De twee interviews
1979-05-18
Een jeugdige lezer vindt het jammer dat ik geen commentaar gaf bij de interviews van Vredeling en Rietkerk waaruit ik onlangs enkele gedeelten in deze rubriek overnam.- Jaargang 23
- nummer 20
Ik deed dit met opzet, het is wel eens goed om een ander te laten meelezen zonder meteen je woordje klaar te hebben, het is ook wel eens goed om naar anderen, ook naar andersdenkenden, te luisteren zonder meteen met een weerwoord te komen.
Toch wil ik er nog wel iets van zeggen.
Opvallend vond ik dat Vredeling zei uit te gaan van "de volstrekte boosaardigheid van de mens". Als gereformeerd mens denk je dan meteen aan dat bekende antwoord uit de Catechismus dat we van nature geneigd zijn om God en onze naaste te haten. En dus kun je dan concluderen dat Vredeling het geloof van zijn ouders nog niet geheel ontrouw is geworden.
En zo hebben we het dan weer keurig voor elkaar.
Maar als Vredeling in zijn omgeving constateert dat de mens geneigd is tot veel kwaad en dat dagelijks om zich heen ziet, zijn wij, nette kerkelijke mensen, dan geneigd om hem dat na te zeggen?
Dat we in onze keurige gereformeerde kerkelijke wereld zien en ontdekken dat er veel geneigdheid is tot kwaad? Dat is nogal wat.
Of ik dan geen kritiek heb? Zeker wel. Want Vredeling houdt duidelijk op waar hij moet beginnen. Als hij het tegen een boel mensen wil zeggen dat ze hun geloof niet moeten afweren omdat ze dan niet weten waar ze dan terecht komen, dan erkent hij meteen zijn eigen armoede. Want dat weet hij zelf eigenlijk ook niet. Ook het socialisme is voor hem geen vervanging van zijn geloof. En al zegt hij tenslotte dat hij harmonie zoekt in de samenleving in plaats van dishormonie, dat hij graag meusen gelukkig ziet in plaats van ongelukkig, dat kan ieder dan met hem eens zijn. Maar God blijft buiten het gezichtsveld. Die is hij kwijtgeraakt, ook al zegt Jezus hem nog wel iets.
Rietkerk had het in het interview over een rolpatroon waar hij in zijn jeugd inzat en waar hij niet doorheen kon breken. 't Is goed om dat serieus te nemen. Want hebt u dat rolpatroon nog nooit ontdekt?
Misschien wordt het dan hoog tijd.
Want hebben we als vrijgemaakten niet in zo'n rolpatroon gezeten en zijn veel vijftigers van vandaag niet in dat Tolpatroon groot geworden.
We moeten dat maar niet ontkennen.
We kunnen wellicht alleen maar dankbaar zijn dat dat rolpatroon ons niet van God heeft verwijderd. Dat is geen verdienste maar genade.
Moeten we het Rietkerk niet toegeven dat we als gereformeerden vaak in "een te eng kader" hebben gewerkt?
Of ik dan geen weerwoord heb aan Rietkerk? Jawel. God is voor hem het volmaakte, "in die zin voel(t) (hij zich) nog zo godsdienstig als wat". Maar is God voor Rietkerk ook dé Volmaakte. Dáár gaat het om. Want zoals Vredeling het zocht in de richting van het socialisme, zo zoekt Rietkerk het in de richting van het liberalisme. En daarin vinden ze elkaar tenslotte. Want ten diepste is er bij de socialist en de liberaal voor God als dé God geen plaats.
Kritiek is niet zo moeilijk te leveren.
Maar wat doen we met de vredelings en de rietkerks die vandaag zo'n vijftien, zestien, zeventien jaar zijn. Die vraag is belangrijker dan de vraag om kritiek op wat Vredeling en Rietkerk zeggen.
Wat doen we aan het rolpatroon waarin veel jongelui zich gevangen voelen?
Wat doen we voor de jongens en meisjes die stikken in de vragen, die met hun gedachten afdwalen tijdens een preek die hen niets zegt?
Wat geven we mee aan de jeugd die de starheid van veel nette gereformeerde mensen niet verdragen kunnen?
Wat vertellen we aan de verbondskinderen die Gods verbond en woorden niet herkennen in het kerkelijk leven waarin ze verkeren?
Vredeling en Rietkerk deden het verkeerd.
Dat is wel duidelijk.
Want wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen en alleen wat gedaan wordt uit liefde tot Jezus houdt stand.
We hebben ons antwoord aan hen wel klaar.
Maar ons antwoord aan de volgende generatie, hoe staat het daarmee?