Pastorale notities

1979-06-15
  • Jaargang 23
  • nummer 24

In Oene op de Veluwe had je ds Doornebal, door het hele land vermaard om zijn gemeentelijk blaadje. Hij schreef eens over de Jongste Dag. Hij hoopte dan te mogen staan aan de rand van de poel en met vreugde te kunnen zien hoe alle brommers zouden kronkelen in vuur en zwavel. Hij had zo’n hinder van die knetteraars als hij zijn preken maakte en de gemeente luisterde moeilijk als ’s zondags hele horden voorbij de kerk trokken. Nu zijn de brommers minder geworden in tal en last, maar de auto’s meer. Ik verlang naar de autovrije zondagen. Aan de kerken schijnt door de overheid gevraagd te zijn, wat zij ervan vinden. Laten wij het de verkeersinspecties niet moeilijk maken met gezeur om ontheffingen, als die dagen worden vastgesteld. We kunnen toch een dienst verschuiven naar de zaterdagavond? En zouden we alvast niet wat gaan matigen? Van de vroegere wettische zondagsviering zijn we losgepreekt, alles mag, weten we. Toen kwam de onrust op de rustdag. Men moet zo nodig ergens heen. Er is een nicht jarig. Er moet een kindje bekeken worden. Ginder is een bizondere dienst, daar willen we bij zijn. De jeugd moet teruggehaald worden uit een kamp. Daar zit vader dan weer, de lendenen omgord met de autogordel; hij moet rijden, dat is hem besteld. De herder van de gemeente heeft in de middagdienst de lege plaatsen gezien. Boos wordt hij niet, maar wel bezorgd. ’s Avonds loopt hij een straatje om, hij wil eventjes kijken of de auto’s al terug zijn en dan kan hij rustig gaan slapen: het is gelukkig weer goed afgelopen. In de Bijbel staat, dat er een rust overgebleven is voor het volk van God, maar zou het volk die rust wel willen? Vroeger zongen we: Laat ons de rustdag wijden. In de nieuwe berijming vind je dat niet meer. Nog even en dan kan niemand zich meer voorstellen wat dat is: de rustdag wijden. Dan zeggen ze op catechisatie: dat is zeker iets van vroeger; net als het vasten, dat doe je óók niet meer.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief