Beoordeling van literatuur (4)

1979-05-18
  • Jaargang 23
  • nummer 20
Ook deze keer ga ik een verhaal bespreken. U krijgt eerst een tamelijk uitvoerige weergave waarin veel letterlijk wordt geciteerd zodat u de sfeer kunt proeven. Voor alle zekerheid zeg ik alvast dat dit verhaal mijns inziens niet geschikt is voor ál te jeugdige lezers.

Witte chrysanten
Dit is een verhaal van Jan Siebelink uit zijn bundel: Nachtschade (1975).
Ik vond het in Bulkboek no. 68. Het is ook opgenomen in een nieuwe uitgave van Wolters-Noordhoff: Sombere Pennen.
De inhoud: De "ik" is een jongen van zeventien jaar, leerling van een kweekschool. Zijn vader heeft een kleine blomkwekerij en één van zijn klanten is de winkelier Van M., die ik maar kortweg aan zal duiden als en sadist. Omdat zijn vader geen klanten kan missen, moet de ik het wel ondergaan dat hij volkomen onnodig uren lang door Van M. wordt opgehouden. De ik haat hem dodelijk! In zijn fantasie wenst hij Van M. een afschuwelijke dood toe.
Maar op het moment van mijn wraak bedacht ik dat zijn blindheid of dood voor ons allen minder inkomsten zouden betekenen en het was voor vader in die tijd toch al moeilijk genoeg om in de moordende concurrentiestrijd het hoofd boven water te houden.
Daarom vleit hij Van M., hij veinst bewondering voor diens zaken talent en voor zijn grote verdiensten. Herhaaldelijk wordt de ik gedwongen de grote hoeveelheden geld te tellen die van M. in zijn portefeuille heeft.
Hij had een breed lichaam en het straalde een krachtige wil uit. Hij was midden veertig. Getrouwd met een bleekzuchtige, zeer magere vrouw. Ze stond altijd in de opening van de keuken die uitkwam op de winkel. Altijd speelde om haar mond een zwakke, ziekelijke glimlach. Om haar hing een atmosfeer van kwijning. Nog zie ik voor me hoe ze toen schuin achter me stond en me aanraakte. "Kom vanavond, jongen, vanavond is de ploert er niet."
Ze hadden geen kinderen.
Over de vader van de ik: Hij was het liefst op de kwekerij. Hij werkte hard en mediteerde onder het verspenen over Issachar, de gebeende ezel of over de rechtvaardiging door het geloof. Van nature was vader niet somber, maar het was de Veluwse godsdienst die met haar uitgeteerde, magere . armen mijn vaders vrolijke gevoelens had afgekneld.
Zakelijk inzicht heeft zijn vader absoluut niet. Het was zijn eer te na met "monsters" langs de winkels te leuren. "Als ze uit zichzelf niet willen komen", zei hij, "dan valt daar niets aan te doen, dan moet het maar zo zijn." Hij was diep religieus en verwachtte niets vna mensen. "Stelt op prinsen geen betrouwen", zong hij zondagsmorgens alom acht uur in de kamer, terwijl ik in bed lag met een morele kater van een alweer teleurstellend verlopen kweekschoolfeestje.
De ik helpt zijn vader zo veel mogelijk, hij weet af en toe bestellingen te krijgen en brengt de planten dan met de bakfiets naar de stad.
's Avonds studeerde ik. Mijn vader waardeerde mij. Eén keer heeft hij het openlijk tegen mij gezegd. "Jij bent altijd een goede zoon geweest", zei hij. Er stonden tranen in zijn ogen. Het was de tweede keer dat ik mijn vader zag huilen.
Eind oktober krijgt vader een bestelling van Van M. (Telefonisch, waarbij Van M. zoals gewoonlijk de ene vloek op de andere laat volgen.) Vader en zoon pakken samen zorgvuldig de bestelde chrysanten in: "Zo mooi als dit jaar heb je ze nog nooit gehad", zei ik. "Het is pure kwaliteit."
We hadden er allebei plezier in. We spraken niet zo veel. We wikkelden ze in kranten op de inpaktafel. "Laten we er maar een dubbele krant omheen doen", zei hij nog, "ik zou niet graag zien dat de bloemblaadjes zouden lijden van de vorst. Ze zijn erg teer en worden gauw bruin." Van boven speldden we de kranten dicht. We zetten ze in kisten. Ertussen deden we houtwol en proppen kranten, dan stonden ze steviger. Ik reed de bakfiets uit de loods, plaatste de kisten erin. Vier kisten met elk tien planten. Ze brachten, als het mee zou vallen, misschien twee gulden per stuk op. Het zou een mooi bedrag worden. Vader kleedde zich goed aan: jas, pet en oorwarmers. Voor hij wegging, stak hij een sigaartje op. Hij was opgewekt. Hij lachte tegen mij. Zijn lichtblauwe ogen waren vol vertrouwen.
Moeder kwam nog kijken toen hij wegreed ...
Een uur later, onderweg naar school, ziet de ik zijn vader: op weg naar huis. Van de bakfiets woeien flarden krantepapier, natte slierten blijven aan de zijkant kleven. De planten stonden zo maar in de kisten, hun breekbare bloemen en bladeren blootgesteld aan wind en regen. Een enkele leek nog in de haast te zijn ingepakt. Ik stak de weg over. De meeste stelen waren gebroken, de bloemtrossen hingen er verregend bij. Ik keek hem aan. In zijn ogen stonden tranen. Ik zei niets. Na een hele tijd zei hij, terwijl de auto's langs ons heen reden en het harder was gaan regenen, met windvlagen er tussen door: "Ik had ze allemaal al uitgepakt. Er waren veel klanten in de winkel, en toen greep hij één van de chrysanten, hij beurde hem op aan de bloem, ze brak, de pot viel, de zwarte aarde lag op de grond en daartussen de rode scherven. "Donder op", riep hij, "donder op met de hele rotzooi, weg met die vuile kleretroep, ik ben geen vuilnisboer ... ! De mensen lachten, toen heb ik alles weer ingepakt, ik heb de kisten zelf weer op de bakfiets moeten laden, ze deden nog niet de deur voor me open als ik er met de zware kist naar toe liep ... " "En de vrouw?" zei ik. "Ik weet alleen dat ze in de deuropening van de keuken stond, zoals altijd". "Zei ze wat?" drong ik aan. "Nee, ze zei niets, ze lachte ook, geloof ik, maar ze heeft er zich niet mee bemoeid."
Ik heb me naar hem toegebogen en hem op het voorhoofd gekust. Ik ben met hem teruggereden. 's Avonds is er niet over gesproken. Hij las aan zijn bureau in Thomas à Kempis "Navolging van Christus". Hij sloeg de bladzijden niet om; ik keek over zijn schouder, ik zag dat zijn blik bleef rusten op punt twee van hoofdstuk acht: "Wens slechts met God en zijn Engelen gemeenzaam te zijn en vermijd kennismaking met mensen."
Ook daarna is er nooit meer over gesproken.
De zoon heeft dit nooit vergeten. Jaren later, zijn vader leeft al niet meer, hoort hij dat Van M. ook overleden is. Eerst had hij een hersenbloeding gehad, maar daarvan herstelde hij enigszins. Zijn onderlichaam bleef evenwel verlamd en hij moest zich met een invalidenwagentje voortbewegen.
"Op een keer, waarschijnlijk deden zijn remmen ht niet, is hij op een tractor ingereden. Een gladde stang is in zijn voorhoofd gedrongen. Hij was direct dood."
Ik heb mij beheerst, maar ik kon wel juichen.
De zoon is opgetogen over het fei tdat Van M. zo aan zijn einde is gekomen.
Hij komt dronken thuis. De volgende morgen ben ik vroeg opgestaan. Mijn hoofd was doorregen van streepjes hoofdpijn. Ik heb bloemen op zijn graf gelegd. Witte chrysanten.
Maar ik heb ze eerst murw getrapt.
De volgende keer hoop ik een poging tot analyse te doen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief