Zoeken naar een bijbels spoor

2006-02-17
  • Jaargang 50
  • nummer 4
Een jong stel meldt zich bij de plaatselijke Nederlands Gereformeerde Kerk. Hij van Hervormde huize, zij uit een Vrijgemaakt nest. Ze bezoeken de diensten al een tijd en zijn zich steeds meer thuis gaan voelen. En nu willen ze lid worden. Er is één complicatie: ze willen graag kinderen, maar hebben zo hun vragen bij de kinderdoop. Hoe zou de gemeente het vinden als ze hun kind nu niet laten dopen, maar opdragen en zegenen?

Een kleine rondgang onder Nederlands Gereformeerde predikanten wijst uit, dat velen met een zekere regelmaat met dit soort vragen te maken krijgen. Van nieuwkomers, maar ook van gemeenteleden.

Vragen
Wat moet een kerkenraad als gemeenteleden hun kinderen niet (meer) willen laten dopen? Ze naar een baptistenkerk sturen? Gedogen? Maar hoe omschrijf je de ongedoopte kinderen dan in het informatieboekje?
Wat is hun positie? Horen ze bij de gemeente? En hoe dan? Hoe principieel is de kinderdoop eigenlijk?
Hoe dan ook, het lijkt tijd voor verdere bezinning. Afgelopen zomer heb ik vier weken studieverlof aan deze vragen gewijd. In dit eerste artikel aandacht voor de geschiedenis van de doop en bijbelse gegevens. In de volgende Opbouw aandacht voor de verschillende dooptradities en een poging een voorlopige balans op te maken.

Proselietendoop
Het dopen als godsdienstig ritueel is niet door de christelijke kerk uitgevonden. Zelfs Jezus was niet de eerste die er mee kwam. Het oude Israël kende al verschillende reinigingsrituelen. Deze ‘wassingen’ waren bedoeld om de gelovige ‘rein’ voor God te laten verschijnen in de tempel of bij andere bijzondere gelegenheden, waar God nadrukkelijk aanwezig was. Deze wassingen worden door de profeten toegespitst op de Toekomst: de grote reiniging aan het einde van de tijd. Omdat de Israëlieten als ‘gedoopt’ golden door de besprenkeling met bloed bij de Sinaï en de doortocht door de Rode Zee, moest later iedere vreemdeling die zich bij het volk van God wilde aansluiten na zijn besnijdenis de ‘proselietendoop’ ondergaan. Vast staat, dat daarbij ook de kinderen werden meegedoopt.
Jezus en zijn leerlingen moeten als joodse gelovigen deze doop hebben gekend. Mattheüs vertelt hoe Jezus zijn volgelingen na zijn opstanding opdraagt om op weg te gaan en alle volken tot zijn leerlingen te maken door hen te dopen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Gevarieerde praktijk
Direct na de uitstorting van de Heilige Geest zijn de apostelen daarmee begonnen. Velen bekeerden zich en lieten zich dopen ’met hun huis’, beschrijft Lucas in zijn tweede boek, Handelingen. Nergens in dat bijbelboek wordt echter expliciet vermeld dat ook de kinderen van de gelovigen gedoopt werden. Echt zekerheid over het dopen van kinderen is er pas vanaf het jaar 185 n.Chr. De kerkvader Tertullianus verdedigt in zijn boekje ‘Over de doop’ de kinderdoop tegen de ‘ketter’ Pelagius. Die verwierp de leer van de erfzonde en wilde dus van het dopen van kinderen, die immers nog onschuldig waren, niet weten.
Over de dooppraktijk van voor die tijd bestaat dus geen absolute zekerheid als het gaat om de betrokkenheid van kinderen. De twee eeuwen erna is er een gevarieerde dooppraktijk. Er worden baby’s gedoopt, grotere kinderen en volwassenen. Door de vaak hevige strijd tegen allerlei ketterijen bleven de vragen rond de doopleeftijd op de achtergrond. Naarmate de christelijke kerk meer ingeburgerd raakte, werd de kinderdoop steeds meer de gangbare praktijk. De volwassendopers werden in toenemende mate als ketters beschouwd, vooral degenen onder hen die zichzelf of anderen lieten overdopen. In het jaar 413 kondigde de toenmalige Keizer Theodosius II de doodstraf af voor wie zich daaraan schuldig maakte.

Opkomst Baptisten
In de eeuwen daarna leidden de Baptisten een bestaan in de marge van de hoofdstroom van de christelijke kerk. In het Engeland van de 18e eeuw stonden de Baptisten in toenemende mate onder druk van de Church of England. Velen van hen emigreerden naar Amerika, waar ze de vrijheid hadden om uit te groeien tot de belangrijkste en grootste protestantse kerkgemeenschap. Met de opkomst van de Pinksterbeweging in West-Europa kreeg het Baptische gedachtengoed hier weer voet aan de grond.

Bijbelse gegevens
Het grote probleem bij de vragen rond de doop, is het gebrek aan evident bewijs uit de bijbel. Hoe werd er toen gedoopt? Laten we eerst eens bezien, wat we wel weten op grond van bijbelse informatie. Vast staat om te beginnen dat er volwassen mensen werden gedoopt. Bijvoorbeeld de ‘kamerling uit Morenland’ , Saulus (de latere Paulus), Lydia de purperverkoopster, de gevangenbewaarder van Filippi.
Ten tweede zien we, dat de doop plaats vond op grond van het persoonlijke geloof van de dopeling.
Zoals Jezus aan het slot van het Marcusevangelie zegt: ‘Wie gelooft en gedoopt is, zal worden gered.’ Dus zonder persoonlijk geloof geen doop. In de derde plaats staat vast, dat de doop zonder uitstel direct na de bekering plaats vond. De Kamerling komt tot geloof, ziet een plek met water en vraagt: ‘Waarom zou ik niet gedoopt kunnen worden’. Aldus geschiedde. Net als bij de andere bekeerlingen, waarvan Handelingen verhaalt. Zonder uitzondering werden ze onmiddellijk na hun bekering gedoopt. Zonder kerkdienst, zonder plaatselijke gemeente ook.
Tenslotte horen we van ‘huisdopen’, waarbij niet alleen de heer of vrouw des huizes zich bekeerde en gedoopt werd, maar ook het hele ‘huis’. Daar zullen in ieder geval de volwassen huisgenoten (oudere kinderen, personeel) die ook tot persoonlijk geloof kwamen, mee bedoeld zijn.

Bredere context
Maar er is meer, althans voor wie ook oog wil hebben voor verbanden en lijnen binnen het geheel van de bijbelse boodschap en de culturele en historische werkelijkheid, waarin de bijbel is ontstaan.
Zo hoeft het helemaal geen verbazing te wekken, dat in het Nieuwe Testament de nadruk op volwassendoop ligt. We hebben het hier immers over de eerste generatie christenen. Dat waren uiteraard allemaal bekeerde volwassenen.
Verder zijn er redenen om aan te nemen, dat als er sprake is van de doop van iemand ‘met zijn huis’ de kinderen uit dat huis meegedoopt zijn. Dat past helemaal in de culturele en religieuze context van toen.
Cultureel: mensen leefden altijd in verbanden van familie, stam en volk. Een mens-alleen bestond eigenlijk niet. De kinderen hoorden er bij. Zo vader, zo zoon. De keuzes van de pater familias golden ook voor de kinderen van zijn familie. Veranderde hij van geloof, dan zwenkten automatisch allen die in zijn huis woonden mee, inclusief de kinderen. Religieus: De God van de bijbel heeft zich verbonden met de mensen van zijn keuze, inclusief hun kinderen. Tegen Abraham zei de Heer: ‘Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen’. De besnijdenis van de jongetjes acht dagen na hun geboorte is daar het teken en zegel van.

Verschillende dooptradities
In de eerste eeuwen van het Christendom ontwikkelen zich verschillende dooppraktijken min of meer naast elkaar.
- Er is sprake van uitstel van de doop van kinderen om onderwijs te kunnen geven en de resultaten te toetsen.
- De werkzame kracht van het doopritueel wordt meer benadrukt.
- Na de doop wordt zondeloosheid gevraagd. Wat weer leidt tot uitstel van de doop tot op het sterfbed, zodat de kans om na de doop nog te zondigen nihil is.
- De nooddoop raakt in zwang om te voorkomen dat iemand ongedoopt sterft. Kinderdoop is een vorm van nooddoop. Ouders willen voorkomen dat hun kind ongedoopt en dus onverlost sterft.
- Zo ontstaat een dubbele dooppraktijk: vroeg(kinder)doop uit angst om ongedoopt te sterven en laat(volwassen) doop uit angst gedoopt nog te zondigen.

De volgende keer meer over deze verschillende dooptradities.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief