Zo was het (28)

1979-05-25
  • Jaargang 23
  • nummer 21
Het was niet zo, dat men in Voorthuizen en omstreken nergens anders over sprak dan over een eeuwig besluit van verkiezing en verwerping.
Dat was wel het geval in kringen van "zware godsdienstigheid". Over het a!gemeen waren de mensen, ook van de kerk, nogal zwijgzaam als het ging over geloofszaken zal ik maar zeggen. Over verkiezing en verwerping werd zelfs weinig gesproken. Men had er een zekere angst voor. Het was alsof er in de buurt een bord stond met het opschrift: Levensgevaarlijk!
Zoals we hier en daar zien in de buurt van hoogspanningskabels. Men vond het maar een raadselachtige zaak, "zwaar om te verstaan". Sommigen zeiden, dat verkiezing en verwerping behoorden tot de "verborgen dingen voor de HERE, onze God". Dat zou in elk geval gelden voor dat zo "eeuwig besluit van verkiezing en verwerping". Men durfde er eigenlijk met over praten. Maar ondergronds, zal ik maar zeggen, woekerde er wel een zekere angst over de vraag of men wel verkoren was en of men mogelijk tot de verworpenen behoorde. Men kon het toch maar nooit met zekerheid weten.

Terwijl de Schriften ons leren, dat allen, die oprecht geloven behoren tot "een uitverkoren geslacht". Gelovigen mogen weten en moeten weten: "God heeft óns in of door Christus uitverkoren". Om nu verder op de lauweren te rusten in zalig nietsdoen? Welneen, maar "om heilig en onberispelijk te zijn voor Gods aangezicht". Anders gezegd: "om onze roeping en verkiezing te bevestigen" door een leven in de vreze Gods!

Bij velen leefde wel de onuitgesproken angst voor de mogelijkheid tot de verworpenen. te behoren. Terwijl de Schrift ons leert dat God alleen verwerpt wie Hem verworpen heeft. Saul wordt als koning verworpen, omdat hij ongehoorzaam was aan Gods bevel. Eli en zijn huis worden van het priesterschap uitgesloten, omdat zijn zonen de HERE gesmaad hebben en Eli hen niet eens zuur heeft aangezien. Waarom wordt iemand uit de bruiloftszaal verwijderd? Omdat hij niet gezorgd heeft voor een feestkleed. Jeruzalem is verwoest, omdat het geen gehoor heeft willen geven aan de roepstem van Jezus Christus. Een hele generatie van het oude volk heeft in het beloofde land niet kunnen ingaan wegens ongeloof.

God verwerpt niet "zomaar" omdat Hij daartoe besloten heeft of daarin plezier heeft. God heeft er geen lust in zondaren te verdelgen, maar Hij heeft er schik van als zondaren zich bekeren en leven. Dát mogen we ons goed inprenten.

Maar is God dan niet vrijmachtig om met ons te handelen zoals een pottenbakker met een klomp leem doet? Dat leert de Schrift ons toch?
Zij leert ons: We moeten niet denken, dat God een "lieve heer" of een "lief heerke" is, zoals in roomse en andere kringen wel gezegd wordt. Hij kan berouw hebben over het goede, dat Hij aan een volk beloofde, nl. als dat ik Hem de rug toekeert. Hij kan boos worden op zijn eigen volk.
Maar Hij kan ook berouw hebben over het kwade, waarmee Hij gedreigd heeft. Namelijk als men zich bekeert van de boze werken en weerkeert tot de HERE. Dat kunnen we lezen in Jeremia 18.
Maar zal iemand kunnen tegenwerpen, er staat toch ook geschreven: "die zijn met allen Israël, die uit Israël zijn"? Of zoals in de N.V. staat: "niet allen, die van Israël afstammen zijn Israël". Zo staat het in Rom. 9.
Laten we maar eens zien wát daar staat.
Paulus begint met te zeggen, dat hij groot verdriet heeft om zijn broeders, de Israelieten. Zij hebben grote voorrechten: de aanneming tot kinderen Gods, Gods heerlijkheid in hun geopenbaard, verbonden zijn met hen gesloten, Gods wet of onderricht is hun gegeven, de ware eredienst in één woord: Gods beloften zijn voor hen. Tot hen behoren de vaderen en wat het vlees aangaat is Christus uit hen voortgekomen.

Nu schijnt het wel, dat Gods Woord voor hen vervallen is. Maar zo is het niet. Dat is niet mogelijk zegt de apostel. Gods beloften zijn betrouwbaar. Het Evangelie blijft gelden zouden we kunnen zeggen. Maar hoe is het dan mogelijk, dat inPaulus' dagen de grote meerderheid van de genade van Chritus niet wil weten? Wel, dat komt omdat niet allen, die van Israël afstammen, Israël zijn. Dat beweerden de rabbijnen wel. Zij zelden: Allen die maar afstammen van Israël, d.i. vader Jakob worden automatisch behouden. Zij kunnen nooit verworpen worden, zij kunnen met verloren gaan. Dát was het lot van alle niet-Israëlieten, de heidenen.
Tegen deze hoogmoed, het roemen in de afstamming, strijdt de apostel.
Geboorte uit Israel of binnen de kring van het volk Gods is geen waar borg voor behoud. Al zijn ze ook allen besneden, daarmee is niet gezegd, dat zij het geloof en de aard van vader Jakob hebben. Zo kunnen we in onze dagen zeggen: Dat iemand gelovige voorouders en ouders heeft en gedoopt is en tot een kerk behoort, dat is nog geen waarborg, dat hij of zij behouden wordt. Het is maar de vraag of iemand Gods beloften gelooft en wil onderhouden wat de Here Jezus bevolen heeft.
Theologen hebben beweerd, dat niet alle Israëlieten de volle beloften hadden. Die waren alleen voor de "echte" Israëlieten, het uitverkoren deel van Israël. Maar dat is inlegkunde. Dat staat er niet. Even te voren heeft P. immers gezegd: "van hen is de aanneming tot zonen en zij hebben de beloften".
Ook zijn het niet allen kinderen Gods, omdat zij nakomelingen van Abraham zijn. Want in de lijn van Izak zette zich het verbond voort.
D.w.z. niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods. Maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht. De geboorte van Ismaël en Izak heeft typische betekenis. Bij Ismaëls geboorte ging alles op natuurlijke wijze. Zoals het bij elke geboorte toegaat. Maar Izak was een belofte-kind.

Abraham en Sara waren beiden reeds "verstorven" om zo te zeggen. Toch hoorden zij de belofte van de geboorte van een zoon. Die belofte heeft Abraham geloofd, "tegen hoop op hoop" schreef P. ergens. Tegen alle menselijke verwachting in. Daarom wordt Izak een kind-der-belofte genoemd.

Natuurlijke verbondenheid aan de patriarch Abraham beslist niet over het kindschap Gods. De Joden uit Paulus' dagen zijn niet automatisch of vanzelfsprekend kinderen van God. Als zij de beloften verwerpen zijn ze gelijk aan Ismaël. Het komt niet aan op natuurlijke, menselijke of vleselijke afstamming. Als kinderen van gelovige ouders de beloften van vergeving en leven verwerpen worden ze niet behouden. Genade is wel erfgoed in die zin, dat Gods beloften van genade voor hen zijn. Maar niet in die betekenis, dat zij om hun afkomst zalig worden. Alleen zij, die oprecht het Evangelie of de beloften geloven, zullen behouden worden.

Hetzelfde zien we bij de zonen van Izak en Rebecca: Jakob en Ezau.
Ze waren tweelingen. Ezau kwam het eerst ter wereld. Hij was dus eigenlijk de eerstgeborene. Jakob, de tweede, de mindere in rang naar de opvatting van die dagen. Maar de HERE zei voor de geboorte: de meerdere (Ezau) zal de mindere dienen. Zó behaagde het de HERE en zo is het gebeurd. Niet op grond van werken wordt iemand gered, maar op grond van de roeping door het Evangelie. Niet aan de werken-der-wet van de mens, maar aan Gods genade is het eerste en het laatste woord.

Als hier gesproken wordt van Gods verkiezend voornemen of van zijn voorgenomen verkiezing, dan denkt men vrijwel steeds aan een voortijdelijk of eeuwig besluit. Maar dat staat er niet. Verder gaat het ook niet om het eeuwig verderf voor Ezau. Had Ezau zich geschikt naar Gods beschikking en Jakob erkend als de stamvader van het volk Gods, dan - zo mogen we wellicht zeggen - had hij ook de beloften van vergeving en leven en het zoonschap Gods verkregen. Maar dat heeft Ezau niet gewild.

En zo stond het ook met de Joden uit de dagen van P. Die wilden niet luisteren naar Jezus Christus, in wie al Gods beloften "ja en amen" zijn.
Zij wilden niet van genade leven, maar uit eigen werken. Maar zovelen als naar Gods genadige roepstem, die in en door Jezus tot hen kwam, hebben aangenomen, die zijn ware kinderen van Abraham en Izak en Jakob. En zovelen als er in onze dagen niet willen leven van genade alleen door het geloof maar uit de werken, die zijn gelijk aan Ismaël en Ezau en hun nakomelingen. En zij gaan verloren, niet omdat God hen van eeuwigheid af al heeft verworpen, maar omdat zij niet hebben geloofd de Blijde Boodschap. Waardoor roeping en verkiezing van de verkiezende God tot ons komen.

Als er staat "de meerdere zal de mindere dienen", wat we ook wel kunnen vertalen met "de oudste zal de jongste onderworpen zijn", dan gaat het niet om een voortijdelijk besluit en niet om verkiezing of verwerping tot eeuwige zaligheid; maar daar gaat het om de plaats van Jakob en Ezau in de geschiedenis.
Maar, zo zal iemand zeggen, die in de Schrift thuis is, er volgt toch ook: "Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat"? Inderdaad en dat moeten we precies zo laten staan. Het is mij bekend, dat vele verklaarders dit zo verstaan, dat reeds voor de grondlegging der wereld was beslist over eeuwig wél voor Jakob en eeuwig wél voor Ezau. Maar we moeten maar nooit klakkeloos naspreken wat sommige of mogelijk vrijwel alle verklaarders van belang hebben geschreven. Al zijn het ook Luther en Calvijn, of Augustinus en Chrysostomus, Kuyper en Bavinck, Schilder en Greydanus. In de kerkgeschiedenis is dat vaak gebeurd met soms nare gevolgen. Gewoonlijk worden niet al te beste uitspraken van "grote mannen" 't best onthouden.

Waar staat dat eigenlijk, die uitspraak: "Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau gehaat"? Dat staat niet in Genesis, waar de historie van de personen Jakob en Ezau verhaald wordt. Maar het is te lezen bij de profeet Maleachi. En met die namen worden niet die persónen bedoeld, maar de vólken die uit hen zijn voortgekomen. Uit Ezau zijn de Edomieten voortgekomen.
En die hebben het er naar gemaakt dat God toornig op hen is of hen haat. Laten we maar eens lezen wat er staat in Maleachi I: "Ezau heb Ik gehaat; Ik heb zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de jakhalzen der woestijn prijsgegeven. Wanneer Edom - hoort u, Edom, het volk uit Ezau voortgekomen - zegt: Wij zijn verwoest, doch wij zullen de puinhopen weer opbouwen" dan blijkt daaruit dat zij zich niet buigen onder de straffende hand van God. Zij steunen op eigen vermogen en denken: Wij zullen herbouwen! Maar dan moet Maleachi zeggen: "Zo spreekt de HERE der heerscharen: Laten dezen bouwen, maar Ik zal afbreken; men zal het noemen: gebied der goddeloosheid en: het volk waarop de HERE voor eeuwig - d.i. tot in verre toekomsttoornt. Als uw ogen het zien, zult gij zeggen: Groot is de HERE, ook buiten Israëls gebied". Maleachi spreekt duidelijk over het volk der Edomieten en hun geschiedenis. Hun onheilsgeschiedenis.

Luther en vele anderen hebben gezegd en het is helaas opgeschreven en nageschreven: "Jakob heb Ik liefgehad van eeuwigheid en Ezau heb Ik gehaat van eeuwigheid". Maar dat staat er niet. En we moeten niet inlezen wat er niet te lezen staat. De Edomieten werden gestraft om hun goddeloosheid. En zo staat het nu ook met het volk der Joden in de dagen van Paulus. Dát Israël wil niet van genade leven, maar verheft zich trots op z'n afkomst en steunt op z'n werken. Daarom gaat de HERE dát Israël, die Joden, voorbij. En wordt de val van Israël de oprichting van heidenen; die worden geroepen uit de duisternis tot het wonderbare licht van Gods heil. Daarmee doet God niemand onrecht. Zo is het vandaag nog. Wie Gods genade verwerpt in ongeloof, wordt door Hem verworpen. En dan verkiest Hij Zulu's en Bantu's en vele anderen uit Oost en West en Zuid en Noord. Die zullen ingaan in het Koninkrijk der hemelen. En vele eersten zullen de laatsten zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief