Maar aldus...
1978-03-17
In het oude Avondmaalformulier stond de zin: "Maar aldus zullen wij Zijner daarbij gedenken". Daarin werd de aanwijzing gegeven, hoe wij het lijden en sterven van onze Here Jezus in gedachtenis moeten houden.- Jaargang 22
- nummer 11
De lijdensweken zijn nu weer bijna om. Ik heb nooit de traditionele zeven of acht lijdenspreken gehouden. Ik heb het ook nooit geprobeerd, omdat ik wel wist, dat het niet lukken zou.
Misschien hebben vele predikanten die ervaring. Je bent immers geen patholoog-anatoom. U weet wel van die tak van medici. Zij hebben tot taak, secties te verrichten. Letterlijk genomen is een patholoog iemand die de wetenschap van het lijden beoefent en van de ziekte en die dat ontleden kan, ook door het lichaam te openen. Ik ben er zo bang voor, dat wij onze Here gaan ontleden, om dan precies te kunnen zeggen, wat er aan de hand was, hoe erg het was en waarom het allemaal zo ging. Ons gedenken is nooit passend; het is niet, wat je noemt adequaat.
Wij kunnen ons niet verplaatsen in dat lijden. Neem nu de muziek van J. S. Bach. De "Matthëus Passion" . Hoeveel mensen zijn niet door die muziek tot tranen geroerd. Ik ben dat ook. Maar het is mooie muziek.
De verklanking van het schrijven van Mattheüs over het lijden van de Here Jezus. Bach was een geniaal kunstenaar. Wat hij opschreef, waren welluidende klanken. Die muziek geeft niet wéér, wat daar indertijd in en bij Jeruzalem gebeurde, op die zwarte dag voor de sabbat; de sabbat die groot was; Wanneer bij Bach de scharen roepen om de vrijlating van Barabas en om de kruisiging van Jezus, dan klinkt de roep van die scharen weliswaar indrukwekkend, maar toch nog harmonieus.
Als je de ellendigheid van die dag wilde weergeven, dan moest je eigenlijk niet aan Bach vragen, of die het voor je wilde doen, maar aan een aantal wilde jongelui, die op deksels slaan, sirenes laten loeien, autoclaxons laten janken, en elektrische gitaren met versterkers, brommers met kapotte uitlaten en opgevoerde motoren, kortom, alles bij elkaar en doore1kaar wat maar lelijk is en pijn doet aan je oren en in je hoofd. In één woord: een hels kabaal. Dat zou passen bij die dag en dat zou er iets van weergeven, water was. Geen mooie muziek, waarbij de mensen diep ontroerd in de Grote Kerk zitten, terwijl ze luisteren naar keurige koorleden in éénvormige zwarte gewaden, solisten in rok of avondjapon, de dirigent al éven deftig. Om de stemming van de Goede Vrijdag weer te geven, zou nodig zijn een stel ellendigen en ellendelingen, die de stoelen omver trappen en de banken vernielen, en vloeken. Als herdenking van het lijden en sterven past niet het zeggen van een doórvoeld gedicht, voor een élitair publiek en ook geen dominee met een luide, huilerige stem. Het wordt mooi gemaakt en zo ontroerend en dat wás het niet. Het lijkt er niet op. Het kruis blijft iets, wat de "natuurlijke"
mens ergert en wat hem, als hij het· goed zou zien, tot een uitbarsting bracht van woede en verachting. Wie de Here Jezus liefheeft, die zou het hels lawaai niet verdragen, doch alleen maar verdriet hebben. Maar aldus zullen wij Zijner niet gedenken. - Je hebt ook die drie boekdelen: "Christus in Zijn lijden", van Schilder.
Ik heb de indruk, dat wat daarin geschreven is, bij een nieuw geslacht niet overkomt. We weten wel, dat het boek een reactie is op allerlei geschrijf en gepreek over al die mensen rondom Jezus. Psychologische verhandelingen over wat er in hen omgegaan moet zijn. Schilder wilde Christus centraal stellen en schrijven over Zijn ambt, dat Hij zo trouw volbracht heeft. Maar in deze tijd denk je: wat een woorden en wat een vondsten. Teveel. Moet dat nu zo en is het dát? Je bent geneigd om te zuchten: zeg er maar niet teveel van; zoals een man, die thuis komt uit het ziekenhuis ook liever niet heeft, dat je over zijn pijnen begint. En zoals een weduwe zegt: "Vader heeft veel geleden", maar meer wil ze er niet over zeggen. De Evangelisten zijn dan ook uiterst sober in hun verslagen en de apostelen weiden al evenmin breed uit over het lijden. Zij hebben het niet over "het drama van Golgotha".
Er is nóg een manier om het lijden te gedenken. De prediking en het lied worden dan scherp gepunt als een aanklacht tegen ons. Het zouden namelijk niet de Joden zijn geweest, die onze Here kruisten, nee wij, wij hebben het gedaan. "Zie daar, 0 mens, in welk een staat Gij uwen Heiland sterven laat!" Maar het 'maakt nogal verschil, of de Here Jezus óm ons geleden heeft en vóór ons gestorven is, dan of Hij dóór ons zou zijn overgeleverd, bespot en gekruisigd.
Dat laatste is gelukkig niet waar. Zo worden valse schuldgevoelens aangekweekt. Hoe vaak ontmoet je niet iemand, die iets als schuld belijden moest. Het blijft zitten. Het is moeilijk echt te geloven dat de zonde vergeven is. Denk het je eens in, dat je daar nog bij moest hebben, dat je zelfs meegedaan hebt aan de kruisiging van de Here Jezus ... Je zou geen leven meer hebben. Je zou Judas achterna hollen, naar die boom... Toch doen de kerkgangers dat niet.
Ze blijven er rustig onder, al stelt de man op de preekstoel hen in staat van de zwaarste beschuldiging. Alsof ze schuldig zijn aan de martelingen en de dood van de Here Jezus.
Dit bewust, dat al die mensen wel weten, dat de woorden van dominee niet zo letterlijk genomen moeten worden. Nee, niet aldus zullen wij Zijner gedenken. "If I had words" zingt tegenwoordig de Nederlandse jeugd. "Als ik er woorden voor had". Wij, kerkmensen, zijn niet om woorden verlegen.
Maar het lijkt mij, dat het lijden van onze Here iets is, waar we eigenlijk geen woorden voor zouden moeten hebben. In die verlegenheid (waaraan het dus in de regel ontbreekt) komt de Here Jezus Zelf ons te hulp. Bij het Avondmaal, dat Hij met zijn leerlingen vierde, heeft Hij gezegd: "Doet dit tot Mijn gedachtenis". Laten we een streepje zetten onder "dit" en daar de klemtoon op leggen.
De Here zegt niet eens: Doet dit tot gedachtenis aan Mijn lijden en sterven". Hoewel hij naar dat lij den verwijst. Maar wij mogen Hém gedenken en dat hoeft niet speciaal te zijn een herdenking van zijn leed en dood. En ónze ongerechtigheden in gedachtenis brengen, dat hoeft van Hem helemaal niet. Wanneer de Here zegt, dat Hij onze zonden niet meer gedenken zal, waarom zouden wij dat dan wel moeten doen? Maar er moet toch een diep zondebesef bij ons zijn? Het moet ons toch aangezegd worden? Laten we daar eens een antwoord op zoeken. De brief aan de Hebreeën is bepaald niet zachtzinnig in zijn bestraffingen.
Toch staat in hoofdstuk 10, dat de mensen vroeger, bij tabernakel en tempel, wel gekweld moesten worden door besef van zonden. Doordat het offer de ongerechtigheden dagelijks in herinnering bracht. Of jaarlijks. Maar dát heeft de Here Jezus opgeheven, staat er in de brief. "Door het offer van het lichaam van Jezus Christus zijn wij eens voor altijd geheiligd". Dus, wil hoofdstuk 10 zeggen, dat besef van zonden hoeft nu niet meer. Mag de gemeente daar nog blij of zijn of mag dat ook al niet meer? Moet zij beslist als honden geslagen worden, omdat de vrome traditie dit wil? Ik dacht, dat wij als gemeente rondom de tafel des Heren bijeen mochten zijn, intens gelukkig en gezellig. Hoe vreemd dat laatste woord dan ook klinken mag in kerkelijk verband. Want het leed is immers geleden en onze Here is opgestaan uit het dodenrijk. Wij zijn gerechtvaardigd, schrijft Paulus. Wij zijn eens voorgoed geheiligd, zegt Hebr. 10, 10. En aldus zullen wij Zijner gedenken. Wij behoeven niet meer over de plavuizen in de kerk te kruipen langs al de lijdensstaties om dan bij het grote crucifix te eindigen.
Wij zitten rondom de tafel des Heren .en wij zijn blij met elkaar, omdat de Here Zich voor ons overgegeven heeft in gevangenschap en dood.