De wederkerigheid in de zorg

2012-04-28
  • Jaargang 56
  • nummer 9
‘Laat als je aalmoezen geeft je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet’. Door deze woorden van Jezus is onder veel christenen het beeld ontstaan dat wie het rijk en goed heeft geheel belangeloos voor de ander zou moeten klaarstaan. Belangeloze, zelfopofferende liefde als een hoog christelijk ideaal. Het klinkt mooi en je zou denken dat de medemens daar inderdaad het beste mee af is. Maar is dat wel zo? Of is eerder het omgekeerde waar en maakt dit ideaal hem juist machteloos?

Wat bedoelde Jezus (Matteüs 6:3) eigenlijk met de opdracht of het bevel: ‘Laat als je aalmoezen geeft je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet’? Is zo’n gebod niet net zo onmogelijk als de opdracht om te vergeten wat iemand je heeft aangedaan of om niet steeds te kijken naar de extreem lange neus van je tante?
Juist op het moment dat je aandacht erop gevestigd wordt, weet je dat het voortaan onmogelijk is om er niet meer aan te denken. Iedere keer wanneer jij een straatkrant koopt, weet je linkerhand uitstekend wat je rechterhand doet.

Geven zonder schuldgevoel
Je zou denken dat het helpt als je in deze woorden van Jezus niet zozeer een opdracht of een gebod ziet, maar eerder een wens of een belofte: laat het toch zo zijn dat je linkerhand niet weet wat je rechterhand doet. Of: stel dat je zo onbekommerd in het leven stond dat je zo’n aalmoes zou kunnen geven zonder schuldgevoel, zonder na te denken over de vraag of je het wel missen kunt, en puur en alleen gedreven door het idee wat te kunnen bijdragen aan het heil van die ander. Heerlijk toch, als je het zo zou kunnen ... Want ga maar na: elke keer als ik iemand tegenkom die een straatkrant aan mij wil slijten, spelen er allerlei gedachten door mijn hoofd. Redelijke en onredelijke. Bijvoorbeeld: ga toch eens wat doen met je leven in plaats van hier dag in dag uit die stomme krant te verkopen.
Of: wat zou het haar helpen als ik die paar euro – die ik trouwens gemakkelijk missen kan, daar niet van – aan haar afsta? Of: hier, heb jij twee euro en die krant mag je houden.

Waarom helpen wij?
Tegenwoordig komen er steeds meer vragen op over de (in)effectiviteit van hulp en de schade van slachtofferdenken.
Helpt onze goedbedoelde hulp wel zo goed als we denken dat die helpt? Maakt belangeloze hulp de ander misschien niet juist hulpelozer en weerlozer dan die al was? Moeten we eigenlijk wel veel(?) geld blijven uitgeven aan ontwikkelingssamenwerking?
Moeten mensen die hulpeloos langs de kant staan niet eerder een schop onder hun achterste krijgen dan liefdevol verzorgd worden?
Is medelijden wel een goede drijfveer voor diaconaat? Allemaal vragen die ons bepalen bij de daarachter liggende vragen: Waarom helpen wij eigenlijk? Wat zijn onze beweegredenen?
Hoe staan wij tegenover onze naaste en tegenover onszelf?

(Vang)netwerken
Op het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken aan de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle, waar wij werkzaam zijn, wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de relaties tussen meer kwetsbare en meer weerbare burgers, en dan met name naar de wederkerigheid daarin. De aanleiding vormt de in januari 2007 ingevoerde Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Daardoor is er namelijk een belangrijke verschuiving ontstaan in het denken over zorg en welzijn. In de klassieke verzorgingsstaat lag de verantwoordelijkheid voor de burger voornamelijk bij de overheid.
Nu de overheid zich terugtrekt en de activerende verzorgingsstaat opkomt, zullen mensen in principe voor zichzelf of voor elkaar moeten zorgen. Als hen dat niet lukt, moeten ze een beroep doen op hun directe sociale omgeving (de civil society) en pas in laatste instantie komt de (burgerlijke) gemeente in beeld: als het vangnet van voorzieningen voor degenen die zichzelf niet kunnen redden en geen beroep kunnen doen op een ondersteunend netwerk in hun omgeving. Onze netwerken worden dus van steeds meer belang. Door de Wmo worden we opgeroepen om niet alleen ons eigen welzijn vorm te geven, maar om ook naar de ‘kwetsbare medemens’ om te zien.

De ‘calculerende’ burger
Wat is ‘wederkerigheid’ nu in dat verband? Daaronder verstaan wij al die patronen van wederzijds geven en ontvangen in contacten tussen mensen. Naarmate die wederkerigheid duurzamer wordt, veranderen contacten meer en meer in relaties, zou je kunnen zeggen.
Alleen, is het wel zo vanzelfsprekend dat dat gebeurt? Want waarom zouden ze ontstaan, die goede en duurzame contacten tussen mensen met en mensen zonder beperkingen?
Waarom zouden gelukkige, weerbare en onafhankelijke mensen zich druk maken om en omkijken naar de meer kwetsbaren in hun omgeving?
Wat leveren zulke contacten op? Zijn moderne mensen niet domweg te egoïstisch om aandacht te geven aan mensen die het minder hebben? Veel mensen zijn tegenwoordig welvaartsverslaafd, volgens de heersende opinie, ze geven in principe weinig aandacht aan hun minder bedeelde naaste. Een meerderheid van de Nederlanders is van mening dat de Nederlandse burger een stuk egoïstischer is geworden, en onze samenleving daardoor een stuk minder sociaal. Diezelfde meerderheid vindt trouwens ook dat dit vooral voor de ander geldt en geeft zichzelf in het algemeen een betere beoordeling dan de buren. Paradoxaal genoeg hebben de meeste Nederlanders dus buren die zichzelf socialer vinden dan hun buren – een stemming die wel eens is getypeerd als ‘met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht’.
Een mens is blijkbaar algauw geneigd om zijn situatie te beoordelen naar het beeld dat hij van de samenleving heeft. Zelfs de Memorie van Toelichting op de Wmo heeft die neiging, als ze ons, moderne burgers, een standje geeft vanwege onze asociale opstelling: als moderne burger heet je ‘calculerend’ te zijn: wij hebben overbewuste linker- en rechterhanden.

Wederkerigheid = duurzaamheid
Toch blijkt uit onderzoek ook – en dat herkennen we wellicht ook – dat er onder ons, mensen, een grote bereidheid bestaat om de medemens te helpen. We zien dat in allerlei initiatieven in wijken en buurten, waar de bereidheid om te helpen vaak nog groter is dan de daadwerkelijke hulpvraag die er in die wijken leeft (misschien is het dus nog wel moeilijker om hulp te ontvangen dan om hulp te geven).

Ons onderzoek vanuit het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken gaat uit van de verwachting dat alleen wederkerige contacten tussen mensen duurzaam zullen blijken.
Wij veronderstellen daarbij dat veel mensen voor contacten met meer kwetsbare medemensen terugschrikken omdat ze bang zijn voor een eenzijdig patroon: je moet er veel in investeren en je krijgt er maar weinig voor terug. Tegelijk zien we het omgekeerde: mensen die niet om ondersteuning durven te vragen, juist omdat er maar zo weinig kan worden teruggegeven.
Denk maar aan je neiging om voor vrienden die bij een bezoek aan jou een flesje wijn meenemen, een cadeautje mee te nemen wanneer je bij hen op bezoek gaat. Of aan het feit dat je voor je buren, die regelmatig op jullie zoontje passen, graag ook eens hun container aan de weg zet.
Hoe de balans in genoemde wederkerigheden ook is, binnen een wederkerige relatie geldt dat beide partijen op een bepaald moment iets aan elkaar geven en iets van elkaar ontvangen – daarin ontstaat een zeker patroon. Hoe dat patroon eruitziet is sterk afhankelijk van de soort relatie en de sociale afstand daarbinnen. Is er veel sociale afstand, dan lijkt er eerder sprake te zijn van ‘uitruil’ van zaken van vergelijkbare waarde dan als de relatie meer ‘dichtbij’ is en er het vertrouwen heerst dat die ander er voor je zal zijn als jij hem nodig hebt.

Weerbaar versus kwetsbaar
Als er in een relatie geen sprake is van wederkerigheid, kan het zomaar zijn dat zo’n relatie niet alleen eenzijdig maar zelfs tweezijdig uitputtend is. Dat is niet alleen mogelijk als één van de partijen steeds alleen maar geeft (zelfopoffering), maar ook als één van de partijen steeds alleen maar ontvangt. Wie steeds alleen ontvangt zal daardoor meer en meer zijn gevoel van eigenwaarde verliezen. Als mensen als ‘losers’ worden beschouwd omdat ze niets te bieden hebben, en zo in de rol van enkel ‘ontvangende partij’ worden geplaatst, zullen zij zich steeds minderwaardiger gaan voelen. En juist het beleid vanuit de Wmo zou dit effect nog wel eens kunnen versterken, omdat daarmee immers de suggestie wordt gewekt dat ‘weerbare mensen’ van betekenis moeten zijn voor hun ‘kwetsbare medemens’. Wat het gevolg daarvan is voor die kwetsbare medemens blijft daarbij buiten beeld.

De ander zien als gever
Wij denken dat het van cruciaal belang is dat mensen die ondersteuning nodig hebben zodanig worden geholpen dat zij hun gevoel van eigenwaarde kunnen behouden en waar mogelijk versterken. De veelgebruikte term ‘empowerment’ zou dan betekenen: een ander zodanig ondersteunen dat die zo veel mogelijk ook zelf ‘gever’ kan zijn.
In hoeverre hebben wijzelf in de rol van hulpverlener, of dat nu professioneel is of als vrijwilliger, oog voor de wederkerigheid in de relaties die we daarin aangaan? Wordt onze drijfveer om iemand te helpen bepaald door het goede gevoel dat wij ervan krijgen of door werkelijke belangstelling voor die ander en de wens om die ander te zien als ‘gever’ in plaats van als ‘ontvanger’?

Om die redenen is het goed om je als hulpverlener – of het nu is als professional of als vrijwilliger – bewust te zijn van de factoren die wederkerigheid in relaties kunnen belemmeren. Bijvoorbeeld dat de hulpgevende rol nogal comfortabel kan zijn omdat vooral de ander kwetsbaar is. Zie je die ander werkelijk als een volwaardige medemens, die je respect verschuldigd bent?
Wat ook belemmerend kan werken is de enorme waarde die tegenwoordig gehecht wordt aan waarden van als autonomie, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid, wat maakt dat iemand die afhankelijk is bij voorbaat al op achterstand staat. En neem de verschillen in uitgangspositie: wie met een beperking leeft heeft dikwijls minder inkomen en dat merk je aan de mogelijkheden om sociale contacten aan te gaan. En ten slotte: alleen al de termen waarmee wij bepaalde groepen mensen aanduiden (bijvoorbeeld: ‘kwetsbaar’ versus ‘weerbaar’) kunnen maken dat iemand zich achtergesteld voelt.
Een evenwichtige relatie zal dan niet gemakkelijk ontstaan.

Goede zorg vraagt om wederkerigheid.
Wie hulp geeft zal hieraan dus veel aandacht moeten geven in de ondersteuning van wie op zijn of haar hulp is aangewezen. Ook in de kerk.
‘Belangeloos klaarstaan voor de ander’ komt zo in een ander licht te staan. Het woord van Jezus dat je linkerhand niet mag weten wat je rechterhand doet, kan toch niet bedoeld zijn om hulpvragers in onderlinge contacten machteloos te maken? Stof tot nadenken, zouden wij zeggen.

Dit is een voor Opbouw aangepaste versie van een lezing voor het Reliëf jaarcongres van 9 maart, ‘Zorg: Alleen samen’.

Jan Hoogland is lector en Femmianne Bredewold is onderzoeker aan het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken van de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief