De Charismatische Beweging

1978-03-10
  • Jaargang 22
  • nummer 10
De redactie heeft me gevraagd het op 18 maart a.s. te houden verhaal over de Charismatische Beweging enigermate bij u te introduceren. Ik wil dat graag proberen. Hieronder volgen enkele punten die als leidraad kunnen dienen.

1. Onder de Charismatische Beweging verstaat men gewoonlijk een later opgetreden meer binnenkerkelijke variant van de klassieke Pinksterbeweging, In Amerika word dan ook wel de naam Neo-pentecostalism gebezigd.
Voor onze bespreking acht ik een scherpe formele afbakening van beide grootheden niet van groot belang, al zullen de verschillen wel worden genoemd. De behandeling dient zich te concentreren op de totaliteit van deze machtige beweging die zijn kracht (ook: aantrekkingskracht!) vindt in het poneren van een dirècte Godservaring en -Geestbeleving in een tijd die door de God is dood thematiek wordt beheerst!

2. De Charismatische Werkgemeenschap Nederland stelt zich ten doel "Christenen van alle kerken en groepen aan te moedigen de vervulling met de Heilige Geest te ontvangen... ". In deze doelstelling komen enkele zaken naar voren die bij alle variatie toch typerend zijn voor de totaliteit van de beweging die ons nu bezighoudt.

a. Centraal staat de gedachte van de vervulling met de Heilige Geest (ook wel Geestesdoop genoemd) op een soortgelijke wijze als de eerste christenen op de Pinkster dag de Geest hebben ontvangen (Hand. 2). Met de Geest ontvangt men dat tevens de Geestesgaven, de charismata (Rom. 12: 6-8, 1 Kor. 12 : 8-11, 1 Kor. 12 : 28·31...).

b. Uit het feit dat men christenen wil áánmoedigen de vervulling met de Geest te ontvangen blijkt dat deze vervulling zakelijk en feitelijk dient te worden onderscheiden van de begiftiging met het geloof. De vervulling met de Geest is een volgend punt op de heilsweg die de christen heeft te gaan.

3. In de klassieke Pinksterbeweging werd zakelijk de gedachte verworpen, dat de Geest bij zijn vervullingswerk zou aanknopen bij lijnen die in iemands voorgaande levensgeschiedenis (door kerkelijke vorming e.d.) reeds waren gelegd. Men had weinig of geen gevoel voor wat we kontinuïteit zouden kunnen noemen.
Vandaar nieuwe organisaties, àndere leiders... een antithetisch contrapunt tegenover de bestaande kerken. Deze continuïteitsverwerping heeft zijn diepste gestalte in het ontbreken van het Verbondsbesef en in de felle aanval op de Kinderdoop!

4. In de Latere ontwikkeling is een variant opgekomen die gewoonlijk met de benaming Charismatische Beweging wordt aangeduid. In deze beweging heeft men veel meer continuïteitsgevoel.
De Geest trekt in zijn vervullend werk de lijnen die in de voorgaande levensgeschiedenis, In kerkelijke vormingen traditie en ( eventueel) in theologische vorming reeds voorhanden waren tot volheid door.
Men ziet dan ook geen massale kerkverlating meer, maar een optreden in gebedskringen, samenkomsten en conferenties die alle concurrentiekarakter
tegenover de bestaande kerken zoeken te vermijden en gaarne gebruik maken van de diensten van kerkelijk erkende ambtsdragers. Van antithetisch contrapunt komt het - zo hoopt men – ook oecumenisch verzamelpunt. Overigens overdrijve men dit continuïteitsbesef met. Ten aanzien van Verbond en Doop heeft het zijn doorwerking niet of nauwelijks gekregen.
Ook dient de kritische vraag naar de wèrkelijke oecumenische waarde van de beweging te worden gesteld!

5 De zakelijk-feitelijke onderscheiding tussen begiftiging met gèloof en Geestvervulling - zie punt 2b - is zeer aanvechtbaar en slechts met een soort uitlegkundige geweldpleging staande te houden. Men stelt dan bijv. een stuk van de heilsgeschiedenis (tussen Hemelvaart en Pinksteren) model voor de wijze waarop elkeen alle tijden door deel moet krijgen aan het volle heil... een exemplarisering van de geschiedenis! Juist zulk een niet te funderen interimsperiode wordt gemakkelijk een inval spoort voor ongenode gasten, waaronder wij een wetticistische dwanggeest en een verpsychologisering door toepassing van de methoden der psychotechniek als mogelijkheden zouden willen noemen.

6. De stelling dat de gemeente van nu over dezelfde buitengewone Geestesgaven moet kunnen beschikken als bijv. die van het oude Korinthe is te verwerpen. Hier wordt de regering van Christus door zijn Geest op een soort starre monorail gezet, waarbij de Geest de gevangene wordt van zijn eigen uitingen en gaven. In feite levert een dergelijke stelling mijns inziens een soort charismatische pendant van de verheffing van het Leerambt bij Rome en van het Confessionalisme in de protestantse orthodoxie.

7. De stelling dat de Geest de kerk door zijn bijzondere gaven door de eerste moeilijke tijd heeft heen geholpen maar dat Hij die bijzondere hulp gestaakt heeft bij het klaarkomen en de verspreiding van het Nieuwe Testament bevat elementen, die men stellig niet mag verwaarlozen, maar is toch in zijn absoluutheid onaanvaardbaar. Ze is mijns inziens een zuivere contrastelling van de onder 6 genoemde ... van dezelfde systematiserende signatuur… een tégenpool in één en het zelfde vlak.

8. De gedachte dat de aard en de intensiteit van de verleende charismata mede in verband zou moeten worden gebracht met de religieuskulturele horizon van de desbetreffende tijd en plaats verdient mijns inziens voorzichtige overweging.

9. Van eminent belang is uiteraard de wijze waarop de apostel Paulus met name in 1 Kor. over de Geestesgaven spreekt.
Toetssteen voor de èchtheid van enig charismatisch gebeuren is voor hem het door hem verkondigde evangelie van Jezus als Heer (1 Kor. 12 : 3; 1 Kor. 14: 29, 1 Thess. 5 : 19-21).
Ten aanzien van het recht gebruik van de Geestesgaven stelt hij als criterium dat dit gebruik heeft te strekken tot het welzijn van àllen en dan nog met een speciale toespitsing op het kleine en zwakke in de gemeente (1 Kor. 12 : 7, 12-31...; vgl. de praktische toepassing van dit beginsel in 1 Kor. 14: 26-33...).
Paulus verwijt de Korinthiërs met nadruk hun vleselijk omgaan met de Geestesgaven waardoor het tegengestelde wordt bereikt van hetgeen de Geest bedoelt (1 Kor. 12: 15, 21, 1 Kor. 4 : 8...)!

10. Te wijzen is verder nog op enkele zaken die niet in direct verband met de Geestesgaven worden genoemd.
Wat is er te verwachten voor de gemeenschap wanneer de Geest in alles de verheerlijking van Jezus als Heer beoogt, terwijl deze hoofdbedoeling wordt bedreigd vanuit de loochening van de opstanding der doden (1Kor.
15: 12-34)?
Wat is er te hopen voor een gemeenschap waarin de Geest bij al zijn werk het welzijn van àllen op het oog heeft, terwijl het Avondmaal door een harde polarisatie op sociaal vlak wordt ontheiligd (1 Kor. 11 : 17-34)?

11. Het komt me voor dat een weloverwogen en ernstige toepassing
van de paulinische criteria ook vandaag een betere benadering waarborgt dan een oordeel bij voorbaat. Aan een ernstige kritiek op de Charismatische Beweging - haar vooronderstellingen, haar '"binnenkerkelijkheid", haar oecumenische image - zal het daarbij niet kunnen ontbreken.

12. Zelfkritiek behoort bij de kerk overigens óók niet te ontbreken! Vóór de Reformatie kwamen charismatische verschijnselen en zelfs bedieningen voor, maar de manier waarop de ambtelijke hiërarchie leiding, sacrament, genade en Geest onder de eigen beschikking gesteld en de christenen tot leken had gereduceerd kon toch niet anders werken dan als een kwalijke ontwenningskuur waarin de heiliging van gaven en krachten aan de Here en het gebed om de kracht daartoe niet in het blikveld verscheen.

13. De Reformatie heeft een grote sanering gebracht. Veel kwaad is echter gesticht door het feit dat Geest en Geestesgaven veelal op een brutale wijze door doperse stromingen werden geclaimd en uitgespeeld tegen Woord, ambtelijke orde en kerkelijke inrichting. De reformatorische concentratie op het Woord kon, hoezeer zij ook positief te waarderen valt, dat Woord nogal gemakkelijk als een logisch-rationele tegenpool gaan opstellen tegenover de gevreesde "doperse" emotionaliteit. Piëtisme en bevindelijkheidsgodsdienst treden op hun beurt weer als reactie op en verraden mede de engestilde honger naar Godservaring. Pool en tegenpool, actie en reactie ... kiemen van separatisme, elitehouding en andere ongezonde bijverschij nselen van geestelijke polarisatie!

14. Er moet veel gebed zijn om een prediking die zo wordt gebracht èn zo wordt gehoord dat er maar niet alleen informatie óver God overkomt maar dat in het Woord de Spreker zèlf wordt gehoord en de presentie van de Here wordt ervaren.
Wanneer dat gebed wordt verhoord, dan mag ook verwacht worden dat de Geest krachten van hart, hoofd en hand activeert en heiligt aan de Here tot arbeid voor het Koninkrijk en tot opbouw van Christus' Lichaam. Ik denk o.a. aan een toenemende aktiviteit en betekenis van kringen van lofzegging en gebed, van bijbelstudie en van hulpbetoon... Het bizondere ambt zal zulk een ontwikkeling positief dienen te begeleiden en ervoor zorg hebben te dragen dat deze activiteiten erkenning vinden als wézenlijk kerkelijke verrichtingen (zie bijv. Hand. 12: 5, 12; ook 17 voor het ontbreken van bizon der gekwalificeerde personen!) ! Wanneer broeders en zusters, die naar de begeerte van hun hart elkander zoeken, de indruk houden, dat ze zich daarmee toch eigenlijk buiten het erf van de strikte kerkelijkheid begeven, dan zouden wij er aan schuldig staan dat het wieltje van Piëtisten, Nadere reformatiechristenen, Gezelschapsvromen, Pinksterbroeders in polariserende trant nog eens wordt omgedraaid!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief