De toekomst van de arbeid (1)
1979-06-15
Onderstaand artikelbevat het referaat van prof. dr. J. G. Knol op 31 maart jJ. voor de jaarvergadering van Opbouw heeft gehouden.- Jaargang 23
- nummer 24
1. Als wij gaan nadenken over de toekomst van de arbeid kan het dienstig zijn om twee aspecten te onderscheiden. Wellicht is het beter om te onderscheiden in twee deelgebieden die elk een spcifieke benadering vereisen.
Er is een vakwetenschappelijke kant aan dit vraagstuk te onderscheiden daarin wordt de toekomst van de arbeid gezien in het licht van de ontwikkeling van het economische proces en de economische orde d.i. de wijze waarop het proces van voortbrenging van goederen en verdeling van inkomens is georganiseerd. In dit aspect krijgt men te maken met de vraag of, gegeven de ontwikkeling van de technologie en de ontwikkeling van de wetenschappelijke bedrijfsvoering, er in de nabije tokomst nog wel voldoende werkgelegenheid zal zijn voor deze en komende generaties. En, zo kan men zich dan afvragen, als er bij de voortbrenging van goederen en diensten voor de markt steeds minder mensen kunnen worden tewerkgesteld, kan men dan de mensen in andere sectoren te werk stellen en kan de marktsector deze lasten wel dragen? Men krijgt hier te maken met uitermate belangrijke vragen inzake technische en economische ontwikkelingen die slechts op basis van een zorgvuldige vakwetenschappelijke analyse kunnen worden beantwoord.
Er is ook een ander aspect. Dat heeft te maken met de arbeid als zinvol bezig-zijn van de mens in een wereld, die technologisch zich steeds in een richting ontwikkelt waarin voor een groot gedeelte van de mensheid geen plaats is. Een samenleving waarin de mens op zoek is naar de zin van het leven dat dreigt te worden overheerst door techniek en wetenschap.
Er is tussen deze beide aspecten geen verschil in rangorde. Men mag niet zeggen, dat omdat het in het tweede aspect om de volle mens gaat, dit aspect dan het belangrijkste zou zijn. Wanneer men dit zo ziet, negeert men het fundamentele in de vraagstelling en komt zo tot al te goedkope oplossingen.
Een voorbeeld van een overschatting van dit aspect is de oproep om zich te bekeren en met name de andere deelnemers aan het productieproces als de toenemende spanningen in het economisch leven ter sprake komen.
Men wil dan de problematiek oplossen door een verandering en verbetering van de mentaliteit van kopers, verkopers, van werkgevers en van werknemers.
En wie zal de noodzaak van voortgaande bekering ontkennen?
Maar, en dat moet nadrukkelijk gesteld worden, spanningen in het maatschappelijk leven zijn gekoppeld aan ontwikkelingen in de maatschappelijke verhoudingen. Is er een verband tussen mentaliteit en structuur?
Een radicale bekering werkt altijd in op de bestaande structuren. Immers maatschappelijke verhoudingen en structuren maken bepaalde gedragingen van mensen mogelijk en eventueel wenselijk en noodzakelijk.
Er is wel een verband tussen beide aspecten.
Het gaat bij de toekomst van de arbeid om een voluit religieus probleem, n.l. de vraag naar het zinvol bezig zijn van de mens. Maar dit moet zich uitwerken in het maatschappelijk leven waar de arbeidskracht wordt gevraagd en aangeboden.
Beide aspecten verwijzen naar de noodzaak tot bezinning op de inrichting van de samenleving; een nadenken over de vormen die onze verhouding tot God, tot de medemens, tot de natuur en tot mijzelf moet hebben?
Dat vraagt van ons dat wij bereid dienen te zijn om de bestaande vormen en de algemeen aanvaarde inhoud van deze verhoudingen ter discussie te stellen.
2. Wellicht schuilt er enig overdrijven in de stelling dat er vooral in de kring van de bijbelgetrouwe christenen nog wel eens moeilijkheden zijn als de bestaande ordeningen ter discussie worden gesteld. Het is niet helemaal onverdiend het verwijt dat vele christenen een voorkeur hebben voor het instand houden van de bestaande maatschappelijke ordening zoals die in de westerse volkshuishouding gestalte hebben gekregen. Soms lijkt het wel of dat de ondernemingsgewijze productie als een bijbelse noodzaak wordt opgevat en andere ordeningen uitvindingen zijn van "de duivel".
Het is overbodig om in te gaan op de onderliggende drijfveren van dit conservatisme. Maar de bijbel kent wel een radicaliteit. De bijbel leert de christen geen vrede hebben met de bestaande ordening. Dat is een onvrede gepaard aan wijsheid. Niet een onvrede die ten koste van alles een paradijs op aarde wil bewerkstelligen. Wel een onvrede die verlangend uitziet naar de wederkomst waarna het op deze aarde volledig goed zal zijn.
Het evangelie roept op tot radicale bekering en de radicaliteit blijkt ook hieruit dat de bekering effect heeft op de bestaande verhoudingen. De verhoudingen worden gesaneerd, ook de verhouding tot de natuur en tot de naaste. Radicale bekering laat de bestaande ordeningen niet onberoerd.
Dat kost wel zelfoverwinning om zich gewonnen te geven aan de radicaliteit van het evangelie.
Twee voorbeelden mogen deze moeilijkheid verduidelijken, Voorbeelden omtrent verhoudingen tussen mensen die door het geloof in Christus worden gesaneerd.
3. Het eerste voorbeeld dat ter sprake komt, zal wellicht niet op veel verzet stuiten. Het betreft de inhoud van de ambtelijke brief die de apostel Paulus schrijft aan Filémon en o.m. aan de voorganger van de gemeente en aan de gemeente te Colosse zelf. Dit is niet een "kattebelletje" naar aanleiding van het weglopen van een diefachtige slaaf die door Paulus na zijn bekering weer als slaaf wordt teruggestuurd.
Het gaat in deze kerkbrief om de opdracht aan Filémon om met het maatschappelijk instituut van de slavernij te breken. Onésimus is nu een kind van een vrije, van Paulus. En Paulus kent het gebod uit Deut. 23 dat men een weggelopen slaaf niet mag terugsturen naar zijn meester. Waarom zou Paulus deze wet overtreden, deze wet die er is ter bescherming van de verdrukte?
Paulus stuurt een vrij man terug. En nu brengt het evangelie met zich mede dat Filémon vrijwillig het slaaf-zijn van Onésimus opheft. Hiermede wordt het geloof van Filémon op de proef gesteld. Maar Paulus weet de uitkomst al, want hij stelt zijn bezoek aan Filémon in het vooruitzicht.
Nu raakt ons de opheffing van de slavernij niet zozeer. Maar in die tijd wrikt het geloof aan de opgestane Heer aan de fundamenten van de Romeinse samenleving.
Zullen we ons niet begeven in banaliteiten alsof het ging om een mentaliteitsverandering bij Filémon? Want waar haalt men het vandaan dat Filémon zijn slaaf onheus heeft bejegend? Er is geen enkele reden waarom Filémon zich zou moeten schamen.
Maar het gaat hier om een radicale verandering in de arbeidsverhouding.
De brief richt zich tot de klasse van de meesters, vandaar dat men geen vermaan aan slaven vindt zoals ergens elders.
4. Het tweede voorbeeld raakt ook de verhouding tussen twee "klassen", tussen de rijke werkgever en de arme arbeider. Met dit voorbeeld hebben we meer moeite.
Bedoeld zijn hier de opmerkingen van Jakobus aan de stammen in de verstrooiing.
U bent genoegzaam bekend met de term "strooien Brief" om te weten dat de kerk altijd moeite heeft
gehad met sommige uitspraken van Jakobus. Bekend is de synthese tussen Paulus en Jakobus inzake de verhouding tussen geloof en werken.
In deze brief van de broeder des Heren is er ook nog een ander thema n.l. het thema van de verhouding tussen rijk en arm. Zouden wij deze brief moeten schrijven dan is het gevaar niet denkbeeldig dat wij hoofdstuk 5 zouden beginnen met "welaan dan, gij slechte rijken", maar dat staat er nu eenmaal niet.
Er staat "gij, rijken". En dan wordt pas later gezegd wat rijken zijn.
En zouden bij ons ,;de armen naar de wereld" inderdaad de mensen op de rand vanhet bestaansminimum zijn?
Het oordeel van Jakobus gaat dieper dan de mentaliteit. Het oordeel houdt meer in dan een veroordeling van de bestedingen. Het oordeel raakt ook de wijze waarop de rijkdom wordt verkregen, de wijze waarop de rijke de medemens en de natuur misbruikt.
Wat is een rijke?
Iemand die weelderig leeft; die rechtvaardige veroordeelt en zoveel macht heeft dat men geen verweer tegen hem heeft.
Maar ook een uitbuiter, iemand die de arbeider te weinig loon betaald en de mensen op het land uitbuit. En dit inhouden van het loon en deze uitbuiting die mogelijk is gemaakt doordat de rijken de macht in handen hebben en de arbeider rechteloos is, dit alles dringt door tot de oren van de Here Sebaot.
Men berooft het oordeel van Jakobus van zijn diepste betekenis wanneer men dit slechts laat gaan over de besteding van de rijkdom en over aperte oneerlijkheden. Het oordeel gaat, en dat blijkt uit de opsomming in hoofdstuk 5 over een samenleving waarin de rijken de macht hebben en deze macht gebruiken om de arbeidende mens op alle terreinen uit te buiten en te onderdrukken, Wat betekent een bekering van een rijke? Ik geef hier het antwoord niet.
Maar indien U de bijbel eerlijk leest, zult U moeten toegeven dat het leven voor een bekeerde rijke maatschappelijk ontzettend moeilijk wordt.
En wat te denken van een systeem waarin het noodzakelijk is om de arbeidende mens uit te buiten terwille van de concurrentie?
5. Het is moeilijk om de radicaliteit van het evangelie te onderschrijven.
Het hart van de mens kent ten aanzien van deze radicaliteit drogredenen.
Twee drogredenen strijden om de voorrang.
Eén van deze drogredenen gaat uit van de bijbelse norm dat de arbeider zijn loon waard is. Nu is het loon de prijs van de arbeid. Naar bekend en algemeen aanvaard wordt de prijs bepaald door op de markt heersende vraag- en aanbodsverhoudingen. Als een arbeider weinig presteert zal hij ook niet gevraagd worden en zal de prijs van zijn arbeidskracht ook laag liggen. Weliswaar zijn er nu collectieve arbeidsovereenkomsten, maar daarachter schuilen toch weer de wetten van vraag en aanbod die het loon, de prijs van de arbeid bepalen. Recht is nu als de ondernemer zich aan die marktprijs houdt. Daarmede is de samenleving gediend en dus ook de arbeider.
Een andere drogreden is dat er in een maatschappij winst moet worden gemaakt. Er is toch een cultuuropdracht en deze opdracht moet worden gefinancierd uit de winsten. En winsten ontstaan uiteindelijk doordat een gedeelte van de geproduceerde waarde niet aan de arbeiders toevalt maar als restinkomen aan de bezitters van het kapitaal. De arbeider is zijn loon waard. De meerwaarde valt aan de rijke toe.
Zo is het goed, zo wordt de vooruitgang gediend.
Maar als U daar voor pleit, dan moet U zich goed realiseren dat U de mens tot koopwaar maakt. De waarde van de mens ligt dan in het vermogen om arbeidskracht te leveren. Maar realiseert U zich dan ook dat in zulk een systeem de mens wel moet worden uitgebuit en dat deze uitbuiting ook vandaag nog door dringt tot de oren van de Here Sebaot.
Elk systeem dat gebaseerd is op de scheiding tussen de rijken met alle macht en de arbeiders die zich alles moeten laten welgevallen, dat systeem valt onder het oordeel van Jakobus.
Uitdrukkelijk moet hierbij vermeld worden dat ook andere systemen waarin gedeelten van de,mensheid wordt onderdrukt, worden veroordeeld, maar dat is nu niet aan de orde.
6. Na deze uiteenzetting betreffende de evangelische radicaliteit is de vraag onvermijdelijk wat dit alles te maken heeft met de problemen van een wereld waarin de werkgelegenheid steeds schaarser dreigt te worden.
Om daarop een recht zicht te hebben eerst een korte vermelding van enkele details. Het gaat dus nu om het eerste aspect.
Het is overduidelijk dat het met de werkgelegenheid in de westerse landen slecht gaat. Daar zijn allerlei redenen voor op te geven. Zo is er een minder sterke groei van de wereldhandel dan verwacht is. Er is een groei van de technologie, een voortdurende industriële revolutie waardoor veel werk door machines en computers kan worden overgenomen.
Wij worden geconfronteerd met een samenleving waarin de mens de concurrentie om de werkgelegenheid aan het verliezen is.
De toestand ontwikkelt zich zo dramatisch dat zelfs bij een belangrijke groei van de wereldhandel en zelfs bij een minder sterke groei van de technologie, er op de duur in het productieproces van goederen en diensten voor de markt voor de meeste mensen geen plaats meer zal zijn. Niet voldoende plaats in de zgn. marktsector om daar in een "goddelijk beroep" een inkomen te verdienen.
Nu moet er op worden gewezen, dat het al te goedkoop is te stellen dat er voor een christen altijd genoeg te doen is. Dat is wel zo, maar het is zo wrang dit op te merken als jonge mensen niet aan de slag kunnen komen.
Maar wat schuilt er achter de ontwikkeling die zulk onheilspellende gevolgen heeft voor de werkgelegenheid?
7. In onze kringen zijn we bekend met de zienswijze dat het rationalisme en humanisme hebben geleid tot een verheerlijking van de autonome mens. Of beter, beide -ismen zijn niets anders dan uitwerkingen van de autonomie van de mens. De mens die door wetenschap en techniek zich in staat acht zijn toekomst te beheersen. Deze verafgoding van de autonome mens leidt tot een vooruitgangsgeloof, dat de norm der doelmatigheid, van de efficiëncy tot hoogste norm verheft en daarmede de mens vereconomiseerd. De mens krijgt een economische waarde.
In dit geloof met zijn veranderde norm van efficiëncy, past de mens als productiefactor. Zoals de bijbel spreekt van de arbeider, spreekt de moderne economie van de arbeidskracht. De arbeider is te waarderen naar zijn arbeidskracht. En om deze arbeidskracht te beschermen wordt er in de moderne wetenschap weer aandacht geschonken aan de mens in het productieproces. Maar altijd blijft op de achtergrond de concurrentiestrijd van mens en machine. En de prijs van elk bepaalt de uitkomst van deze strijd om de werkgelegenheid.
Het vooruitgangsgeloof brengt a.h.w. in een voortdurende industriële revolutie, een maatschappelijke structuur voort, schept een complex van arbeidsverhoudingen waarin de éne partij de arbeidskracht koopt en deze tegen een overeengekomen loon verhandelt. Deze benutting van de arbeidskracht is noodzakelijk om te kunnen overleven. Wanneer de arbeidskracht niet meer voldoet aan de eisen die de concurrentiestrijd stelt, dan houdt de arbeider op leverancier te zijn. Hij is door louter uit het systeem voortvloeiende economische factoren van zijn werk beroofd.
Typisch marxistisch zou nu zijn op te merken dat doordat de arbeider niet meer kan arbeiden, niet meer kan strijden met de natuur, de mens wordt beroofd van de mogelijkheid om zich zelf te ontplooien. De christen weet wel beter.
Er zijn inderdaad nog vele zinvolle dingen te doen. Daarover later nog een opmerking.
Nu zijn door allerlei ontwikkelingen binnen de ondernemingsgewijze productie de arbeidsverhoudingen wel ingewikkelder geworden. De overheid bemoeit zich in sterke mate met het economisch leven, zodat de resultaten meer maatschappelijk aanvaardbaar worden. Er zijn vakverenigingen en andere belangenorganisaties waardoor de macht van de individuele "rijke" wordt ingeperkt.
Maar principiëel blijft er sprake van de mens die moet concurreren met zijn arbeidskracht; het blijft het systeem waarin een groot gedeelte van de mensheid niet over eigen werksituatie kan en mag beslissen.
In dit verband nog een opmerking.
Het is niet onmogelijk dat U wat ontzet bent door bovenstaande revolutionair klinkende woorden en uitdrukkingen.
En zij, die hebben nagedacht over de ontwikkelingen in de samenleving en niet het voornemen hebben om de bestaande ordeningen zo maar goed te praten, zij kunnen terecht op een zekere eenzijdigheid wijzen. Er treedt inderdaad een accentuering op.
Maar dit neemt niet weg dat het gaat om een fundamentele stellingname achter het woordgebruik.
Het gaat erom te geloven in een bijbel die het complex van normen laat gaan over de bestaande verhoudingen in de samenleving; de eigendomsen machtsverhoudingen niet buiten het oordeel houdt.
(wordt vervolgd)