Zending en opwekkingsbeweging (3)
1978-02-24
- Jaargang 22
- nummer 8
Gaven
We hadden het in een vorig artikel over 'gaven'. Hoe lezen we de Bijbel daarover? Zijn gaven constante grootheden die overal op dezelfde wijze te verwachten zijn? Zo dikwijls wordt de stand van het geestelijk leven van de gemeente gemeten aan het aanwezig zijn van bepaalde gaven, terwijl het de vrucht van de Geest is naar Gal. 5 : 22 als vriendelijkheid en liefde en vrede die de thermometer is van de gemeente. In 1 Corinthiërs 12 valt het op hoe juist de verscheidenheid van gaven en werkingen in spreiding en intensiteit naar Gods beoordeling, benadrukt wordt. Dit noopt al tot de conclusie dat wel het ontbreken van de vrucht van de Geest maar niet het ontbreken van de gaven van de Geest schuldig stelt voor God.
Het lijkt alsof er een zekere relatie bestaat tussen de apostelen en het voorkomen van gaven. Paulus noemt de apostelen, met Christus als hoeksteen, het fundament van de kerk samen met de nieuwtestamentische profeten (Ef. 2: 19-20). Samen met het eenmalige fundamentleggende werk van Christus vormt het daaraan getuigenisgevende werk van de apostelen de enige grondslag van de gemeente. Dat begin kon niet overgedaan worden. Dat gebeurde maar eens. Wat Timotheus deed en Titus en wij kan niet meer fundamentleggen genoemd worden. Op dat eens gelegde fundament metselt de Heilige Geest verder aan de muren die gevormd worden door de gelovigen. Ze zijn de stenen. 1 Petrus 2 : 5.
De specifieke gaven nu waarover vandaag zoveel discussie bestaat, staan toch wel in een vaste relatie tot die . eerste, onherhaalbare tijd van fundamentleggen. Gaven en apostelen horen bij elkaar. Niet in die zin dat slechts apostelen de macht hadden bijzondere werkingen in de gemeente te verrichten maar wel in die zin dat in die specifieke begintijd waarin Christus en de apostelen de grondslag van de gemeente legden, de gaven zo rijkelijk vloeiden als later niet meer het geval was. Worden spectaculaire gaven niet genoemd "de tekenen van een apostel"? (2 Cor. 12: 12). De apostel van Christus werd geacht zich te legitimeren met tekenen en wonderen.
Dat is gebeurd in Corinthe maar dat was toen Paulus zijn tweede brief schreef blijkbaar al achter de rug.
Het lijkt alsof we met een terugebben van het voorkomen van die speciefieke gaven te doen hebben in de pastorale brieven. Paulus heeft Timotheus ziek in Milete moeten achterlaten. Bezat hij de gave van genezing niet langer? Vond de Heere voortdurende legitimering niet langer nodig? Paulus schrijft aan Timotheus een huismiddeltje voor zijn maagklachten.
Het lijkt alsof na het apostolische begin de kerk in kalmer vaarwater is aangeland, zonder de opzienbarende gaven van het begin. Maar we moeten ons ervoor hoeden tussen de Bijbelse tijd van fundament leggen en de onze een theologische wering tegen gaven aan te leggen alsof de theologie zou vaststellen wanneer gaven mogen voorkomen en wanneer niet. Dat is wel gebeurd, en niet in het minst in Gereformeerde kringen.
Soms vindt de Heere het in Zijn wijsheid nodig om opnieuw wonderbaarlijke gaven te verlenen als legitimatie van zijn knechten, als een verlate 'overflow' of overloop van de apostolische tijd. Of misschien als een vervroegde overloop van de toekomende tijd, van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Er zijn nu eenmaal hier en daar als verlate of vervroegde overlopen bijzondere werkingen van de Geest van Christus. Er waren er op Timor, in Canada, in Korea en elders. En welke zendeling weet niet van bijzondere verhoringen en onverwachte genezingen? En op elk zendingsveld - in het bijzonder daar waar schriftloze volken zijn - gaan verhalen rond van dromen die op bekeringen uitliepen en waar de Heere Zelf de hand in had. Hoeveel zwarte predikers in Afrika worden niet tot hun dienst geleid door middel van dromen?
Wat we verwerpen
We zullen altijd moeten blijven protesteren wanneer ons de noodzaak wordt aangepraat van een nieuwe uitstorting van de Heilige Geest, een nieuw Pinksteren, omdat we daar zonder geen werkingen van de Heilige Geest zouden kunnen verwachten. Ik kan het niet nalaten hier het kostelijke beeld te noemen dat de nu wel grotendeels vergeten Ds H. J. de Groot in zijn onvergetelijke prekenbundel "De Vrolijke Wetenschap" ons naliet.
Hij vergelijkt het onherhaalbare Pinkstergebeuren met de intocht van de nieuwe commissaris der koningin.
Muziekcorpsen en bereden politie.
"Hij houdt intocht omhangen met ridderorden. Maar de volgende morgen wandelt een vreemdeling, eenvoudig gekleed door dezelfde straten. Niemand bijkans groet hem. Het is de nieuwe landvoogd, op weg naar zijn departement. Durft nu waarlijk iemand zeggen dat hij heden minder gezag en macht heeft dan gisteren? Hij heeft de tekenen niet van gisteren.
Doch hij heeft ze ook niet nodig. De feestelijkheid is voorbij. Nu neemt hij zijn werk ter hand." (blz. 235- 236).
Verder verwerpen we enige dwang die op ons uitgeoefend zou kunnen worden om specifieke wonderen te moeten doen als blijk van Christus' aanwezigheid. Theologisch zit het vandaag in de lucht om het Evangelie geloofwaardig te maken. De moderne theologie wil ons leren dat waarheid iets is dat men waar maakt. (Dr Sölle). De verificatie van elk theologisch gegeven is in de daad gelegen. Op dezelfde wijze wordt het verificatiecriterium van het werken van de Geest in het doen van wonderwerken neergelegd. Ik ben te weinig theoloog om hier van werkelijke beinvloeding van moderne theologie te durven spreken maar dat er overeenstemming is staat vast. Zoals we in een vorig artikel gezien hebben, komt die krampachtige dwang om gaven te moeten hebben voort uit een verkeerd lezen van de Bijbel. Als het waar zou zijn dat de Heere niet bij ons is door Zijn Geest omdat geen wonderen gebeuren, dan hebben we een streng en zuinig God. De bewegingen die waarlijk authentieke wonderen te zien hebben gegeven zijn schaars. Onder tientallen volken is nog nooit zoiets aanschouwd.
Dan heeft God zijn kinderen de eeuwen door wel behoorlijk afgescheept.
Maar ik lees dat we een milde Vader hebben die rijkelijk schenkt en in al onze behoeften naar zijn rijkdom in Christus heerlijk voorziet. De vraag komt weer terug wat we als Christenen in de gemeente mogen ver- , wachten. Een Christen behoort nimmer met de status quo tevreden te zijn.
Hij protesteert tegen onrecht, hij twist met God als Job, en rusteloos keert hij zich tegen allerlei zondige toestanden. Maar hij is zich er tegelijk van bewust dat er een nog-niet-dimensie door het Christelijk leven heenloopt en dat hij een vreemdeling en bijwoner op aarde is. Paulus moest maar verder aantobben met zijn doorn in het vlees, de engel des satans die hem met vuisten sloeg. Een Christen zit nu eenmaal ingeklemd tussen de wal van deze aarde en het schip van de hemel, of naar het woord van Noordmans (dat ik pas las): hij is te laat voor deze aarde en te vroeg voor de hemel.
We kunnen het heilig ongeduld dat we in opwekkingsbewegingen waarnemen, waarderen maar de nog-ni et-dimensie wordt uit het oog verloren; alsof de Christen er recht op heeft om genezen te worden en met allerlei gaven omringd te worden. Ik zou als zendeling met een paar maanden hopeloos overspannen raken wanneer ik gedreven werd door het geloof in de noodzaak van wonderdaden.
Wanneer ik Christus zó zou moeten waarmaken. En wanneer ik mij zó in de heidenwereld zou moeten legitimeren, zou ik het opgeven. Want ik zou me op zijn best af en toe eens kunnen legitimeren, en dan nog gedeeltelijk. Maar God heeft ons niet gezonden om wonderdaden te verrichten maar om het Evangelie te verkondigen. "Gaat dan henen, maakt al. de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, en leert hen onderhouden al wat ik U bevolen heb". En wat de belofte betreft dat Christus daarin met ons is, al de dagen, het' staat aan Hem te bepalen hóe Hij daarin me ons is, met of zonder specifieke gaven. Wat we tenslotte verwerpen in veel van deze bewegingen is - wat ik zou willen noemen ~ de onttakeling van de mens. Ik kom daar later nog op terug. Nu dit: het is me in het boek van Dr Koch weer opgevallen dat menselijke overwegingen en overleggingen een steeds mindere rol gaan spelen en dat daarentegen een steeds sterker beroep wordt gedaan op inspraak van boven, op directe leiding van God zonder dat de mens als mens daar verder aan te pas komt. Vele voorbeelden zouden hiervan te geven zijn. Hoe vromer iemand wordt, des te meer God het van hem overneemt en zijn zelfstandig beslissen uitschakelt.
Zonder maar in het minst ingrijpen en leiding van God te willen uitschakelen, vraag ik me toch af of de Bijbel ons leert of hier werkelijk van een diepere vroomheid sprake is.
Wanneer we spreken van afhankelijkheid van de Heere bedoelen we dan een steeds toenemende uitschakeling van onze menselijke potentie? Is het Gods bedoeling om van de mens een robot te maken? Het behóort tot het heidense klimaat om als mens door de godheid uitgeschakeld te worden.
Ik sluit dit artikel af met een citaat van A. A. van Ruler dat te vinden is in de prachtige studie van Prof. J. P. Versteeg: "De Geest en de Gelovige": "Wat de Heilige Geest doet, heeft altijd de gestalte van wat de mens doet. Zijn onfeilbaarheid vertoont daarom al de Fragwürdigkeit (welke ook echt een waardigheid is!) van de mens. Zijn onfeilbare leiding van de kerk door de eeuwen geschiedt daarom op de manier van de menselijke verantwoordelijkheid. Als de Geest aan de gang is, is de mens als mens aan de gang. Hij moet verantwoording afleggen van wat hij zelf en van wat dus daarin de Geest doet.
Pneumatologisch moet de mens zich rekenschap geven van het werk van God, dat hij zelf verricht" (p. 9-10).