Uit genade zalig worden

1978-03-10
  • Jaargang 22
  • nummer 10
Eén van de moeilijkste dingen voor de gelovige is wellicht het geloof in de genade van God. Want geloven in genade houdt in: uit die genade willen léven, van die genade alles verwachten voor vandaag, morgen en straks.
Er zijn mensen die menen dat het geloof in Gods gen~de een gemakkelijk geloof is. Je hoeft dan immers niets meer te dóen ! En dat is vaak onze moeite. We willen zo graag wat doen. We willen ons geluk zo graag zelf bewerken. We willen de zaligheid graag zélf verdienen.
Vandaar dat die wetgeleerde uit Lukas 10 aan de Here Jezus de vraag stelde: Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Wat moet ik doen?
Móet ik naar de Kerk? Als U denkt dat U dán beslist wel zalig zult worden, kunt U misschien net zo goed thuis blijven. Móet ik de bijbel lezen? Als U denkt dat op die manier God U Zijn genade wel zal schenken, kunt U het misschien net zo goed laten.
Moet ik dit of moet ik dat? We móeten niets in die zin dat we zelf een steentje moeten bij dragen voor onze zaligheid. Zo'n geloofeen geloof dat iets wil dóen om zalig te worden - is niet anders dan vroom egoïsme.
Gelóven is echter wat anders. Geloven is iets zoeken buiten jezelf.
Geloof is God zoeken. Ik zoek U met mijn hart…, zo zegt de Psalmist het tegen God, Ik zóek U. Ik wil bij U zijn. Ik wil U kennen. Waarom? Omdat ik U liefheb, omdat ik van U houd. En waarom houd ik van U? Omdat U me bevrijd hebt, verlost hebt, genade geschonken hebt.
Wat moet ik dóen om zalig te worden? De Here Jezus zet de dingen in een ander verband.
Hij vertelt de geschiedenis van die arme zwerver die tussen Jeruzalem en Jericho aan de kant van de weg komt te liggen nadat hij is beroofd. En dan ziet hij ze voorbijgaan: die priester en die leviet.
Beiden wilden ze misschien ook wel erg graag iets doen om zalig te worden, iets doen om zich zelf te redden. Maar iets voor die arme stakker doen was er niet bij.
Hém gingen ze voorbij. Toen ze hem zagen, kónden ze iets doen, maar ze deden niets.
Misschien waren ze wel zo druk met zichzelf bezig dat ze het niet de moeite waard vonden die man te helpen. Dat kán. Zo druk bezig zijn met jezelf, met je familie, met je kerk, met van alles en nog wat zonder echt iets te doen voor een ander! Wat moet ik doen? De Here Jezus zegt dat we God én onze naaste moeten liefhebben.
En in de geschiedenis van die arme stakker laat de Heiland duidelijk zien dat we de naaste moeten zijn.
Die priester en die leviet waren niets voor die stakker, zij betekenden niets voor hem, zij lieten hem stikken in zijn narigheid. Die Samaritaan was anders. Die was barmhartig. Had hij van Jezus gehoord en van Diens barmhartigheid? Er is niets in de bijbel dat recht geeft voor die veronderstelling. Maar hij was wel barmhartig. Hij had misschien nog nooit de vraag gesteld wat hi-j moest doen om zalig te worden. Maar hij deed wel iets, niet voor zichzelf maar voor een ander, niet voor zijn eigen behoud maar voor het behoud van een ander.
Wie veel met zichzelf :bezig is ziet de nood van een ander niet.
Wie slechts bezig is met het behoud van zichzelf, kan niets meer doen om een ander te behouden.
Wie om een ander niet geeft kan geen barmhartigheid bewijzen.
Vroom egoïsme ken leiden tot moord. Die priester en die leviet waren zó vroom bezig dat ze die arme man langs de weg rustig lieten doodgaan. Nog één misverstand moet opgeruimd. Je kunt ook in je helpen van een ander met jezelf bezig zijn. Zelfs in het helpen van je naaste kun je iets willen dóen. Jezus wijst echter een uitnemender weg, de weg van de oprechte liefde voor God en mens. God loven en voor de ander het behoud zoeken. Was die Samaritaan een gelovige? Over die vraag kun je eindeloos debatteren. De bijbel zegt er niets over, maar het ligt eigenlijk voor de hand dat hij een ongelovige was.
Maar desondanks was hij barmhartig. Dat kán dus ook. Om te onthouden. En zie ze vooral als je ze tegenkomt: barmhartige ongelovigen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief