Discussie over dienstweigering (4)

1978-02-24
  • Jaargang 22
  • nummer 8
"Het meest heb ik bezwaar tegen de wijze, waarop onze overheid wordt gelijkgesteld met de overheden waarover de bijbel en dan vooral het O.T. spreekt", schrijft drs G. Bij het vele dat hij in zijn artikelen ter sprake brengt zoek ik naar enige algemene gezichtspunten waar het bijzondere bij ondergebracht kan worden. Ik meen dat we hier op zo'n algemeen gezichtspunt stuiten. Daarop ingaande kan ik iets laten zien van de achtergrond van mijn bijbelgebruik om zo de indruk van willekeur die ik gewekt heb weg te nemen.
Hoe zit dat met de gelijkstelling van onze overheid met die van het oudtestamentische Israël? Is Nederland zo iets als het Israël van de nieuwe dag? Aan zulke gedachtegangen stoot men zich vandaag. 'God, Nederland en Oranje' - er wordt met weerein aan herinnerd dat men vroeger in zoiets geloofde. Meteen al heb ik hier behoefte aan twee opmerkingen. In de eerste plaats, dat deze voorstelling niet typisch Nederlands is. In Engeland en in Schotland en eigenlijk in alle 'christelijke' landen kun je deze 'gelijkstelling' (nou ja ... ) tegen komen. Het is dus niet nodig hierop met een typisch Nederlandse schaamte te reageren. En in de tweede plaats valt mij op dat mensen die hiertegen storm lopen, in een ander verband toch weer tamelijk gemakkelijk te vinden zijn voor een trits als 'God, MoIkl1!lI1en de Synagoge' en er vol begrip en zelfs adoratie tegenover staan, wanneer in joodse kringen Amsterdam gezien wordt als het Jeruzalem van het westen. Dat is toch iets vergelijkbaars? Maar het feit dat men dit zo onkritisch accepteert wijst er op dat de aanstoot aan 'God, Nederland en Oranje' meer emotioneel dan doordacht is.

Maar nu op het punt .zelf ingaande: wat gebeurt er uit een oogpunt van bijbelgebruik, wanneer in ons volkslied aan prins Willem van Oranje de woorden in de mond worden gelegd: "Als David rnoeste vluchten voor Saül (tweelettergrepig! zoals de roomsen nog doen) den tiran, zo heb ik moeten zuchten met menig edelman"?
Is dit willekeur? Natuurlijk valt het niet moeilijk om tussen Saul en Philips de Tweede of tussen David en prins Willem allebei verschillen op te noemen. En zeker gaan we fout als we uitgaande van deze vergelijking prins Willem een davidische onaantastbaarheid toekennen als gezalfde des Heren. Dat was ook Marnix' bedoeling niet toen hij deze regels maakte. Maar wat was dan wèl zijn bedoeling? Toen de christenen in de dagen van Constantijn de Grote (4e eeuw) in rechtstreekse zin politieke verantwoordelijkheid kregen te dragen - ik schreef daarover iets in het nummer van 30 december van het vorige jaar - tilden ze daar zo zwaar aan dat ze niet enkel op hun eigen verstaan durfden af gaan bij het doordenken van deze nieuwe taak. Ze zochten naar de wil van hun God. Maar ze constateerden dat het Nieuwe Testament hen daarbij grotendeels in de steek liet.
Dat sprak wel over de overheid, maar niet als rechtstreeks betrokkene.
De overheid is in het N.T. een 'zij', niet een 'wij'. Romeinen 13 bijvoorbeeld hield aan de christenen de plicht van gehoorzaamheid aan de overheid voor, maar sprak niet de overheid zèlf aan op haar verantwoordelijkheden.
Om een voorbeeld uit een verwante sfeer te nemen: het N.T. houdt aan christenslaven de plicht van gehoorzaamheid voor, maar verzuimt niet, ook de heren in het vermaan te betrekken (zie bijv. Ef. 6: 5-9). Dat ontbreekt in Rom. 13. Ik zeg daarmee niet, dat het N.T geheel kritiekloos tegenover de overheid staat. Ik denk aan Johannes de Doper tegenover Herodes Antipas (Marcus 6: 18) en aan Paulus voor Felix (Hand ..
24 : 25) en dat Jezus Herodes een vos gescholden heeft (Luc. 13: 32) zegt in dit vetband ook wel wat.
Maar dit zijn geen critieken die een politiek meedenken tot achtergrond hebben, Toen de overheden, tot de keizer zelf toe, in de kerk onder het gehoor kwamen te zitten, zoals er in de begintijd naast slaven ook (enkele) heren in de gemeente zaten, toen deed er zich voor de verlkondiging en de catechese een nieuwe vraag voor: wat zeggen we tegen deze broeders? Hoe rusten wij hen toe voor hun taak? En dat waren vragen waarop het N.T. geen antwoord gaf. En ook niet kon geven, Want die situatie had zich niet voorgedaan. Daarom sloeg men in die nieuwe situatie het Oude Testament met een nieuwe verwachting op. Dáár immers vond men wat men zocht: Goddelijke aanwijzingen door de mond van Mozes, David en Salomo van hoe er geregeerd moest worden. En hoe het niet moest - daarover kan men de profeten raadplegen.

Hier ziet u dus wat bij mij op de achtergrond staat, als ik voor een doorlichting van onze politieke situatie naar de bijbel en met name naar het Oude Testament grijp. Natuurlijk is dat O.T. geen politiek handboek, niet voor staatkunde en niet voor krijgskunde. Het gaat meer om een zoeken naar beginselen en het vinden van analogieën. Wanneer bijvoorbeeld Mozes ordeningen (door) geeft t.a.v. de reinheid in de legerplaats (Deutr. 23 : 9-14), dan ligt het voor de hand dat een christen-politicus (ook) daarnaar luistert wanneer hij zich over problemen van milieuhygiëne buigt, al zal hij aan de concrete bepalingen, daar gegeven, niet veel hebben. Zo kan men verder vermoeden, dat aan . de wetgeving op 't gebied van bedrijfsveiligheid (ook) een bijbels denken ten grondslag ligt, dat zich liet inspireren door het voorschrift uit Deutr, 22 : 8: "Wanneer gij een nieuw huis bouwt, dan zult gij aan uw dak een borstwering malken, opdat gij geen bloedschuld over uw huis brengt, als iemand eraf valt." Inhoudelijk is voor ons deze bepaling niet zo bruikbaar, niet zozeer omdat wij geen platte daken hebben, maar omdat die bij ons sociaal gezien heel anders functioneren.
Maar er va:lt een leerzaam beginsel uit af te lezen. Daarom ben ik er ook niet zo van ondersteboven, als drs G. schrijft: "Ik neem aan dat ds De Jong niet graag voor zijn rekening zou nemen, dat in onze tijd vrijstelling van- dienst wordt verleend aan hen, die pas een nieuw huis gebouwd hebben (Deutr. 20: 5), een wijngaard geplant (vs. 6), die pas zijn veP100fd (vs. 7), en aan allen die bevreesd zijn en week van hart (vs. 8)".
Rustig aannemen, zou ik zeggen. Maar ik zou wel erg gelukkig zijn met een vrijstellingsbeleid, dat humaan durft te zijn, "omdat de Here evengoed door weinigen kan verlossen als door velen" (1 Sam. 14: 6; de prachtige opmerking is van prins Jonathan die een knap veldheer was). Inderdaad staat op de achtergrond van de aandoenlijk humane vrijsteliingsbepalingen van Deutr. 20 een sterk Godsvertrouwen (Deutr. 20: 4). Dit sterke Godsvertrouwen moest ook ten aanzien van de bewapening een matiging tot gevolg hebben. De koning mocht niet veel paarden houden (Deutr. 17: 16), iets waar Salomo zich niet aan schijnt te hebben gehouden (1 Kon. 10: 26 en 28, 29). Maar typisch, 'niet veel paarden het paard en ook de strij wagen waren voor Israël de ongekende, nieuwe wapens, zie Richt, 1: 19 - is niet hetzelfde als 'geen paarden'. Israël zei vanuit zijn Godsvertrouwen niet nee tegen moderne wapens. Wel bespeuren wij een tendens tot matiging en doelgerichtheid. David ging de reus tegemoet met een slinger, 'geen zwaard was in zijn hand', maar toch was de slinger niet zoiets als een kinderkatapult; het was een erkend strijdwapen. zie bijvoorbeeld Richt.
20 : 16. Als bewijs voor die tendens van doelgerichtheid haalde ik in de toelichting op mijn stellingen Deutr. 20 : 19 en 20 aan. Ik ben het met drs G. eens dat het concreet toepassen van deze bepalingen moeilijkheden oplevert.

Hoofdzaak van wat ik nu heb willen zeggen is dat mijn bijbelgebruik niet willekeurig is en dat er goede reden is om het O.T. bij politieke problemen ter sprake te brengen. Overigens ben ik daarover nog niet uitgesproken.
Want er moet een vervolg op komen. Het O.T. immers levert niet zomaar op onhistorische wijze allerlei aanwijzingen over het politieke leven, maar het vertelt van een geschiedenis die ergens op uit loopt. En over dat waarop het uitloopt, moeten we het een volgende keet hebben.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief