vernietigd. Maar een pilaar in een degelijk gebouw, een wand van een grot, een rots in een bergmassief - wel, die houden het langer uit. Die houden het naar oudtestamentische begrippen "eeuwig " uit. Aan de ruwe Noordkust van Schotland zag ik op onbereikbare hoogte op een rots gekalkt: "the Hundredth", de honderdste psalm. Zo iets wast al het water van de Atlantische Oceaan niet af.
De christelijke kerk heeft eeuwen lang gewerkt met beelden en wandschilderingen.
In de oudste gemeenten te Rome was men ermee vertrouwd. Men vergaderde namelijk in oude mijngangen, die ook voor begraafplaatsen werden gebruikt. Men kende de grafschriften. De oudste geheime tekens voor Christus en christen worden daar aangetroffen. Zoals u weet werden in die geheime tekens de vis en het brood verwerkt. Hier ziet u de aanvang van de christelijke symboliek, die zich in wandschilderingen, kruisgangen en beelden voortzette.
Sedert er een stichting werd opgericht tot behoud van de oude Groningse kerken, volgden stichtingen voor de oude Friese, de oude Gelderse, de oude Zeeuwse kerken en onlangs een voor de oude Nederlandse kerken. Waarom? Niet alleen om oude vergaderruimten te restaureren. Vooral vanwege de historische aspecten van deze oude gebouwen. En niet het minst vanwege de rnuurschilderingen die, door de Reformatie verdrongen, thans blootgelegd worden en een sprekende band met onze voorouders geven.
De Reformatie sprak misprijzend over de "boeken der leken". Zo werden de wandschilderingen geduid: plaatjes, die analfabetische gelovigen hielpen de Bijbelse geschiedenissen te onthouden. Geen wonder dat die wandschilderingen, beelden en kruisgangen geleid hebben tot misbruik, bijgeloof, beeldendienst.
Dat lag niet aan die beelden - maar aan de bijgelovige mens.
Maar wat denkt u: hebben wij het zónder die boeken der leken veel verder gebracht dan onze voorouders? Zo ja, dan is de beeldendienst toch zeker vervangen door de mammon dienst. We sterven immers aan de levenszekerheden.
Laat me mogen opbiechten, dat ik altijd blij ben in een kerkgebouw een duidelijk kruis aan te treffen. Dat spreekt van een gekruisigde Christus. Dat herinnert ons aan kruisende wegen: Gods weg, die anders kan zijn dan onze weg.
Dat wijst naar boven en naar de naaste. En laat me ook opbiechten, wekelijks blij te zijn met het gebrandschilderde raam in het eeuwenoude kerkje van Dalmally, dat de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan geeft. Het herinnert ons aan het gebod der liefde.
In mijn werkkamer 'hangt, naast de grotschilderingen van Lascaux en Altamira, ook een wandschildering uit de Eglise Wallonne te Haarlem. Die spreekt mij zeer toe. Niet omdat mij voorouders, vers uit Frankrijk, in die kerk hun toevlucht vonden; want in hun tijd was de wandschildering al overgekalkt. Maar vanwege de herontdekte afbeelding en tekst.
Die afbeelding bevat drie vrouwen, elk met een kruikje in haar handen. Om haar hoofden is een lint geslingerd met wat Latijnse woorden. Met hulp van een woordenboekje en wat nadenken vertaalde ik die woorden als: wie zal voor ons de steen van de mond van het graf verwijderen? En ineens herkent u de drie vriendinnen van Jezus, op weg om zijn pas begraven lichaam alsnog te balsemen.
Daar zit meer in dan vrouwelijke naastenliefde, christenliefde. Daar zit ook de vraag in van een volk, dat in duisternis wandelt; het onze bijvoorbeeld. Daar zit ook de vraag van mensen in, die Jezus wel wensten te zién; aan ons bijvoorbeeld. Ook de vraag van mensen die stikken in de problemen, maar voor wie de troost al klaar ligt zodra wij die wijzen. Ook de vraag van hen, die de Levende tussen de daden dachten te vinden: in onze kerken bijvoorbeeld. Maar tenslotte ook de vraag van hen, die bepaald niet geloven dat God dood zou zijn.
Ziet u wel hoe functioneel wandschilderingen kunnen zijn?