Kinderen aan het avondmaal?

1978-06-30
  • Jaargang 22
  • nummer 26
Dat ik in verband met de vraag of we de kinderen zullen toelaten aan het avondmaal het onderwerp ,tucht' aan de orde stel, moet ik nog wel even toelichten. In de vorige gespreksronde stelde ik ds Cornelisse de vraag of kinderavondmaal niet meer past bij kerken die geen tucht kennen. Tucht zie ik namelijk als een middel om het belijdenis- karakter van het avondmaal hoog te houden. Ik vat dan tucht niet op als enkel een middel om grove zondaars de toegang tot de tafel te ontzeggen, maar ook om nette ongelovigen de deelneming te verbieden. Er heerst op dit punt veel misverstand. Goed is het, wanneer de kerk mild is ten aanzien van degenen, die uit zwakheid zondigen. Maar niet goed is het, wanneer enkel maar begrip wordt opgebracht t.o.v. degenen, die niet duidelijk kunnen zeggen, dat zij geloven.
Er is vandaag een mentaliteit die met zekere graagte grijpt naar het woord van de vader van de maanzieke knaap, die zei: "ik geloof, Here, kom mijn ongeloof te hulp." (Marc. 9 : 24). Je krijgt dan wel eens de indruk, dat 't daarbij alleen maar gaat om het tweede deel van die zin en uit dat tweede deel dan ook nog alleen maar om dat 'mijn ongeloof'. Een herkenningspunt, aangegrepen als een vrijbrief om als ongelovige in de kerk te zitten. Een kerk die waarlijk de Schriftuurlijke tucht kent, zal in deze mentaliteit
van haar leden niet mogen berusten. Ze zal moeten oproepen tot geloof, geduldig, maar beslist. En ze zal tenslotte moeten zeggen, dat Christus een besliste keuze vraagt. Ze zal er zelfs niet voor mogen terugschrikken dit zeggen met de daad van de afhouding te bekrachtigen.
Een kerk evenwel die hier geen beslissingen neemt en haar leden ook voor geen beslissing stelt; een kerk, die zich bewust (bijvoorbeeld) op de dubbelheid van Thomas oriënteert, "de man die niet geloofde en toch discipel was", zo'n kerk kent m.i. geen tucht in Bijbelse zin, al zal ze mogelijk een rassendiscriminator of een kolonel wel afhouden van de tafel des Heren.
Welnu, wanneer een kerk in zo'n sfeer leeft, heeft zij geen recht kinderen van het avondmaal weg te houden. En het verbaast me dan ook niet, dat in zulke kerken de tafel voor hen wordt opengesteld.
Maar als gereformeerde kerken deze praktijk gaan volgen, vraag ik: hebben jullie dat wel goed doordacht?

Kinder-geloof
"Dus u vindt, dat kinderen in de kerk op één lijn staan met ongelovigen?"
Ik erken dat ik mezelf onder die verdenking stel. Toch is dat niet zo. Kinderen kunnen geloven.
Zelfs zo sterk dat ze ons volwassenen . met hun geloof beschamen.
Toch, al wil ik de kinderen samen met de gemeente als gelovigen aanspreken, noem ik een individueel kind liever geen gelovige. Eigenlijk om dezelfde reden als waarom de rechter ze niet als getuigen accepteert, tenzij ze 15 jaar oud zijn. Is dat omdat elk getuigenis op de leeftijd daarvóór als leugen gewantrouwd moet worden? Nee, maar omdat een kind met zo iets verantwoordelijks als een getuigen- verklaring, (waarop eventueel een vonnis gebaseerd wordt) niet belast mag worden. En psalm 8 dan: "Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest."?
Daar bouwt de Here zelf toch op kinder-geloof? God kan dat doen, ja, tot beschaming-van volwassenen.
(Matth. 21 : 6). Maar juist daarom is er voor ons geen regel uit af te lezen. Je kunt als kerk toch niet jezelf beschamen? Toch doen sommigen het voorkomen, alsof dat wel kan. Alsof het mogelijk is, als kerk te zeggen: laten wij ons optrekken en verwarmen aan het kindergeloof.
Maar kinderen moeten zich juist aan ons geloof kunnen optrekken!

Wortels
Werkelijk, wanneer ik van deze kant komend stuit op het verlangen om de kinderen aan het avondmaal te laten deelnemen ("Want zij geloven tenminste nog zo heerlijk"), dan zeg ik: kinderavondmaal is de stuiptrekking van een kerk die sterft aan ongeloof. Maar natuurlijk weet ik wel, dat kinderavondmaal deze kwade wortels niet behoeft te hebben en dikwijls ook niet heeft. Het verlangen naar kinder- avondmaal kan bijvoorbeeld ook een typische vrijgemaakte wortel hebben? Ik bedoel dat men ten onzent sterk objectiverend het verbond zozeer gevuld en bepaald ziet door het Woord van God, dat 's mensen geloofsantwoord bijna geen nadruk krijgt. Als ik het goed zie, begint ons deze eenzijdigheid vandaag behoorlijk op te breken. In deze zin, dat het wel eens lijkt alsof men de religie en de religieuze taal aan het ambt uitbesteedt om dan zelf in een religieuze onherkenbaarheid gemeente te zijn. Dat komt onder ons wel voor. Ik realiseer me dan ook zeer wel dat ik met mijn nadruk op het belijdend karakter van de gemeente niet zo stevig in de vrijgemaakte traditie sta. Omgekeerd verbaas ik mij van mijn kant niet, dat de gedachte van kinderavondmaal onder ons weerklank vindt. Het is het doortrekken van een schadelijke lijn in de vrijmaking, die ik bij vroegere gelegenheden al eens heb getracht aan te wijzen.

Socialisering?
Maar ik zou het over de tucht hebben.
En nadat ik er iets algemeens over gezegd heb: wat is een kerk met tucht? - wil ik nu nog in een paar bijzonderheden treden naar aanleiding van wat ds Cornelisse schrijft. Ik laat hem nu even aan het woord. "Nergens spreekt de bijbel over de uitsluiting van het avondmaal als tucht, maar altijd als uitsluiting van de gemeenschap.
Wie iemand het avondmaal ontzegt, ontzegt hem de gemeenschap.
"Doet het oude zuurdeeg weg" en, "Nu evenwel schrijf ik u, dat gij niet moet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een hoereerder, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten" (1 Kor. 5: 7, 11). Zo iemand, zegt Paulus, mag je niet in je huis uitnodigen. Uitsluiting van het avondmaal is het einde van de tucht, niet het begin."
Versta ik dat nu goed? Bedoelt ds Cornelisse echt te zeggen, dat hij dit 'samen eten' van Paulus opvat als samen avondmaal vieren? Anders heeft wat hij schrijft geen samenhangende zin. Maar dit kan toch helemaal niet? Hoe moet ik me dat voorstellen: .uitsluiting van het avondmaal is het einde van de tucht, niet het begin? Is het mogelijk dat een broeder of zuster van alle rechten en plichten aan het kerklidmaatschap verbonden is uitgesloten of zichzelf heeft uitgesloten en dan toch nog met de gemeente de maaltijd des Heren viert? Staat de avondmaalstafel dan zó op straat? Er is ten aanzien van 1 Cor.5 toch geen misverstand mogelijk?
Paulus verbiedt daar zelfs het sociale contact met de zondigende broeder, voor zover zulk contact een relatie van vriendschap of gemeenschap suggereert. Bijvoorbeeld dat je met een broeder die zich duidelijk als een afvallige gedraagt, samen uit gaat eten alsof er niets aan de hand is. "Zelfs niet met hem eten." Het ontgaat mij hoe iemand dit zou kunnen verstaan van de avondmaal gemeenschap. Wie zo te werk gaat, meet, dunkt me, wel terecht komen bij een zeer vlakke betekenis van het avondmaal. Eigenlijk houdt hij geen andere dan een sociale betekenis over. Ik zeg niet dat dit bij ds Cornelisse het geval is, maar ik wijs op de consequenties.
Het denken is een kracht die sterker is dan onze bedoelingen.

Het lichaam onderscheiden
Dat ds Cornelisse gevaar loopt het avondmaal te veel te socialiseren is ook nog aan iets anders te zien, dat hij in dit verband noemt. Hij schrijft: "Er is door anderen op gewezen dat Paulus met het onderscheiden van het lichaam in 1 Kor. 11 : 29 allereerst doelt op de gemeente, de gemeenschap, en in het verlengde daarvan, op het avondmaal."
Ik ken die gedachte en vind er ook wel iets moois in zitten. De Corinthiërs onderscheidden inderdaad in die zin het lichaam niet, dat ze de gemeente Gods minachtten door de behoeftigen beschaamd te maken. (1 Cor. 11 : 22). Ze lieten immers aan de avondmaalstafel het verschil tussen arm en rijk op schrijnende wijze voelen. Toch heeft m.i. de uitdrukking 'het lichaam niet onderscheiden' niet in de eerste plaats deze betekenis. De uitdrukking zal vooral bezien moeten worden in het licht van 1 Cor. 11 : 27, waar Paulus spreekt van 'het zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren'. Beide uitdrukkingen zie ik parallel staan en daarom betrek ik het niet onderscheiden van het lichaam eerst en vooral op het lijfelijke lichaam van Christus dat voor ons in de dood gegeven is. Het niet onderscheiden van dat lichaam betekent dus, dat men voorbij gaat aan de geestelijke betekenis van de maaltijd des Heren, die ons gemeenschap geeft, jazeker, maar eerst en vooral aan het lichaam en bloed van Christus (vgl. 1 Cor. 10 : 16). De onderlinge gemeenschap vloeit daaruit voort en is daarvan afhankelijk. Het sociale is een aspect aan het avondmaal, maar niet het eerste en zeker niet het enige. Daarom gaat tucht bij het avondmaal ook niet in de eerste plaats over de gemeenschap aan elkaar, maar over de gemeenschap aan Christus. Uitsluiting van het avondmaal kan daarom niet het einde, maar moet het begin zijn van de tucht. Zoals bij huwelijksverstoring het meest intieme het eerst onderbroken wordt. Daarna kan het nog lange tijd duren aleer de meer uiterlijke samenlevingsvormen het begeven.

Ten slotte
Kinderen aan het avondmaal - ja of nee? Meer dan aanvankelijk het geval was, ben ik tot het inzicht gekomen dat het standpunt dat we innemen samenhangt met de opvatting die wij over het avondmaal zelf hebben. Vervlakking en socialisering van het avondmaal zie ik mee komen met het hier en daar opkomende gebruik, de kinderen de maaltijd des Heren te laten meevieren.
Ik ben ervan overtuigd dat niemand dat bedoelt. Ik wil iedereen ten goede houden. Maar theologisch zijn wij buiten verbanders wel eens wat argeloos en onderschatten de kracht van de innerlijke logica die ineen standpunt zit en werkzaam is. Al weet ik ook van de 'gelukkige in consequentie'.
Maar waren de samenhangen die ik bij ds Cornelisse zag en aanwees uit de lucht gegrepen? De lezer oordele zelf.
Wel moet ik bekennen, dat ik de artikelen van ds Cornelisse met een zekere waakzaamheid gelezen en overwogen heb en dat ik een gevoel van gealarmeerdheid niet van me heb kunnen afzetten vanwege andere stemmen over dit punt die ik de laatste tijd vernomen heb.
Daarom ben ik er misschien niet helemaal aan ontkomen dat ik wat incident was als symptoom heb uitgelegd. Ds Cornelisse vergeve mij dat dan. Het was alles zakelijk bedoeld.
Dat is zeker.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief