Kinderen aan de tafel van de Heer

1978-03-24
  • Jaargang 22
  • nummer 12
Enige tijd geleden werd in de rubriek "Kerknieuws" verslag gedaan van de brief die de Kerkenraad van Leerdam aan Dordrecht stuurde over de kindercommunie.
Deze brief kwam als afsluiting hunnerzijds vaneen serie gesprekken over dit onderwerp russen de gemeente .van Dordrecht en enige zusterkerken. Nu het standpunt van Leerdam tegen de kindercommunie in de landelijke pers is verschenen, wil ik graag over dit onderwerp van gedachten wisselen met collega De Jong. Dit is het vIak waarop dit soort onderwerpen behandeld behoren te worden. Laat ik beginnen door te zeggen dat ik niet de twee standpunten tegenover elkaar wil stellen, wat betreft het gebruik in de kerken, in de zin van óf het ene, óf het andere, Beiden zijn conclusies, vanuit de Bijbel, waarvoor geen sluitende argumenten gegeven kunnen worden. Door in gesprek te blijven kan men elkaar ervoor bewaren om van dat soort onderwerpen “halszaken" te maken.
Hoewel de twee gemeenten die ik dien over dit onderwerp verschillend denken, was het geen struikelblok in het beroepingswerk. Zo hoort het ook.
Ik zal mij beperken tot de argumenten vóór de toelating van kinderen laan de tafel van de Heer.
Het uitgangspunt voor die toelating is hetzelfde als dat voor de doop geldt, nl. omdat zij evengoed als de volwassen gelovigen in het verbond Gods en in de gemeente van Christus begrepen zijn. De kindercommunie is daarom de keerzijde van de kinderdoop en conform de belijdenis (antw. 74 H.C.). Juist zij die de kinderdoop aanhangen vanuit de verbondsgedachte van de Bijbel zouden het avondmaal veel dichter bij de doop van hun kinderen moeten brengen.
Maar, zal men zeggen, het avondmaal roept tot activiteit. Daar is een zekere mate van kennis en inzicht voor nodig.
Dat geldt voor alle actieve aspecten van het leven met de Heer. Neem bijvoorbeeld het bidden. Een kind is amorf. Het voegt zich naar wat ouderen als goed voorhouden. Maar, wie zal aan de echtheid van een kindergebed twijfelen? Het groeit in kennis en inzicht. Een kind van vier jaar ervaart het anders als een kind V3l11 acht jaar, enz. Geldt dit ook niet voor deze activiteit van de gemeente. Waarom moet men daar nu juist grenzen stellen?
Mee zingen, mee lezen, mee bidden maar niet mee eten? Zeker, er is een groei naar volwassenheid, Er komt een periode waarin men zelf een bewuste keuze moet maken. (Toch kan het "eenzelvige" van die keus ook overtrokken worden, zo in de zin van gearriveerd zijn.) Men groeit naar die keus toe als kind, en men wordt daar naar toe gedrongen. Het argument dat men voor het kind al beslist als men het aan de tafel van de Heer brengt (van jongs af aan) kan net zo zeer gelden voor de doop, bidden, zingen, enz. De opvoeding is niet neutraal.
Is de kindercommunie juist niet een aanmoediging voor de kinderen om bij de Heer van de gemeente en de gemeente van de Heer te blijven?
Ze moeten vandaag al zoveel missen, Van veel dingen moeten ze zich afzijdig houden, dingen waar hun leeftijdsgenoten in opgaan. Bij veel dingen staan ze "er buiten". De gemeente behoort de plaats te zijn waar zij volledig opgenomen worden. Ze moeten juist daar niet het gevoel krijgen er toch niet helemaal bij te horen. Ik geloof niet dat dit standpunt symptomatisch is van een te grote aandacht voor de kinderen. Onze diensten zijn niet genoeg gericht op het kind! Ik ben er stellig van overtuigd dat veel jongeren die de gemeente de rug hebben toegekeerd dit gedaan hebben mede omdat zij zich buitengesloten voelden.
Het is niet toevallig dat in een tijd dat men zich bewust is geworden van dit gemis, ook deze praktijk van de gemeente wordt herzien. Betekent dit een ontkoppeling van avondmaal en belijdenis? Formeel niet. Ik ben niet voor zuigelingencommunie. Maar, zodra een ki'd kan bidden en zingen, kan het ook op zijn niveau onderlegd worden door de ouders in de betekenis van de maaltijd van de Heer. Ik kan me voorstellen dat dan, wanneer een kind voor her eerst aangaat, de aandacht van de gemeente daarop wordt gevestigd.
Ook behoeft het niet uitgesloten te worden dat op latere leeftijd jongeren nog eens publiekelijk uitspreken dat zij met de Here verder willen gaan.

Nog enkele korte opmerking.

1. Wat de kerkgeschiedenis betreft, kunnen wij slechts teruggaan tot de derde eeuw na Chr. Dat geldt ook voor de uitspraken vóór en tegen de kinderdoop. In de derde eeuw namen de kleine kinderen deel aan de tafel van de Heer. De kindercommunie bleef tot kort voor de Reformatie voortbestaan. Het Concilie van Trenthe heeft de kindercommunie verworpen. Zij voerde de term in "jaren des onderscheide". Deze uitdrukking is ontleend aan Neh. 10 : 28, waar het echter niet gaat over de Verbondsmaaltijd. maar over een verbondssluiting, Wijlen Ds K. Smouter, aan wiens studie over de kindercommunie ik deze gegevens ontleen vergelijkt het met de "Bar Miswa" . De Joden houden zich hieraan op grond van Neh. 10.

2. Het is opmerkelijk dat wij wat de frequentie van de avondmaalsviering betreft nog niet verder gekomen zijn dan Calvijn. Hij pleitte voor een wekelijkse viering.
Door verzet van de Gemeenteraad van Genève is hem dat niet gelukt. Door een infrequent viering hebben wij het avondmaal losgekoppeld van de woordverkondiging. Ook dat is Rooms. Het avondmaal behoort in iedere Woorddienst thuis, als de zichtbare verkondiging met brood en wijn. Hebben wij niet iedere week behoefte om gesterkt te worden met de tekenen van de Heer, en om ons iedere week "voor te bereiden"? Alles kan een sleur worden, ook de woorddienst. Maar dat betekent niet dat we minder naar de kerk moeten gaan.

3. De tafel van de Heer houdt niet op bij de kerkmuur. Christenen uit andere gemeenschappen mogen daarom niet geweigerd worden.

Tot zover, als aanzet tot een discussie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief