Geven en vergeven
1978-03-10
Deze week wordt weer overal een gebedsdienst gehouden voor het gewas. Wat ouderwets genoemd: bidstond voor het gewas. Soms met de toevoeging: " ...en arbeid", Die toevoeging lijkt mij niet zinvol. Ik begrijp wel hoe ze ontstaan is. Er zijn in veel gemeenten geen boeren meer; of slechts enkele, en heeft het dan zin om de gemeente samen te roepen voor een gebedsdienst voor het gewas? In de radio- en tv-gids van de N.C.R.V. vertelt de predikant uit Molkwerurn, die in de gebedsdienst van woensdag voorging, dat zijn gemeente wel opkomt, omdat men daar nog vrij dicht bij de natuur leeft.- Jaargang 22
- nummer 10
Dit is onnozel. Niet van die predikant, maar van de mensen, die, in andere plaatsen, geen belangstelling hebben voor zo' n dienst, omdat ze niet meer bij de natuur leven. Elk kind weet immers, dat wij eten van het land. Dat er in de gemeente geen boeren zijn, is dan ook geen reden om niet voor het gewas te bidden.
We houden trouwens geen bidstond voor de boeren, maar voor het gewas.
Ik heb het eens meegemaakt, dat een paar boeren, na de dienst in de kerkenraadskamer, zeiden, dat de dankstond bijzonder veel zin had gehad, dat jaar, want ze hadden een goed jaar gemaakt.
Dat was natuurlijk niet de bedoeling van de dankstond, om te danken voor de goede prijzen. Wij komen niet samen om te danken voor de boeren, maar om samen met hen te danken en 'te bidden voor het gewas. En wanneer we afkondigen: bidstond voor gewas en arbeid, dan raken we de oorspronkelijke zin van de gebedsdienst kwijt. Het gaat in zo' n dienst niet om industrieel werk, of om al het andere werk, in handel en diensten, maar om wat er groeien moet, als wij leven willen. Van de boeren zou je kunnen zeggen, dat zij van de Here de opdracht hebben: "Geeft gij hun te eten", maar het gaat dan niet om hun inkomsten, noch om de inkomsten van anderen die werken, maar om de opbrengst van het land. De uitzending van br. Ter Maat naar Soemba is een heel aparte, een concrete gebedsdienst voor het gewas.
Amos was 'een schapenfokker in Judea en hij had wat tuinderij. Hij heeft de bui zien hangen. Hij profeteerde daarvan, "Er zal op alle pleinen rouwklacht zijn en op alle straten roept men: Ach! Ach! Men roept de landman op tot rouw, er is een dodenwacht en een dodenklacht in de wijngaarden, een mislukte oogst, de pest woedt. De Here zegt: Ik ga door uw midden heen."
Die uitdrukking kom je nóg eens tegen. De Here ging ook eens door het midden 'der Egyptenaren heen.
Hij sloeg toen atle eerstgeborenen. De uitdrukking betekent dus: De Here komt op je af. Niet om te helpen, maar dreigend.
Wanneer de profeet niet gesproken had, was er misschien niemand geweest die de bui zag aankomen. Het leek een rustige tijd. In de eerste regels van Amos' boek staat, dat hij gesproken heeft in de dagen van Uzzia, koning van Juda en inde dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël. Die jerobeam was een flinke kerel uit het huis van Jehu. Hij had het Noordelijk rijk de wijde grenzen teruggegeven, die het had ten tijde van David. Er staat dan ook in II Koningen 14, dat de Here verloste, door Jerobeam, de zoon van Joas. Zo was hij een helper voor Israël. In Amos 1, 1 staat er dan bij, dat de woorden van Amos gesproken zijn, twee jaar voor de aardbeving.
Een aardbeving zie je niet aankomen, die is er plotseling. Deze aardbeving moet een nationale ramp geweest zijn. De profeet Zacharia komt later nog eens terug op die aardbeving.
"Gij zult de vlucht nemen, wals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van juda". Het leek rustig, onder het bewind van Uzzia en Jerobeam II, en de aardbeving was er nog niet geweest. Tóen sprak Amos. Hij zei, dat de Here er dreigend aan kwam. Terwijl niemand dit verwachtte. Het volk was tevreden met zichzelf, ook wat zijn godsdienstigheid betreft. "De Here is met ons" (5,14).
Wanneer de Dag des Heren komt, zal deze enkel licht zijn en geen duisternis (5, 18). Ze zijn niet bang voor de komst des Heren en ze zien niet in, dat dan slechts een restant van Israël behouden zal worden, zoals een herder het lapje van één oor van het schaap redt uit de muil van de leeuw (3, 12). Dat stukje oor is dan gered, maar het schaap is wél dood! De gerichten van de Here zullen vernielend gaan over Israël en over de volken rondom Israël.
Hoe reageert Amos er zélf op? Dat is heel in het kort te zeggen. Hij zegt het oordeel niet alleen maar aan; hij bidt. “Here, HERE, houd toch op! Hoe zal Jakob staande kunnen blijven?", Dezer dagen zal men:ige "zware"
dominee de zonden des volks breed uitmeten want er is overal afval en goddeloosheid. Maar het heeft niet veel zin om dat uitvoerig te doen. De goddelozen zijn toch niet in de kerk, tijdens de biddag voor het gewas en de mensen, die wel in de kerk zijn, weten beter dan hun dominee, hoe erg het is. Zij zitten immers elke dag een poos in de kantine en horen de gesprekken. Er is slechte praat te horen 'en er is onder het valk weinig kennis van het Evangelie en weinig v.erlangen naar een nieuw leven, dat puur is en heilig. Er zal gepreekt worden van Gods gerichten die over de aarde zullen gaan, doch wij moeten maar doen als Amos. In ons bid-uur kunnen we maar het beste bidden, en 'wat minder preken. Bidden voor ons volk, en voor het Russische volk, het Indiase, de Indonesische stammen, de Amerikanen, de Afrrikanen.
Ons gebed is niet voor onze portefeuille en voorraadkast, en ook niet voor iets onder de kurk, maar een gebed om eten en drinken en vooral om vergeving. Want wanneer de Here niet ophoudt, zoals Amos zegt, dan zal de honger over ons komen en de dorst. En wie zijn dan de dupe?
De zwaksten in de samenleving. De rijken vinden er wel wat op. Maar de armen, de oude mensen, veel kinderen en de dieren, zij hebben niets om te ruilen en zij hebben geen reserves. Zij hebben geen appeltje voor de dorst. "Here, HERE, houd toch op!" (Amos 7, vers 2 en vers 5).
Maar dan wordt in preek en in gebed een moeilijk punt ons niet bespaard.
Er is iets, waar je zo gauw geen antwoord op weet. Wanneer wij uitroepen: "Here, vergeef! Here, houd toch op!" zou het dan niet kunnen gebeuren, dat God antwoordde: "Maar Ik ben niet begonnen! Ik ben nog niet eens met mijn gerichten begonnen; jullie doen het zèlf, jullie vernielen en vervuilen Mijn schepping!"
Ja, wat zou je daarop moeten zeggen. Het is waar. Over actiegroepen zijn we meestal nogal geïrriteerd. Wanneer ons verteld wordt dat het drinkwater opraakt en de energie en dat de ozonlaag vernietigd wordt, dan denken we dat het overdreven is en we zullen later we -weer zien. Daar kunnen wij ons mi nog niet druk over maken. En die ontwikkelingshulp spreekt ons ook niet zo erg aan, je weet immers niet waar ons geld dan terecht komt. Er waren zeer velen in het land, die er op wachtten, dat nu eindelijk eens niet alleen maar actiegroepen, maar het vó1k, via zijn vertegenwoordiging, de Tweede Kamer, op één punt, nl. dat van de neutronengranaat, eens zeggen zou, dat het zó niet langer kán. Ook die hoop is vervlogen. De mannen, die tegen de motie van het CDA stemden, hebben met bidstond voor het gewas, dit jaar, misschien 'Weleven wat moeite. Trouwens, wie niet? De vierde en de vijfde bede zitten aan elkaar vast. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef!