Avondmaalvieren geen particuliere aangelegenheid

1978-03-17
  • Jaargang 22
  • nummer 11
Voor nog al te velen is de avondmaalsviering een particuliere aangelegenheid. Men stelt zich dan de vraag: zal ik deelnemen of niet deelnemen? Heb ik de behoefte of heb ik geen behoefte? Ben ik geestelijk gestemd er toe of niet? Als ik gelegenheid heb om driemaandelijks of tweemaandelijks of maandelijks de dood van Christus te verkondigen bij brood en beker, zal ik dan zelf uitmaken, of ik van die gelegenheid gebruik zal maken? Er zijn nog vele kerken, waarbij het avondmaal maar een deel van de gerechtigden tot de maaltijd toetreedt en een ander deel zitten blijft. De een gaat, de ander niet. En ieder maakt voor zichzelf uit, wat hij doet. Op deze wijze kan de avondmaalsviering zelfs ontaarden tot een demonstratie van bepaalde personen, die dan als waardige avondmaalsgangers gezien worden, de echte geestelijke mensen, die van hun geestelijke staat ook “verslag”kunnen doen. Maar we vieren toch geen avondmaal als particuliere personen? De gemeente wordt geroepen om de dood des Heren te verkondigen. De geméénte viert avondmaal. En ieder, die door het geloof zich van die gemeente een lidmaat weet, van welk geloof hij toch eenmaal belijdenis deed, zal dan ook aan die gemeenschapsmaaltijd deelnemen. De zelfbeproeving, die daarbij vooraf gaat, dient dan ook niet om ons de vraag te stellen: zal ik dit keer aangaan? – maar: hoe zal ik in de rechte gestéldheid aangaan? Wie niet individualistisch avondmaal viert, maar gemeenschappelijk, die zal ook niet teleurgesteld zijn, als het Schriftgedeelte dat aan tafel gelezen en de Psalm, welke aan tafel gezonden wordt, meer persoonlijk voor anderen is, dan voor hemzelf. De opbouwing der anderen moet ons even na zijn als de eigene. Juist dat gemeenschappelijke, het als velen één lichaam zijn, het met elkaar eten van één brood, het elkaar van hand tot hand doorgeven van dezelfde beker, kan ons het avondmaal zo bijzonder toespreken.
Want gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele druiven, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet, en zich ondereen vermengt, alzó zullen wij allen, die door het waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederliefde, om Christus onzes lieven Zaligmakers wil, die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, allen tezamen één lichaam zijn en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkaar bewijzen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief