Hij ziet ons toch wel zitten?
1978-02-17
Eerst een kort verhaal: Echt gebeurd.- Jaargang 22
- nummer 7
We waren een keer in de kerk. Natuurlijk met de kinderen, want (zeggen we altijd) die horen erbij. En we proberen dan ook hen erbij te betrekken. Soms wordt er met hen even over de tekst gepraat en ook mogen ze samen wel eens zingen. Dat alles nieuw wordt, de hemel en de aarde. Of een ander bijbels lied. Maar die morgen was er een predikant, die dat met 'deed en die bovendien zijn woordkeus nogal uitvoerig en moeilijk te begrijpen was.
En dat bleek ook al gauw. De kinderen begrepen het niet allemaal.
U weet dan wel, wat er gebeurt: ze gaan praten of krijgen dorst en gaan zitten frutselen met hun psalmboekjes. Ik bedoel dit niet'als aanmerking op de voorganger. Die goeie man deed heus zijn best wel en bracht een bijbels-evangelische boodschap. Maar net even boven het niveau, dat kinderen verstaan. En daarom kwam er al heel gauw reactie. Een kind van een jaar of zeven trok haar mama naar zich toe en zei 'half luid in haar oor:
"Waarom praat die dominee zo moeilijk? Hij ziet ons toch wel zitten ?”
En dat was een schot in de roos. Want als we willen, dat ze er in de kerk bij horen, komt het erop aan; dat wijze zien zitten. En ik dacht aan Mattheüs 18, vers 4 en aan Mattheüs 19, vers 13 t/m 15.
Die 'héél duidelijke woorden van onze Heer: "Als je niet wordt als de kinderen...
Dat was een preek, allereerst bestemd voor de 'apostelen; dus voor hen, die het evangelie mogen verkondigen. Je kunt dáár héél moeilijk over gaan doen en zeggen: "Worden als de kinderen, dat betekent: net zo naïef of net zo eenvoudig of net zo gelovig of net zo ongecompliceerd en zonder problemen. Maar in Mattheüs 18 wordt verteld dat de discipelen spraken over de ' vraag: "Wie van hen de grootste zou zijn in Gods koninkrijk."
Het is heus niet allereerst uit hoogmoed, dat ze dat vroegen, al kan dat er ook onder gezeten hebben. Maar ze hadden begrepen, dat het koninkrijk gauw komen zou; Jezus had gezegd: dat het al nabij gekomen was. Nou, en dat rijk moest toch op een of andere manier georganiseerd of geordend worden? Wie 'zou wat worden? Welke plaats zou ieder innemen?
Vergeet niet, dat ze leefden in een wereldrijk, dat vanuit Rome politiek en militair gehandhaafd werd. En hoe zou het rijk van David daarin zijn plaats innemen? En wie zou dan de "minister~president"
worden? Dan neemt de Heer Jezus een kind; zet dat in de kring met de bekende woorden: "Als je je niet bekeert en wordt als de kinderen, dan kom je het rijk van God niet in."
De kinderen maken zich geen zorgen over later. Ze groeien onbekommerd op en eten 'en drinken en slapen zonder de vraag, wié later wát zal worden. Vaders zorg en moeders liefde is hun genoeg. Ze horen er ook bij. Wat er in zit, komt er later wel uit. Het 'zal 'hun een 'zorg zijn, of ze late~ minister-president of jongste bediende worden. Ze horen erbij en als vader en moeder hen ziet zitten en dat laten merken, is het hun verder wel goed. En als je je niet bekeert en wordt als de kinderen ...
Zo goed had het meiske van hierboven op kinderlijke manier iets van het evangelie gevat. Wij horen er toch ook werkelijk bij? Als dát nu zo duidelijk is, waarom praten we daar dan zo moeilijk over?
Deze preek is ook bestemd voor de ouders, catecheten, onderwijzers en kleuterleidsters en zo maar door. In Matth. 19 heeft de Heer net allerlei moeilijke vragen besproken: over vergeving van de zonde van een broeder en over echtscheiding en dergelijke, Als dán de moeders met hun kleine kinderen naar Jezus willen toegaan, zeggen de discipelen: "Dat kan nu niet. Veel te druk en véél te moeilijk." Begrijpelijk, maar daarom nog niet goed, zegt Jezus.
Want kijk eens, Hij ziet hen toch wèl zitten:. En Hij spreekt die mooie, aangrijpende woorden: "Laat de kinderen gaan; houdt ze niet tegen, om tot mij te komen, want voor zullen is het koninkrijk van God."
Blijkbaar kun je met de beste bedoelingen kinderen in de weg staan, om tot de Heer te komen. Je kunt van geloof een moeilijk probleem maken alsof het een hindernis is, die je eerst moet nemen.
Maar dat is het 'helemaal niet. Nee, zegt de Heer: "Wie nu zichzelf gering acht als dit kind, die is het grootste in het koninkrijk." Ik denk niet, dat we ooit met alle vragen over. het koninkrijk van God; over vergeving, echtscheiding, drugs, seksualiteit, dogma's en ethische aangelegenheden zullen klaarkomen. Maar we mogen onze kinderen; onze leerlingen; onze kleuters en catechisanten eenvoudigweg vóór zeggen en vóórleven, dat de levende Heer ons heus wel ziet zitten.
En dat we ze niet in de weg moeten staan, om tot de Heer te komen. En het mooiste van "gemeente zijn" betekent het mogen vieren, dat wij en zij erbij horen.
Omdat God het gezegd heeft. Omdat Jezus voor hen geleden heeft. Waarom praten we vaak zo moeilijk? Door dogma's (hoe belangrijk ook in de geschiedenis der kerk) komen we niet in het koninkrijk. Vier het gezinsfeest van Christus' gemeente, ook met de kinderen, want ze horen erbij.
Daarom is dit óók een preek voor de jongens en de meisjes; en ik hoop dat vader en moeder het hun kinderen willen voorlezen of tegen hen zeggen: dit moet je nu eens lezen, want het is voor jullie.
Ik weet wel, jongens en meisjes, dat je in de kerk soms een heleboel niet hoort of nog niet begrijpt. Toen ik nog een jongen van een jaar of tien was, heb ik vaker de glas in lood ruitjes in de kerkramen zitten tellen dan geluisterd, wat er allemaal gezegd werd.
Maar toch is het zó: we vieren op zondag in de kerk het feest van de Heer Jezus Christus. Is vader of moeder jarig is, dan ben Je er toch óók bij?
Zelfs de baby in de wieg heeft een strik of een lint om, al snapt het kindje er nog niets van.
Maar vader en moeder weten heel goed, dat jullie erbij horen.
Zondag is het feest van de Heer Jezus, die uit het graf is opgestaan.
We zouden eigenlijk de vlag moeten uithangen. Maar de kerk heeft geen vlag van doek, zoals wij op Koninginnedag uithangen. Maar de kerk heeft wèl een teken.
Dat is het kruis. Aan dat kruis heeft de Heer voor onze zonden geleden.
En toen is Hij gestorven en weer opgestaan. Hij is naar de hemel gegaan en daar bidt Hij voor ons. Dáárom preken we en zingen we over Hèm. En we bidden samen. Het is ècht feest.
Want Hij ziet ons tóch wel zitten. Hij ziet jullie óók zitten, Je mag er ook bij horen.
Dat meisje, waarvan ik in het begin vertelde, had heus helemaal gelijk.
Zelfs als de dominee eens een beetje moeilijk preekt;zó, dat je het niet allemaal begrijpt, denk dan maar:
"EN TOCH DENKT DE HEER AAN MIJ; HIJ ZIET ONS TOCH WEL ZITIEN; IK MAG ER OOK BIJ HOREN EN EEN SCHAAPJE VAN ZlJN KUDDE ZIJN.
En fluister maar héél zacht: "Dank U Heer, dat U mij tóch ziet."
En zing dan thuis: Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw; De hemel en de aarde.
Misschien gaan vader en moeder wel meezingen. Want als je niet wordt als dit kind en je bekeert...
HlJ ZIET ONS TOCH WEL ZITTEN!