Dominee doorsnee is er rond Israël nog niet uit

2012-04-28
  • Jaargang 56
  • nummer 9
Hoe denken de predikanten in de NGK over ‘Israël’? Over die vraag gaat een groot deel van het Jaaroverzicht in het Informatieboekje 2012 dat binnenkort verschijnt. Aan alle gemeentepredikanten die binnen de NGK werkzaam zijn, heb ik via een enquête naar hun opvattingen over ‘Israël’ gevraagd. Dat leverde boeiende uitkomsten op die door de hoge respons (88%) een betrouwbaar beeld geven van hoe de in de NGK actieve predikanten over ‘Israël’ denken. Een voorpublicatie.

De eerste enquêtevraag luidt: ‘Heb je met het Joodse volk meer affiniteit dan met andere volken in deze wereld (even afgedacht van je eigen volk)?’ Deze vraag wordt door 79% bevestigend beantwoord, door 20% ontkennend en door 1% met een ja/nee.
Uit deze respons blijkt dat het Joodse volk bij een grote meerderheid van de in de NGK dienstdoende gemeentepredikanten een bijzondere plaats inneemt. Naar de reden hiervoor is niet doorgevraagd.
Mogelijk ligt hier een relatie met het antwoord op vraag 3 (‘Beschouw je het huidige Joodse volk nog steeds als Gods uitverkoren volk?’). De predikanten die vraag 1 instemmend beantwoorden, beantwoorden grotendeels ook vraag 3 instemmend. Een volgende vraag is: ‘In welke mate hebben theologische vragen met betrekking tot het Joodse volk je bijzondere belangstelling?’. Anders gezegd: Leeft het thema Israël onder dienstdoende gemeentepredikanten binnen de NGK? Het globale antwoord luidt: noch in hoge mate, noch in geringe mate. Meer dan de helft van de predikanten (53%) geeft aan noch in hoge, noch in geringe mate belangstelling voor theologische vragen te hebben.
Van de resterende 47% geeft ruim de helft aan (ongeveer 33% op het totaal) in hoge tot zeer hoge mate geïnteresseerd in deze vragen te zijn en ongeveer 15% geeft aan niet of in het geheel niet door deze vragen geboeid te worden.

Gods uitverkoren volk?
Vraag 3 heeft direct te maken met de visie die iemand op het huidige Joodse volk heeft: ‘Beschouw je het huidige Joodse volk nog steeds als Gods uitverkoren volk?’ Deze vraag is van een behoorlijk groot theologisch gewicht. Was het Joodse volk Gods uitverkoren volk of is het dat nog steeds? 62% meent dat het huidige Joodse volk nog steeds Gods uitverkoren volk is, 19% meent van niet en 15% heeft hierover geen mening.

Volgens 62% van de geënquêteerden neemt het Joodse volk nog steeds een bijzondere positie in binnen Gods plannen met deze wereld (vraag 4).
20% meent van niet en 17% heeft hierover geen mening. Deze percentages komen welhaast exact overeen met die van de derde vraag. Grosso modo (niet iedereen beantwoordt deze vragen op dezelfde wijze met ja of nee) is de grote lijn dat degenen die het huidige Joodse volk als Gods uitverkoren volk beschouwen ook van mening zijn dat het Joodse volk nog steeds een bijzondere plaats inneemt in Gods plan, en omgekeerd, dat degenen die het huidige Joodse volk niet als Gods uitverkoren volk beschouwen ook van mening zijn dat het Joodse volk geen bijzondere plaats inneemt in Gods plan.
Veertig predikanten beantwoorden vraag 3 en 4 beiden instemmend (53%) en acht predikanten (10%) beantwoorden beide vragen ontkennend.
Op grond van deze uitkomst mag mijns inziens gesteld worden dat een meerderheid van de in de NGK dienstdoende gemeentepredikanten met een zekere verwachting de ontwikkelingen rond het Joodse volk volgt.

Wijzers op Gods klok?
Menig christen volgt de ontwikkelingen rond het Joodse volk niet alleen met een zekere verwachting, maar zelfs met argusogen, omdat zij die ontwikkelingen beschouwen als ‘wijzers op Gods klok voor de eindtijd’.
In dit verband wordt wel op Lucas 21:29-30 gewezen: ‘Let op de vijgenboom en op al de bomen. Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is’. Niet zelden gaat deze opvatting gepaard met een bepaalde zienswijze op het verloop van de eindtijd die enigszins in de lijn ligt van de zienswijze van ds. Blokhuis.
De vraag (5) ‘Beschouw je de ontwikkelingen rond het Joodse volk als wijzers op Gods klok voor de eindtijd?’ wordt door 25% van de geënquêteerden bevestigend, door 56% ontkennend beantwoord en 17% gaf aan hierover geen mening te hebben.

Toekomstige bekering?
‘Wijzen de Bijbelse gegevens er volgens jou op dat het Joodse volk zich in de toekomst als geheel tot Jezus Christus zal bekeren?’ Deze vraag (6) hangt direct samen met de uitleg van Romeinen 11:25-26: ‘een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden’.
20% van de geënquêteerden verwacht dat het Joodse volk zich in de toekomst als geheel tot Jezus Christus zal bekeren, 56% verwacht dit niet en 24% heeft hierover geen mening. Daarbij blijkt dat de groep die vraag 6 bevestigend beantwoordt, grotendeels gelijk is aan de groep die ook vraag 5 bevestigend beantwoordt. Hieruit mag je mijns inziens concluderen dat er een kleine, maar niet te verwaarlozen groep predikanten binnen de NGK is (een kleine 20%) die er min of meer dezelfde opvattingen als ds. Blokhuis op nahoudt.
Verder valt op dat een verhoudingsgewijs groot aantal predikanten (een op de vier) aangeeft niet te weten of er in de toekomst sprake zal zijn van een bekering van het Joodse volk tot Jezus Christus.

Vervulling landbelofte?
Een uiterst cruciale en tegelijk politiek beladen vraag is hoe aangekeken wordt tegen de terugkeer van het Joodse volk naar het land der vaderen.
Mag dat gezien worden als een vervulling van de beloften die God aan het Joodse volk gedaan heeft? De stelling die ik geformuleerd heb luidt: ‘De terugkeer van het Joodse volk naar het land der vaderen is een vervulling van Gods beloften aan Israël’.
36% van de ondervraagden is het hiermee eens, 35% is het hiermee oneens en 28% geeft aan hierover geen mening te hebben.
Uit de percentages blijkt dat over dit punt verhoudingsgewijs de grootste verdeeldheid bestaat. Opvallend is ook nu het grote percentage dat aangeeft hierover geen opvatting te hebben. Mogelijk had ik gelijktijdig ook enkele andere stellingen moeten voorleggen waaruit de ondervraagden een keuze hadden kunnen maken.
Zoals: ‘De terugkeer van het Joodse volk naar het land der vaderen is een teken van Gods trouw aan het volk.’ En: ‘De terugkeer van het Joodse volk naar het land der vaderen is niet meer dan een menselijke aangelegenheid.’ Vermoedelijk zou dat een wat helderder beeld hebben gegeven.
Anderzijds roept het de vraag op in welke mate de voorgangers zelf een duidelijk beeld hebben van hun verwachtingen voor het Joodse volk. Als een kleine twee derde van de predikanten van mening is dat het Joodse volk nog steeds Gods uitverkoren volk is en dat het een bijzondere positie inneemt binnen Gods plannen met deze wereld, hoe kan het dan dat slechts een op de drie predikanten in de terugkeer naar het land der vaderen een vervulling van Gods beloften aan het Joodse volk ziet? Hier zit een onduidelijkheid, waarvan het me niet lukt die weg te nemen op basis van de voorliggende enquête.

Tweestaten-oplossing?
We begeven ons met de volgende stelling nog meer op het terrein van de actuele situatie, te weten het conflict tussen Joden en Palestijnen dat decennialang al het wereldnieuws beheerst. Hoe kan dat ooit opgelost worden? Er zijn Joden en christenen die vanwege hun overtuiging dat het land Israël rechtens het Joodse volk toebehoort van mening zijn dat een tweestaten-oplossing – waar overigens de Palestijnen in meerderheid niets van willen weten – alleen al op principiële gronden afgewezen moet worden. Vandaar dat ik aan de dienstdoende gemeentepredikanten ook de volgende stelling heb voorgelegd: ‘Een pleidooi voor de vestiging van een Palestijnse staat in het land Israël is onverenigbaar met Gods beloften aan het Joodse volk.’ In overgrote meerderheid (84%) zijn de ondervraagden het niet eens met deze stelling. Slechts 3% van de ondervraagden is het eens met de stelling.

Kritische houding en loyaliteit
Vrijwel unaniem (99%) stemmen de ondervraagde predikanten in met de volgende stelling: ‘Een positieve houding tegenover het Joodse volk kan heel goed gepaard gaan met een kritische houding tegenover de politiek van de staat Israël’. Wat lastiger ligt het als de stelling wordt voorgelegd of ‘in het conflict tussen Israël en de Palestijnen onze loyaliteit principieel bij het Joodse volk dient te liggen’. Een aanzienlijke meerderheid (68%) is het niet met deze stelling eens, 15% is het wel met deze stelling eens en 13% heeft daarover geen mening.

Een laatste stelling gaat in op een concreet punt met rechtstreeks politieke implicaties: het nederzettingenbeleid van de staat Israël. 3% staat achter het nederzettingenbeleid dat de Israëlische regering in de bezette gebieden voert. 50% staat niet achter dat nederzettingenbeleid, 27% heeft er geen mening over en 19% vindt het nederzettingenbeleid een zaak van het Joodse volk en onthoudt zich daarom van een oordeel over deze zaak.

Dominee doorsnee
Overzien we de reacties op de enquête, dan krijgen we van de doorsnee dienstdoende gemeentepredikant in de NGK het volgende beeld: hij (kan ook een zij zijn) voelt zich verbonden met het Joodse volk, al hebben de theologische vragen rond ‘Israël’ niet zijn buitengewone belangstelling. Hij beschouwt het huidige Joodse volk als Gods uitverkoren volk en is van mening dat het nog steeds een bijzondere positie inneemt binnen Gods plannen met deze wereld.
Dat betekent niet dat hij die ontwikkelingen als wijzers op Gods klok voor de eindtijd beschouwt en ook niet dat hij van mening is dat de Bijbelse gegevens uitwijzen dat het Joodse volk zich in de toekomst als geheel tot Jezus Christus zal bekeren. Enigszins in verwarring raakt hij als het om de terugkeer van het Joodse volk naar het land der vaderen gaat: is dat nu een vervulling van Gods beloften aan Israël of niet?
Hij is er niet uit. Dat betekent niet dat hij over het vinden van een uitweg uit de enorme problematiek tussen het Joodse en Palestijnse volk geen opvattingen heeft. Dat ook de Palestijnen een eigen staat in het huidige Israël krijgen is volgens hem verenigbaar met Gods beloften aan het Joodse volk. Hij is zonder meer van mening dat een positieve houding tegenover het Joodse volk heel goed gepaard kan gaan met een kritische houding tegenover de politiek van de staat Israël. Ook vindt hij niet dat zijn loyaliteit in het conflict tussen Israël en de Palestijnen principieel bij het Joodse volk hoort te liggen.
Met het nederzettingenbeleid van de Israëlische regering in de bezette gebieden zit hij behoorlijk in de maag: hij is er tegen, maar wil dat niet al te luid roepen: in de Nederlandse media is de berichtgeving over het Joods-Palestijnse conflict al gekleurd genoeg.

Wat kan op basis van het hierboven geschetste beeld gezegd worden over de mate waarin de gemiddelde dienstdoende gemeentepredikant in de NGK zich verwant voelt met hetzij de visie van ds. De Jong, hetzij de opvattingen van ds. Blokhuis? Naar mijn stellige indruk kan de doorsnee dominee zich noch met de opvattingen van de een noch met de opvattingen van de ander identificeren. De manier waarop ds.
De Jong over het huidige Joodse volk spreekt (niet Gods uitverkoren volk, maar ‘geliefden om der vaderen wil’), over de alija, de terugkeer tot het land der vaderen (‘het resultaat van een uitsluitend menselijk handelen’) en Jeruzalem (‘een stad waar de Here God geen speciale bemoeienis meer mee heeft’), zal de gemiddelde predikant niet voor zijn rekening kunnen nemen.
Maar dat geldt niet minder, eerder nog meer, voor de visie die ds. Blokhuis heeft op het beloofde land – inclusief de politieke implicaties daarvan – en het eindtijdscenario dat ds. Blokhuis op basis van de Bijbelse profetie schetst en waarin alles om Israël draait. Ook is de houding van de doorsnee predikant veel kritischer ten opzichte van de staat Israël dan binnen kringen van Christenen voor Israël gebruikelijk is.

Ds. Jan Mudde is redacteur van het Informatieboekje voor de Nederlands Gereformeerde Kerken.

Twee polen

De opvattingen van de predikanten in de NGK bewegen zich tussen twee polen: die van ds. H. de Jong en die van de vorig jaar overleden ds. L.W.G. Blokhuis.

Geen speciale bemoeienis
De Jong beschouwt het huidige Joodse volk niet zonder meer als Gods uitverkoren volk, maar als ‘de geliefden om der vaderen wil.’ In De landbelofte (2011) schetst hij een ontwikkeling in de Bijbel waarbij het beloofde land zo ruim wordt als heel de aarde, terwijl daarnaast de aandacht van het land verschuift naar de plaats Jeruzalem en uiteindelijk Jeruzalem als geestelijk centrum van de wereld wordt vervangen door Jezus Christus.

Over de politieke implicaties van zijn opvattingen schrijft De Jong: ‘Politiek betekent dit dat we de staat Israël van vandaag niet anders dan als volk onder de volken kunnen behandelen, loyaal, met dezelfde rechten (het met de Palestijnen gedeelde recht op een woonplaats in de landstrook tussen de Middellandse Zee en Jordanië …) en met dezelfde plichten’ (p. 13). Het Jeruzalem van vandaag is voor De Jong ‘een stad … waar de Here God geen speciale bemoeienis meer mee heeft.
Ook nu de stad in onze dagen weer in Joodse handen is moeten we zeggen dat dit het resultaat is van een uitsluitend menselijk handelen’ (p. 34, 35).
Joden en Palestijnen claimen beiden het recht op de ongedeelde stad. Op grond van de landbelofte voor één van de twee, te weten de Joden, is kiezen voor De Jong geen optie.

Nog volop geldig
Voor ds. L.W.G. Blokhuis (onder meer in de publicaties Land voor Vrede?(1993) en Israël, vraag en teken) is het hermeneutische uitgangspunt dat profetieën in de Bijbel in de eerste plaats een letterlijke vervulling hebben. Wie de profetie geestelijk uitlegt in plaats van letterlijk laat volgens hem grote delen van de heilige Schrift duistere mysterieuze bladzijden blijven voor gelovige Bijbellezers.
Op grond van de profetieën van het Oude Testament (Jesaja 11:11, Jeremia 23: 7, 8) is hij van mening dat er een tijd zal komen waarin al Gods beloften aan Israël vervuld zullen worden. Aan de diaspora zal een einde komen, van alle einden der aarde keren de Joden terug naar hun land, er zal ook sprake zijn van een groot Armageddon (Ezechiël 38 en 39, Openbaring 20), maar Koning Jezus zal overwinnen.
Blokhuis is van mening dat de landbelofte nog volop geldig is en vindt daarvoor een bevestiging in het Nieuwe Testament. Hij beroept zich op Romeinen 11:29, waar Paulus schrijft dat Gods genadegaven onberouwelijk zijn. Ook sluit hij zich aan bij hetgeen dr. G.H. Cohen Stuart opmerkte: ‘Uit het feit, dat in geen van de overgeleverde brieven noch in de Evangeliën de landbelofte aan de orde wordt gesteld, moet worden opgemaakt dat dat in de gemeente geen punt ter discussie was.’ (Land voor Vrede?, p. 26) Over Jeruzalem schrijft Blokhuis: ‘Als de Schrift en de geschiedenis ook van onze dagen één ding betreffende het beloofde land duidelijk maken is het, dat Jeruzalem de enige, ene en ondeelbare hoofdstad van Israël is’ (p. 32).

Benieuwd hoe ds. Jan Mudde zelf over het Joodse volk en Israël denkt?
Lees daarover verder in het Informatieboekje 2012.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief