Gereformeerd Kerkboek?

1978-02-24
  • Jaargang 22
  • nummer 8
We zeiden al dat een psalm zowel uit tekst als melodie bestaat; uit die beide.
Over de melodieën zullen we later nog wel spreken. Over de tekst zouden we graag dr C. Rijnsdorp het woord geven. Niet omdat we ons geen oordeel kunnen vormen - maar omdat na deze gezaghebbende stem de onze overbodig is. "Wie van sterke taal houdt", zo schreef Rijnsdorp in 'Organist en Eredienst', juli 1976, "kan de stelling poneren: elke psalmberijming is psalmverkrachting en dus tevens Schriftverkrachting" .

"Wil men het gematigder zeggen, dan kan het oordeel zó luiden: elke psalmberijming doet de psalmen geweld aan en daarmee ook de Schrift. Poëzie uit het Midden-Oosten, ontstaan tegen de achtergrond van oude, vergane culturen, in andere landschappen en onder een andere hemel dan de onze, in een vroegere bedeling van Gods openbaring, poëzie die nauw verbonden was met de taal en de ademhaling van de zingende mens uit die tijden, wordt op het Procrustusbed gelegd van strofische poëzie naar het ideaal van de renaissance, in gelijke mootjes gesneden op maat en rijm. Het is diezelfde westerse geest, die op het gebied van de techniek apparaten heeft uitgevonden, waaruit precies gelijke plakjes rollen.

Hier zit het oorspronkelijk kwaad van elke psalmberijming, die bovendien, gebonden als ze is aan de bestaande melodieën, daardoor nog extra in haar bewegingsvrijheid wordt belemmerd.

Daarbij komt nog, dat wat voor de Israëliet onder de oude bedeling realiteit was: tabernakel, tempel, offerdienst, gezette feesttijden. vandaag alleen figuurlijk en van het Nieuwe Testament uit kan worden gebruikt. Realiteiten verbleken tot beeld, en de stoute beeldspraak, soms opeenstapeling van beelden zoals in psalmen met dithyrambisch karakter, wordt in de strofische poëzievorm plat-, zo niet lamgeslagen."

Met excuus aan dr Rijnsdorp en aan alle lezers die het al begrepen hebben, enkele opmerkingen. Er bestaat namelijk een afspraak tussen onze redacteuren: dat we alle ongewone woorden hebben te vertalen, om niemand van onze lezers te bezeren. Procrustus dan was volgens een Griekse sage een rover in Attica, die, voordat hij door Theseus gedood werd, reizigers overviel en op een bed stond; staken hun ledematen er uit, dan werden ze gedeeltelijk afgehakt; waren ze korter dan het bed, dan werden ze tot de lengte van het bed uitgerkt. Met dit beeld is duidelijk: aan de psalmen wordt ergerlijk geweld gedaan, wanneer ze in strofen, coupletten, worden berijmd. - Dihyrambisdi wil zeggen: vurig, door vervoering bezield; en dan zeggen we het nog netjes.
"De achttiende eeuwse, vroege romantiek protesteerde al tegen het classicistische ideaal en na de eerste wereldoorlog ontstond er een serieuze strijd tussen de voorstanders van het vrije en het gebonden vers. Sindsdien is in de dichtkunst nauwelijks meer vorm terug te vinden, om van het rijm maar te zwijgen. Cultuurhistorisch, theologisch en poëtische kan tegen het zingen van berijmde psalmen een requisitoir worden opgesteld.

Natuurlijk kan daar iets tegen worden ingebracht. De westerse mens is niet bij geval zoals hij is, en als Gods openbaring ook voor hem geldt, mag hij die op zijn wijze interpreteren zo goed hij kan. Bovendien staat de kerk wil in een cultuur, maar tegelijkertijd terzijde van alle culturen. Zij mag in haar eredienst gerust elementen, die op zichzelf verouderd zijn, conserveren. En nu de kerken van reformatorische snit toch liturgisch al zo weinig erfgoed bezitten, zou het bijna letterlijk 'zonde' zijn, de traditionele psalmmelodieën niet meer te gebruiken.
Vandaar de nieuwe psalmberijmingen."
Bij romantiek denken we het meest aan die (kunstzinnige) uitdrukkingsvorm, welke gevoel en verbeelding doen spreken. Bij classicisme echter aan die stroming, welke naar Griekse en Romeinse stijlvormen wil teruggrijpen; uitgebalanceerde cultuur, die desnoods aan ons gevoelsleven en onze fantasie voorbijgaat. Requisitoir = tenlastelegging.

"Met het woord "Schriftgetrouw" dient men evenwel voorzichtig te zijn. Als 'traduire' (vertalen) al het gevaar loopt van 'trahir' (verraden), hoeveel te meer geldt dit gevaar voor berijmen. Zoveel mogelijk naar de letter berijmen garandeert nog niet dat men tevens naar (ie geest berijmt. Natellen, of het woord God of Heer in de berijming wel evenveel voorkomt als in de 'Unterlage', is een kwantitatieve getrouwheid, die tenderen kan naar het 'Here, Here-zeggen, dat voor Jezus niet beslissend was. Berijmen is nivelleren, aanlengen en aanpassen.

Dat brengt naar de inhoud eigen theologische elementen, en naar de vorm een eigen taalgebruik mee. Komt er een echte herdichting uit de bus, des te beter.

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt binnen verband) hebben gemeend de interkerkelijke psalmberijming in haar geheel af te (moeten) wijzen. Aan het tot stand komen van die berijming heb ik zelf van 1955 af tot de voltooiing toe meegewerkt, zij het niet als berijmer. Op de vergaderingen waren een tot soms drie erkende hebraici aanwezig, filologen die konden beoordelen of de dichterlijke bewerking aan de grondtekst voldoende recht deed. Professor Gisperi's hoogste lof was: 'het kan wel', een welbewust 'understatement', dat aantoont hoe serieus de zaak bekeken werd, Dat deze berijming, in vele gevallen herdichting, tot stand gekomen ook na uitvoerige bestudering en kritiek uit de deelnemende kerken of haar vertegenwoordigers, kritiek die minutieus werd onderzocht en meer dan eens aanleiding' heeft gegeven tot nieuwe herdichting, bij de vrijgemaakten zonder meer onder het oordeel valt, is tekenend. Het is de consequentie van een exclusieve opstelling op alle gebied, het neerlaten van een psalmodisch gordijn op de eigen groep van de anderen af te schermen."

Even een opmerking als het mag. Dat de woorden traduire en trahir oorspronkelijk op dezelfde wortel stoelen moge ons bijblijven. Men kan iemand zo vertalen dat men hem verraadt; iemands woorden zo weergeven, dat hij zich genomen voelt. Het is de bekende zonde tegen het negende gebod. In dit verband herinneren we ook aan het oud-Franse woord artisan, dat oorspronkelijk een man aangaf 'bekwaam tot zijn werk'; maar dat later gesplitst werd in vakman en kunstenaar. Bij het berijmen van psalmen nu moeten vakman en kunstenaar weer in hetzelfde lichaam huizen.

Waar het uitgangspunt van deputaten was: een selectiebundel samen te stellen, was de Interkerkelijk Stichting meteen van de baan: aangezien die alleen haar hele bundel, geen selectie eruit, ter beschikking stelde. Toch heeft dr Rijnsdorp gelijk. De vrijgemaakten hadden de gehele bundel kunnen aanvaarden en daar een selectieve lijst van aanbevolen psalmen aan toevoegen. Daarmee zouden ze de materiële eenheid met de reformatorische kerken niet behoeven te verbreken.
Nu ze deze mogelijkheid als ongeschikt verwierpen haalden ze zich het oordeel op de hals: dat onze kerken (nu ja, onze) zich' uitzonderlijk opstelden en de relaties met andere christelijke kerken niet wensten!

"En zo hebben zij gekozen tegen een berijming, die de vrucht is van deskundig en veelzijdig 'teamwork' en voor een die een eclectisch karakter draagt, literair ongetwijfeld zwakker en met onderling duidelijke' stijlverschillen. De berijmers hebben immers los van elkaar gewerkt; ze hebben elkaar niet kunnen kritiseren en inspireren. Het enige goede is, dat zij, voo rzover zij nog leven, met gemengde gevoelens kunnen constateren dat van hun inspanningen althans nog iets is terecht gekomen.

Mij is gevraagd iets over deze berijming te schrijven. Na mij zo vele jaren in detailwerk te hebben verdiept, kan ik op mijn leeftijd niet meer het geduld opbrengen voor, en veel kostbare tijd besteden aan een minutieuze studie. Ik beperk mij tot enkele kanttekeningen bij dingen, die mij onder het lezen zijn opgevallen. Ik doe dit geheel onbevangen, want ik ben er mij heel goed van bewust, dat geen enkele berijming meer de kans krijgt, die 1773 heeft gehad, namelijk - zij het voor een deel - het geestelijk bezit te worden van vele generaties."

"Psalm 2. Zoals Psalter-1949 (ds H. Hasper) zijn derde strofe beëindigt, krijgt de koning de volken ten erfdeel om ze als aardewerk in stukken te slaan. De notie van mogelijke bekering ontbreekt hier, zoals trouwens ook in de interkerkelijke berijming (IKB). De berijming-l773 laat die mogelijkheid omslachtig open. Zijn de volken eenmaal verbrijzeld, dan kunnen zij zich niet meer bekeren; een bekering, waarop in het slot van de psalm wordt aangedrongen. In de geest van deze psalm lijkt mij 'mogen' beter dan het onverbiddelijke 'zullen'.

Psalm 5. 'Maak Gij uw heilsweg vlak en wijd'. Hier moest gerijmd worden op 'gerechtigheid'. De basistekst is hier aangelengd en verzwakt.
'Maar juichend zullen zich verblijden / wie jubelend met U gaan'. Juichen schijnt dus een hogere vorm van jubelen te zijn. De woorden juichen en jubelen behoren tot de gevaarlijkste bij elke psalmberijming.
Ze roepen trouwens geen enkele levende voorstelling meer op.
Psalm 6. 'Dof werd mijn oog door al mijn wenen - ook heeft wat ik moet lijden mijn ogen zeer verzwakt'. Het woord 'ook' is volkomen misplaatst. Is dof worden van het oog al niet een verzwakking?

Psalm 7. 'Baart hij slechts leugen, onheil, nijd'. Hoe kan men die komma' s op kwartnoten zingen? Vers 6 etaleert een onevenredige hoeveelheid medeklinkers in verhouding tot de klinkers: een opvallende eigenaardigheid bij Hasper.

Psalm 8. 'daar ook een staam'lend lied, dat van U zingt / al, wie vijandig is, tot zwijgen dwingt'. Nogal ingewikkeld voor vloeiende zang; bovendien: kan stamelen zingen heten?

Psalm 9. 'Gij hebt de rechterstoel bestegen, / uw dreigen klonk de volken tegen'. Dit laatste woord, tegen, in vers 3, krijgt door zijn plaats een onnatuurlijke nadruk. Omkering van deze regels zou al een verbetering zijn. De berijmer dient steeds voor de anticlimax (de terugval) op zijn hoede te wezen; als het even kan moet de sterkere regel achter de zwakkere komen. Vers 4: 'van d'aarde weggevaagd hun steden, / hun namen, die ons sidd'ren deden' vormt eveneens zo'n anticlimax.
Na het wegvagen is er voor sidd'ren geen plaats meer. Het wegvagen ná het sidderen zou sterker van werking zijn. Lelijk zijn in vers 9 ook de regels: 'Hij kan het dagen niet vergeten / der armen onder 't kruis gezeten'. Onder een kruis zitten is gemakkelijker dan een kruis torsen.
Het woord 'gezeten' krijgt zo'n nadruk, dat men deze gezeten armen bijna zou verwarren met gezeten burgers. Ook hier blijkt, dat Hasper de echte literaire 'feeling' miste. In zijn eigen stijl had hij beter kunnen schrijven: 'Zijn armen onder 't kruis gezeten? God kan hun klagen niet vergeten'. Want op dat niet-vergeten komt het aan.

Psalm 13. 'Hoe lang houdt Gij nog keer op keer / uw aangezicht voor mij verborgen?' Iets wat lang aanhoudt kan niet 'keer op keer', afwisselend dus, gebeuren. Hier moest natuurlijk weer op HEER worden gerijmd. Jammer dat in onze taal dit woord zich zo gemakkelijk voor rijmen leent.
Vers 3: 'Als 'k wankel is zijn vreugde groot'. Weer een voorbeeld van Hasper' s neiging om onevenredig veel medeklinkers te gebruiken. Had hij geschreven: 'Zo 'k wankel is zijn vreugde groot' zou het al veel beter hebben geklonken.

Psalm 14. 'De mensen breken uit in gruweldaden / zij allen zijn bedreven in het kwade'. Hier, bij ds G. A. Hoekstra, ook weer zo'n anticlimax: eerst wordt de actie genoemd, daarna de potentie. Beter zou zijn: 'De mensen zijn bedreven in het kwade / zij breken telkens uit in gruweldaden'. Dit brengt nog het kleine voordeel mee, dat de lettter 'n' achteraan komt."

Wij hebben dr Rijnsdorp aan het woord gelaten en zullen dat een volgend keer nog weer moeten doen. Reeds nu willen wij erop wijzen dat zijn oordeel meestal niet over goed of kwaad - maar over mooi of lelijk gaat. Niemand zegge meteen: dan valt alles wat mee, er wordt dus geen valse leer ingevoerd.
Bij deze psalmzang gaat het niet om valse leer - maar om ons lofoffer, de 'varren der lippen'. Die moeten, als in de oudtestamentische tijd, onberispelijk zijn. Gods oordeel gaat niet alleen over goed en kwaad - maar evenzeer over mooi en lelijk, over lieflijk en welluidend, of 'getier uwer liederen'.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief