GEKOMEN OP PINKSTEREN

1979-06-01
  • Jaargang 23
  • nummer 22
Dit is de tekst van een lezing, die voor de E.O.-microfoon gehouden werd op vrijdag 30 maart 1979.

Als wij ons willen bezinnen op het heilsfeit van Pinksteren dienen wij ons uiteraard te wenden tot Handelingen 2 met name het begin waarin ons de nodige gegevens worden verstrekt omtrent de uitstorting van de Heilige Geest. En dan valt het ons op, dat Pinksteren een totalitair feest is! Het betrekt zich niet op individualisten al wordt het individuele leven in de gemeenschap der kerk niet verdrongen. Integendeel, daar komt het juist tot volle ontplooiing. De Pinksterklokken gaan beieren. Er komen tekenen van de hemel los, die de voltrekking van het machtige Pinksterfeit begeleiden.
Nu wordt de Geest van de Verhoogde Christus vaardig over de kerk.
Dat destilleren wij al direkt uit het eerste vers van Handelingen 2. "En toen de Pinksterdag aanbrak", lezen wij daar. Dat is maar niet een tijdsaanduiding zonder meer. Letterlijk staat er: "Toen de dag van het Pinksterfeest vol werd". Het is een typische uitdrukking, die de evangelist Lucas hier gebruikt. Hij heeft haar wel vaker gehanteerd bijv. bij de besnijdenis van Jezus als het luidt: "Als de dagen vervuld werden, dat men het Kindje besnijden zou." Het geeft aan, dat de tijd tussen twee feiten, die in het progressieve kader van Gods heil van enorm belang zijn, verstreken is. Zo wordt het ene feit aan het andere verbonden door God Zèlf!
Wij mogen dus de doorbraak van het Pinkstergebeuren niet losmaken van Hemelvaart. Maar het grijpt nog verder terug. Want Pinksteren blijkt vervulling te wezen van de Paasprofetie. Het getuigt van de vervulling van de Wet van Mozes. Want Pasen werd immers gevierd op de dag van de uittocht uit Egypte en Pinksteren precies vijftig dagen later. Eigenlijk is het één geheel waarvan het Paasfeest de opening en het Pinksterfeest de slothandeling vormt. Want als het volk Israël in Kanaän aangekomen is, moet het de dag na Pasen de eerste schoof offeren van het koren, dat men heeft gemaaid. Dat was de aanbieding van de eerstelinggarf. En vervolgens moesten de Israëlieten na zeven weken te hebben geoogst, op de vijftigste dag van het nieuw verkregen meel het Pinksteroffer aan de HEERE brengen, welk offer dan bestond uit twee gebakken broden.
Pinksteren betekent dus altijd, dat men stond aan het eind van de oogst, die op Pasen een begin gevonden had. En in dat Pinksteroffer lag gesymboliseerd de intense dankbaarheid voor de van God ontvangen zegen in het beloofde land. Maar hier eindigt de zin van deze schaduwachtige wet niet. Want het gaat ook in Leviticus 23 om het evangelie van Jezus Christus!
Het is profetie van de Nieuwtestamentische verlossing. Het Pascha keert niet meer terug. Want het Paaslam staat nu als geslacht in de hemel zoals de apostel der liefde, Johannes, het ons openbaart in het laatste Bijbelboek. Maar nu wordt in de vervul1ing van het O.T. Pinksterfeest de kroon op Pasen gezet. De dagen zijn vol geworden. Het hoogste punt wordt bereikt. Er blijkt een wederzijdse koncentratie te zijn' van Christus en Zijn kerk op elkaar. Christus heeft ervoor gezorgd, dat er op Pinksteren nog een kerk is, dat er een gemeente is, dat er dus sprake is van waarachtige gemeenschap. Welnu, zij zijn allen, afgescheiden van de Joden, tezamen als gemeente van de levende Heer op de dag van het Pinksterfeest.
Maar dan moeten wij wel goed lezen. wat er staat. De grondtekst geeft duidelijk aan, dat zij samen waren op dezelfde plaats! Een treffende indikatie voor de beleving van de ware oekumene waarin niet het menselijk haalbare, maar het schriftuurlijk bereikbare dient te prevaleren.
Uit dit alles b1ijkt voorts, dat Pinksteren niet te denken is zonder kerkdienst, zonder samenkomst van de gemeente.
Maar er zijn ook tekenen, die als signalen het Pinkstergebeuren begeleiden en erop attenderen. "En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij zaten".
En het opvallende is, dat de genoemde tekenen het heilsfeit zèlf markeren en karakteriseren, Eensklaps. Met dat woord begint de eigenlijke Pinkstergeschiedenis !
Onverwachts, niet onverwacht! Want de kleine gemeente had zich in het gelovig gebed naar Christus' gebod naar de Pinksterdag heengeworsteld.
Maar plotseling gaan de sluizen van God open. Eeuwen geleden had een profeet gebeden: "Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt!"
Een adventsbede, die op Kerst aanvankelijk vervulling vond, maar die hier op Pinksteren in verdiepte zin verhoord wordt. De hemel gaat open, niet maar op een kiertje, nee, de hemel scheurt en Gods overvloed barst naar buiten. Daarom zijn alle woorden, die nu volgen in de beschrijving van het Pinkstergebeuren, overvloedswoorden. Plotseüng hoort de vergaderde kerk het geluid als van een storm.
Er staat letterlijk, dat zij een geluid van boven hoorden.
Dat betekent dus, dat het een andere storm is dan die wij aan onze kusten kennen, dus niet ergens door een depressie boven de oceaan verwekt.
Geen horizontale, maar een vertikale storm.
De woorden wind en geest worden in het O.T. en in het N.T., in het Hebreeuws en in het Grieks dus, weergegeven met hetzelfde woord. Het is kenmerkend, dat juist dit teken gegeven wordt voor de Geestesuitstorting.
De wind gaat als een adem van het leven over de aarde. De wind laat zich niet sturen door de mensen. Hij is niet na te speuren in zijn oorsprong en einde!
Als macht ten goede en ten kwade is de wind beeld van de werking van de Pinkstergeest. De Geest s1aat nl. dood en maakt levend, zo vertelt ons de Bijbel. Als men zich openstelt voor die Geest van Christus, wordt men de kant van Christus uitgedreven. Dan leert men belijden, dat het in dat kader ondoenlijk is om op eigen energie te teren. De kerk is nl. niet te vergelijken met een motorboot, maar met een zeilschip!
En er vertoonden zich aan hen ook tongen als van vuur, zo lezen wij verder in Handelingen 2, die zich verdeelden en het zette zich op een ieder van hen. De toeschouwers zien iets, dat op vuur lijkt, dat zich vertakt, zodat het ten slotte op een ieder van hen plaats genomen heeft. Het is het ene vuur voor de ene kerk, dat zich aan ieder lid der gemeente meedeelt.
Ook dit is teken en beeld van de werking van de Heilige Geest. Het vuur koestert en verbrandt. Het reinigt en schroeit weg. Het verlicht en verblindt. De kracht van de Geest is dynamisch!
Het wordt nu geweldig heerlijk op Pinksteren, maar tegelijkertijd levensgevaarlijk voor hem, die zich verzet tegen het Woord van de Geest! Alle onheilig vuur van egoïsme, machtswellust en geldingsdrang moet worden geblust. Het vuur van de Geest daarentegen is het vuur van de toewijding aan de Here en Zijn dienst, het vuur van de levensovergave aan God. Ja, die apostelen hadden zeker louterend en reinigend vuur nodig om straks door de Geest bekwaamde Pinksterpredikers in deze wereld te kunnen zijn. Hun tongen moesten worden geprepareerd voor het verkondigen van de grote werken Gods. Kijk maar eens naar Petrus, die aanvankelijk zijn Meester verloochende, maar door het Pinkstervuur van de Heilige Geest wordt geheiligd tot zijn ambtsbediening op de Pinksterdag. God Zèlf maakt van hem een magistrale Evangelieprediker!
'Op één ding wil ik in dit verband nog wijzen. Het vuur zette zich op ieder van hen. ZETTE ZICH! Het was dus niet een voorbijgaand iets. De Heilige Geest is niet te vergelijken met een zwaluw, die met de punt van de vleugel even het wateroppervlak aanraakt. Nee, de Geest ZETIE ZICH op ieder van hen, d.w.z., dat Hij er rust vond. De Heilige Geest is de blijvende Geest!
"Looft de Geest! Hij zal niet wijken van de kerk, met bloed gekocht. Zijn nabijheid zal steeds blijken, ... " Dat geeft ons ook de basis om een appèl op de Geest te doen in tijden van dorheid en krisis. "En", zo lezen wij, "zij werden allen vervuld met de Heilige Geest. ZIJ WERDEN. Het is geheel en al Gods werk! ALLEN. Niet alleen de twaalf apostelen, maar de hele gemeente! De Geest treedt hier op als Murenslechter. AHe kerkleden hebben nu een ambtelijke funktie, al blijft er ook het biezondere ambt, zie Efeziërs 4. Dat vol worden van de Pinkstergeest heeft niet alleen te maken met het feit, dat zo de volmacht tot de Evangelieprediking geschonken wordt, maar ook - met alle eerbied gezegd - met de realiteit, dat het heilswerk van Christus ons thuis bezorgd wordt. En al blijft het Pinkstergebeuren uniek en niet voor repetitie vatbaar, het dient wel effekt te sorteren in ons alledaagse leven. En het strekt zich uit over de ganse wereld. Het heeft betrekking op de volkomenheid van Gods Koninkrijk.
Opdat God eens zij alles en in allen.
Schrijvend over de gevolgen van de inwoning van de Geest in het hart der discipelen merkt wijlen ds S. G. de Graaf in zijn boek: "Verbondsgeschiedenis", deel II op:

"Ze verheerlijkten God om die liefde in woorden, die ze vroeger nooit hadden kunnen vinden. Dat ging ver boven hun vroeger leven uit. Dat was het wonder des Geestes. Toch is dat niet het abnormale, maar het is in het N.T. het normale, dat een mens voor zijn God in brand staat, in brand staat van liefde en dat hij inziet in de diepten van Gods liefde en daarvan getuigt. Hélaas wordt dat normale peil door de zonde zo belangrijk naar beneden gedrukt. Zo komt echter een mens tot zijn waarde, zo is hij waarlijk mens. Wij mogen er geen vrede bij hebben, als het bij ons minder is dan bij de discipelen toen. Al zullen de uiterlijke tekenen ontbreken, ons leven moet evenzeer een offerande zijn."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief