JEREMIA
1979-05-25
Angst voor mensen- Jaargang 23
- nummer 21
Zedekia durft niet op het kompas van, God te varen. Hij vertrouwt alleen zijn eigen waarnemingen. Hij breekt het gesprek erover tamelijk abrupt af en stapt over op een ander punt. Ook daarbij wordt hij weer gedreven door zijn angst voor mensen.
Hij is bang dat de vorsten, zijn ministers, erachter zullen komen wat hij met Jeremia besproken heeft.
Dat zou funest kunnen zijn voor Jeremia.
Maar ook voor hemzelf zou het erg vervelend zijn. Het zou zijn positie bij de vorsten verzwakken.
Daarom zegt hij: laat tegenover niemand iets los over dit onderhoud, over wat we met elkaar besproken hebben. Natuurlijk komen de vorsten erachter, dat Jeremia bij de koning geweest is. Dat kan niet verborgen blijven. Zij hebben ook hun inlichtingendienst.
Dat beseft Zedekia maar al te goed. Hij weet dat ze straks bij Jeremia zullen komen en hem zullen vragen: wat had jij de koning te vertellen?
Of: wat had de koning jou te vertellen?
Dat laatste maakt duidelijk, dat Zedekia niet alleen bezorgd was voor Jeremia, maar ook voor zichzelf. En hij geeft Jeremia opdracht om dan te zeggen: ik heb een verzoek aan de koning gedaan om alsjeblieft niet weer naar het huis van Jonathan teruggebracht te worden. Want dat zou mijn dood betekenen.
Wat de koning verwachtte, gebeurt.
Jeremia wordt onder bedreiging ondervraagd.
Hij geeft precies het antwoord dat de koning hem had opgedragen.
En dat heeft het gewenste resultaat.
Ze komen niets te weten en laten Jeremia verder met rust.
We moeten ons hier het hoofd maar niet breken over de vraag of en hoe zwaar Jeremia bij deze gelegenheid heeft gelogen en of Jeremia daar wel goed aan gedaaIi heeft. De Schrift stelt deze vragen ook niet. Volgens bijbelse maatstaven doet Jeremia hier niet iets dat de HERE veroordeelt.
Als dit verkeerd was, zou de HERE zichzelf ook aan iets dergelijks schuldig gemaakt hebben. In 1 Sam. 16 krijgt Samuël de opdracht David tot koning te zalven. Maar Samuël durft dat niet. Hij is bang dat Saul ervan hoort. En dan zegt de HERE: als de mensen je vragen wat je komt doen, zeg dan maar dat je een offer komt brengen. En in Joh. 7 wordt iets dergelijks van Christus zelf verteld. Zijn broers gaan naar Jeruzalem voor het Loofhuttenfeest. Ze zeggen tot Jezus: ga met ons mee. Hier in Galilea valt niets te bereiken. Daarvoor moet je in Jeruzalem zijn. En dan zegt Jezus: Ik ga niet naar dit feest. Maar als zijn broers goed en wel vertrokken zijn, gaat Jezus toch, in het geheim.
Wat Jeremia doet, ligt in dezelfde lijn. We kunnen de vraag of dat wel in de haak is, gewoon buiten beschouwing laten. Waar het hier om gaat, is dit: wie niet op het kompas van Gods Woord vaart, wordt heen en weer geslingerd door vrees voor mensen.
Die vrees bepaalt dan zijn doen en laten.
Angst voor mensen. Christus heeft gezegd: wees niet bevreesd voor hen die wel het lichaàm doden maar de ziel niet kunnen doden. Wees veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel (Matth. 10: 28). Daar had Zedekia niets van begrepen, omdat hij het Woord van God niet vertrouwde.
Want dat is een voorwaarde voor een leven zonder vrees voor mensen. Alleen wie God en zijn Woord vertrouwt, kan met David zeggen: Op God, wiens Woord ik prijs, op Jahweh wiens Woord ik prijs, op God vertrouw ik - ik vrees niet. Wat zou een mens mij aandoen (ps. 56 : 12)?
JEREMIA 39: 1·14 en 40: 1·6 Verloren zaak
Anderhalf jaar heeft het beleg van Jeruzalem door de Babyloniërs geduurd, met een korte onderbreking toen het leger van Nebukadnezar even van Jeruzalem wegtrok om het leger van de farao af te schrikken.
Anderhalf jaar is een lange tijd voor een beleg. Op het laatst is de voedselpositie dan ook zeer precair. Brood is al een tijdje niet meer te krijgen (37 : 21), althans niet voor de gewone man (52 : 6), die immers altijd het eerst de dupe wordt. Als het zover gekomen is, is de situatie wel erg nijpend. Dat is het begin van het einde.
Toch is Jeruzalem niet gevallen als gevolg van de honger. De Babyloniërs slaagden er op een gegeven moment in met behulp van de belegeringswallen en belegeringswerktuigen een bres in de stadsmuur te slaan.
Vaak hadden de steden in die tijd een dubbele muur. Je zou dat kunnen vergelijken met de dijken langs de rivier.
Vaak bevindt zich achter de eerste dijk nog een tweede, de slaper, die alleen maar wakker wordt en in functie komt, als de eerste het begeeft.
Zo was het ook bij die steden. De buitenmuur moest de grote stoot opvangen.
Maar als deze muur het begaf en de vijanden door de bres naar binnen stroomden, konden de bewoners zich achter de tweede muur terugtrekken en daar verder weerstand blijven bieden. Dan was er wel een stuk van de, stad prijsgegeven, maar toch was alles dan nog niet verloren.