Discussie over dienstweigering (3)

1978-02-17
  • Jaargang 22
  • nummer 7
"Met drs De Jong deel ik de bezorgdheid voor een verantwoord en eerlijk en consequent bijbelgebruik" - schrijft mijn gespreksdeelnemer drs K. Goudriaan in zijn stuk waarmee hij krachtig stelling neemt tegen mijn opvatting omtrent het vraagstuk van de dienstweigering. Ik ben blij dat drs G. deze zorg van mij heeft onderkend, al had ik die bij deze gelegenheid niet uitgesproken. Inderdaad 'zit ik daar vaak over na te denken: hoe vermij den we willekeur, in het bijbelgebruik? Hoe bestrijden we de funeste indruk die meer dan wij denken bestaat, dat iemand die bij een bepaald probleem de bijbel ter sprake brengt gelijk is aan een goochelaar met een hoge hoed vol teksten? Hoe brengen wij de mensen vertrouwen bij in de uitleg van de bijbel? Deze vragen staan mij werkelijk op de tafelen van mijn hart geschreven, omdat ik vaak te doen heb met de samengekomen gemeente die op de zondag niet zelden is uitgeleverd aan het onzindelijke denken en de bokkensprongen van de voorganger-uitlegger. De bijbel heeft zich al wat misbruik en willekeur moeten laten welgevallen!
En nu blijkt dat ik op anderen, althans op een ander, de indruk gemaakt heb daaraan mee te doen! Want er staan in mijn artikelen over het genoemde onderwerp "nogal wat onnauwkeurigheden en inconsequenties juist inzake de hantering van de bijbel". Het gaat er mij nu even niet om of 'deze bewering waar gemaakt wordt. Ik wil nu alleen 'zeggen, dat 't me spijt, dat ik op dit punt niet duidelijker en overtuigender geweest ben, want we kunnen het niet gebruiken, dat aan het vertrouwen in de uitleg van de bijbel nog meer afbreuk wordt gedaan. Een zinnetje ,als :met de bijbel kun je alle kanten uit - het hangt van de uitlegger af, welke (wat je tegenwoordig als gezegde in de gemeente wel kunt tegen komen) snijdt me door 'het hart. Dit is het eind van het Schriftgezag, denk ik dan als ik het hoor.

Ik wil hier even nog iets meer van zeggen. De reformatie is van start gegaan met het geloof in de doorzichtigheid van de bijbel: 'Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad' (Ps. 119 : 105). De reformatie stelde dit uitgangspunt tegenover het leergezag van Rome. Dit leergezag is misschien wel geboren uit het cynisme dat ik zo even aanhaalde: 'met de bijbel kun je alle kanten uit'. Daarop zal dan gereageerd zijn met: 'omdat dit zo is, zullen wij wel uitmaken, wèlke kant je met de bijbel uit moet'. En daarmee was de bijbel onderworpen, wel niet aan willekeur, maar toch aan een menselijk gezag.
De reformatoren doorbraken dit menselijke gezag en zeilden: Als dan de 'bijbel Gods Woord is, dan zal hij ook zijn eigen uitleg bepalen. Wat een hoge greep was daarmee gedaan!
De kerken die uit de reformatie zijn, voort gekomen, hebben in dit standpunt hun eer gesteld. Maar waar is die eer, als nu zou blijken, dat aan reformatorische zijde de bijbeluitleg aan de willekeur is prijsgegeven? Dan moeten wij met de vrouw van Pinehas zeggen: Ikabod - weg is de eer uit Israël! (1 Sam. 4: 21, 22). Er staat hier veel op het spel, bedoel ik .te zeggen. Het behoort ons pijn te doen, wanneer er ter zake van belangwekkende dingen in tegengestelde zin een beroep op de Schrift wordt gedaan. Veel te gemakkelijk berusten wij in verschil in exegese. Stellig wil ik nu niet drammen. Er zijn genoeg punten waarop de bijbel verschillend gelezen kán worden. Het is niet voor niets een Ioek van duizenden jaren oud. Maar dat betreft dan punten waar geen bloed uit vloeit. Gaat het echter om een belangrijke zaak, waarbij we op een tweesprong staan, zoals hier: wel of niet in militaire dienst, en berusten we er dan in dat de bijbel tegengesteld ter sprake wordt gebracht - wel, dan wankelt de grondstelling van de reformatie. Daarom moeten wij ons met alle kracht inzetten voor een verantwoorde en eerlijke en consequente bijbeluitleg. die werkt volgens controleerbare regels.

Laten we nu eens bezien, wat drs G. tegen het door mij uiteen gezette standpunt inbrengt. Van groot belang lijkt mij dan wat hij in zijn eerste en tweede artikel opmerkt over Genesis 9 : 5 en 6. Ook hijzelf brengt dat in het eerste artikel ter sprake onder "één
van de twee heel fundamentele noties", nl. die van het beeld Gods, waarnaar de mens geschapen is en waardoor hij voor andere mensen van Godswege onaantastbaar is. Drs G. schrijft: " "Wie des mensen, bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden" is al evenmin een vrijbrief voor een bloedig ingrijpen van de overheid, als het "met smart zult gij kinderen baren" een argument is legen zwangerschapsgymnastiek... Er staat duidelijk: "Ik (God) zal uw eigen bloed eisen". Drs G. leest in de woorden van Genesis 9 dus niet de instelling van de zwaardmacht van de overheid. Hij zegt: er staat dat God het bloed van de doder zal eisen en niet een mens. Wie dan zou willen wijzen op vs. 6: "Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden... ", waar toch de mens genoemd wordt als degene die namens de eisende God optreedt, moet begrijpen dat drs G. in deze passage van Genesis slechts een gevolg ziet aangegeven van wat de bloedvergieter/moordenaar doet. De moordenaar brengt namelijk een beweging op gang die van kwaad tot erger voert. Oorlog, moord en doodslag brengt hij teweeg. De zin uit Gen. 9 wordt -dus uitgelegd aan de hand van 'het woord van Jezus: "allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen". (Matth. 26: 52). In dat woord immers wijst Jezus ook op 'het heilloze gevolg dat uit het grijpen naar het zwaard voortvloeit.
Anderen grijpen dan ook naar het zwaard.

Toch zegt Jezus er niet bij wat we in Genesis 6 wèl lezen: "Want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt". Dat geeft toch de reden aan waarom de Here deze regel stelt: wie 's mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden. In het boek 'Minister en magister', Hilversum, 1976 tracht de schrijver, dr F.H. von Meyenfeldt onder dit argument uit te komen. Het 'want' uit Gen. 9: 6 vertaalt hij met 'maar': "wie 's mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden. maar naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt." Deze eigenaardige vertaling noemt hij heel goed mogelijk en zelfs voor de hand liggend. "Dat zou dan dus betekenen, dat in de menselijke samenleving het feit algemeen geconstateerd zal kunnen worden dat wie bloed vergiet zelf ook gedood zal worden ... Maar de mens moet zich in dat bloedige spel niet begeven, want hij is 'in een heel ander klimaat gesteld. Hij is niet gemaakt voor het bloed vergieten, omdat hij geschapen is naar het beeld van Hem die het bloed gemaakt heeft". "Er is hier, zo bezien, dus geen sprake van de een of andere instelling vaneen overheid of staat" (p. 47). Zo bezien niet, nee, maar ik vind dit wel een uitnodiging tot scheel kijken. Het op zich zelf juiste gegeven dat het Hebreeuwse woordje voor 'want' ook wel eens met 'maar' vertaald kan worden, wordt hier op een ondeskundige wijze gehanteerd, alsof je er zo maar het redebeleid van een zin me zou kunnen omgooien. Het woord voor 'want' kun je wel eens met 'maar' vertalen. Akkoord. Evenwel, dan maakt 't in betekenis niet veel uit. Bijvoorbeeld: Ik heb geen paraplu bij me, want 't regende niet, of: Ik :heb geen paraplu bij me, maar het regende (ook) niet! *) Dit is van dr Von Meyenfefdt toch wel een voorbeeld van koekenbakkers-exegese. Een eeuwenlang algemeen aanvaarde uitleg kun je met zo'n verhaaltje niet omver gooien.

Het is wèl terecht van dr v. M. dat hij wat in Gen. 9 : 5 en 6 gezegd wordt, in vetband brengt met de verschrikkelijke toestanden van vóór de zondvloed, de moord en doodslag in het geslacht van Kaïn. "Blijkbaar heeft in die eerste wereld het geweld een ontzaggelijke tol opgeëist" (p. 46).
Maar is het wel een goede omschrijving van Gods bedoeling als v. M. dan als volgt voortgaat: "En daarvoor waarschuwt God nu. Ze moeten er nu diep van overtuigd zijn dat :het eindelijk uit moet wezen met al dat bloed vergieten, want ze hebben duidelijk kunnen zien, waarop die bloeddorst uitloopt: op een kettingreactie van bloedbaden"? Is het werkelijk niet meer dan een waarschuwing, die God in hfdst. 9 : 5 en 6 laat horen?
Dat God het bloed vergieten niet wilde, was toch al sinds Kaln's moord bekend? En wat voor garantie bestond er, dat een waarschuwing van de Here nu in het vervolg wèl zou helpen?
God maakte zich geen illusies. "Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat 't voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan... (8: 21). Anders gezegd: "als Ik op de mens let kan' Ik wel aan de gang blijven met het slaan van de aarde en de overige schepselen daarop". Daarom moest er nu na de vloed iets meer komen dan een waarschuwing tegen doodslag. Er moest nu paal en perk aan gesteld worden door een maatregel, wilde het leven op aarde mogelijk blijven. En zo werd aan de mens, de mensen, de bevoegdheid om te doden toegekend om de doodslag te weren. De, waarschuwing immers was onvoldoende gebleken.

Aan de uitleg, die dr v. M. en anderen van Gen. 9 : 5 en 6 geven, ligt m.i. een te optimistische kijk op de mens ten grondslag. Alsof hij genoeg heeft aan de herinnering: denk erom, de mens is naar Gods beeld geschapen en daarom mag je hem niet doden.
Alsof de mens zich laat gezag moeten verantwoorden. Dat haalt te weinig uit. Prediker zei al: "Omdat het vonnis over de boze daad niet aanstonds voltrokken wordt, daarom is het 'hart der mensen in hen begerig om kwaad te doen, daar een zondaar honderd maal kwaad doet en toch lang leeft." (Pred. 8: 11, 12). De herinnering aan het geschapen zijn naar Gods beeld en de dreiging, dat God het bloed zal eisen, in de geschiedenis of in het eindoordeel, dat alles helpt alleen bij de geestelijke mens. Maar de natuurlijke mens heeft het nodig, dat hem een zichtbaar en gevoelig halt wordt toegeroepen; dat gen door de waarschuwing: wie menselijk leven neemt, zal zich voor God hij als hij uittrekt om te doden (met een mes of met een bom) een getrokken zwaard en een weerbare overheid tegenover zich vindt, die hem op beheerste wijze en ambtshalve stopt. Want terecht schrijft drs G. (en hij rekent ook dit tot de twee heel fundamentele noties): "De mensheid is in zonde gevallen. Wij mogen niet te idealistisch over de mens oordelen ..;" Daarom is het een weldaad van God dat Hij onder de mensen het werende zwaard heeft besteld. Daarmee wil ik niet zeggen, dat het altijd gehanteerd moet of kan worden. Als het ambtsbesef (waarover geen woord bij drs G.) gaat ontbreken, kan het alleen maar onheil uitrichten. Dan wordt het ons als het ware uit de handen geslagen.
Maar als wij het vrijwillig uit handen leggen, geschiedt er niet minder onheil. Het lijkt of wij in onze tijd tussen deze twee onheilen in staan.

(wordt vervolgd)

Noten
*) Kenners verwijs ik hier naar Joüon's grammatica, pag. 172 C, speciaal noot 2.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief