WEES GIJ MIJN UITZICHT
1979-05-25
Enige tijd geleden schreef me een lezer -uit het verre Westen aan. Die wi1de een Engels kerklied onder mijn aandacht brengen. Hij is er zelf zo door geïmponeerd, dat het als een schat in zijn leven meegaat. En hij wenste dit lied met mij "te delen".- Jaargang 23
- nummer 21
Daar deel ik graag in mee. Ik ken het lied - we zingen het hier ook - en ook ik word er telkens door getroffen. Als ik kans zie speel ik het wel na de dienst, nu en dan. En ik geloof dat onze lezer gelijk heeft wanneer hij vraagt, dit lied eens onder uw aandacht te brengen.
Het is inderdaad een lied van een bizonder stempel. En het verwondert me, dat helt niet in het Liedboek is opgenomen; daar zou het zeker in gepast hebben. Is het dan nog niet voor Nederlands gebruik klaargemaakt, de kennismaking zal ook u vermoedelijk bevallen.
Het lied tromt in de tweede uitgave van het Church Hymnary onder nr. 477 voor, in de 3e uitgave onder nr. 87. De tekst is oorspronkelijk Iers en naamloos. In het Celtic zijn de beginwoorden Rob tu mo Bhoile, a Comdi cride. Dat zegt u waarschijnlijk niets. Het lied is omstreeks 1900 vertaald door Mary Byme en berijmd door Eleanor Hull: twee dames, die alleen door dit lied in de auteurslijst van de Hymnary zijn gekomen. De componist is eveneens anoniem, maar de melodie heeft wel een naam: die heet de Slane en is uit Ierse overlevering opgetekend.
We hebben dus ongetwijfeld met een zeer oud volkslied te maken, dat aan "Child in a manger" doet denken. Laat me u hieronder de Engelse tekst mogen geven - en daarnaast een poging tot vertaling van onze lezer uit het verre Westen:
BE THOU MY VISION
Be Thou my vison,
o Lord of my heart;
naught be all else to me
save that Thou art.
Thou my best thought,
by day or by nigbt,
Waking or sleeping,
Thy presence my light.
WEES GIJ MIJN UITZICHT
Wees Gij mijn uitzicht,
o Heer, Gij alleen;
zinloos is 't leven
dat leidt langs U heen;
wees Gij mijn overdenking
bij dag en bij nacht,
wakend of slapend,
wees Gij mij een wacht
Be Thou my wisdom,
Thou my true word;
I ever with Thee,
Thou with me, Lord;
Thou my great Father,
I Thy true son;
Thou in me dwelling
and I with Thee one.
Wees Gij mijn wijsheid,
mijn licht meer en meer;
dat 'k steeds in U blijv'
en Gij in mij, Heer;
Gij trouwe Vader,
ik ben toch Uw kind,
in Uw eeuwige armen
voor eeuwig bemind?
Be Thou my battleshield,
sword for the fight
Be Thou my dignity,
Thou my delight,
Thou my soul's shelter,
Thou my high tow'r:
Raise Thou me heav'nward,
o pow'r of my pow'r.
Wees Gij mijn pantser,
mijn zwaard in de strijd;
wees Gij mijn alles,
mijn heerlijkheid;
schuilplaats voor 't leven,
mijn burcht in de nacht,
leid mij ten hemel,
o kracht van mijn kracht.
Riches I heed not,
nor man's empty praise;
Thou mine inheritance,
now and always:
Thou and Thou only,
first in my he art,
high King of heaven,
my treasure Thou art.
Rijkdom bekoort niet,
noch ijdele eer;
Gij zijt 'mijn erfdeel
voor immermeer;
Gij en alleen Gij,
de eerste in mijn hart,
koning der hemelen,
Gij zijt mijn schat!
High King of heaven,
after victory won,
may I reach heaven's joys,
o bright heav'ns Sun!
Heart of my own heart
whatever befall,
still be my vision,
o Ruler of all.
Koning der hemelen,
nu de zege is behaald,
geef dat Uw glorie
ook mij eens omstraalt;
blijf Gij mijn uitzicht
in 't eind van de tijd,
koning der eeuwen,
o mijn heerlijkheid!
Omdat een lied, zeker een kerklied, uit woorden plus een melodie bestaat, volgt hieronder ook de melodie:
De eerste opmerking die u wellicht zult maken luidt: moet dat nu in de ik-vorm? Is dit een persoonlijke geloofsbeleving - en geen gemeenschappelijk belijden? Is het een lied voor de kerk of voor de binnenkamer?
Inderdaad is in kerkliederen soms een neiging tot personalisme te vinden; een egocentrische, zo niet egoïstische instelling, die de vreugden van het heil-in-Christus voor zichzelf tracht te houden. Dat is niet geeond en de personalistische belijder onttrekt zich aan de gemeenschap der heiligen.
Met alle gevolgen daarvan.
Maar dat personalisme kenmerkt zich altijd door een ongezonde vreugde in God; een vreugde namelijk, die niet klopt met het Woord. We spreken dan wel van mysticisme: een religieus genieten met uitsluiting van anderen.
Maar daarvan is hier geen sprake. Wat deze dichter in de ik-vorm belijdt is alles zuiver naar de Schrift. Dat mogen de broeders zien en horen.
Ze worden er zelf zingende bij betrokken. En de ik-vorm komt in de psalmen zelfs vaak voor: is, daar altijd namens de gemeenschap aan het woord. Zoals ook onze geloofsbelijdenis begint met "Ik geloof in" - in tegenstelling tot de Lutherse belijdenis: "Wir glauben all".
Een tweede opmerking die u zult willen maken (en als u het niet doet, wil Ik het wel doen) is, dat dit lied op een hoge toon klinkt. Het is in extase gedicht, De dichter is zo vol van zijn liefde tot de Heere, dat hij de schoonste beelden gebruikt om zijn stamelingen vorm te geven.
Daar is toch niets tegen? Vroeger zei een predikant in Haarlem wel eens: we mogen gerust gèk zijn met onze Heere God. Dat klonk weinig deftig maar het was spontaan en goed. Als wij de deugden van onze huisvrouw bezingen doen we dat ook niet in cerebrale betoogtrant - maar spontaan en oprecht. Dan moeten we onze hemelse Vader ook maar kinderlijk en blij onze hartelijke liefde toezingen - Hij is het waard! En geen diepvriesliefdesliederen alstublieft.
Nog een laatste opmerking als het mag. Dit lied is een oude Ierse hymne, een liefdeslied. Het is op een oude Ierse melodie gezet een liefdesmelodie.
Het is een lied van verlangen: om geheel voor onze hemelse Vader te leven, geheel door Hem te worden verzorgd en geborgen, voor deze tijd en voor de eeuwigheid. Het is het gebed van een, die alles wil missen om zijn Vader te mogen behouden. Die van alles afziet, om tot God op te zien. Die hongert en dorst naar gerechtigheid en die verzadigd zal worden met zijn Goddelijk beeld.