Zo was het (14)
1978-03-24
Er zijn mensen die het een verdienste achten, dat zij in hun denken en hun doen en laten altijd gelijk gebleven zijn. Een verdienste kan ik dat niet noemen. Mij dunkt dat al wat leeft ook groeit en verandert, Na de vrijmaking is er door sommigen - mogelijk wel velen - gezegd en geschreven: Wij zijn gewoon gebleven wie wij waren en wel eenvoudig gereformeerd.- Jaargang 22
- nummer 12
Dat lijkt mij al wat bezwaarlijk, als we letten op de naam gereformeerd. Vanouds is de spreuk bekend: de gereformeerde kerk moet steeds gereformeerd worden, Dat wijst niet op stilstand, maar op verandering.
Wat mij betreft, ik heb voor zover ik weet nooit gezegd, dat er bij mij niets veranderd was. Ik ben in de loop der jaren wel veranderd. Langzamerhand heb ik Leren zien de gebreken en zwakheden van het gereformeerdendom. Dat wil niet zeggen, dat er van gereformeerden niet veel goeds te zeggen was en is. Ze waren gesteld op de zuiverheid van de leer. En dat is een goede zaak, als onder de "leer" maar niet wordt verstaan de dogmatiek van een hooggeleerde. Velen dachten, dat het goed gereformeerd was een zuivere volgeling van Calvijn te zijn. Of van Abraham de geweldige, dus een Kuyperiaan, Een bekende leuze was: "Wij Calvinisten". En daar klonk een weinig trots in. Ik weet niet of iemand wel eens heeft uitgeroepen: "Wij Kuyperianen". Maar in de praktijk was het wel zo, dat een woord va:n Kuyper het einde van alle tegenspraak was. Als wij op een vergadering van de ]eugdcentrale ergens mee vastzaten, dan stond er wel iemand op die zei: "Kuyper zegt zus of zo." En dan werd de discussie gesloten. Punt, uit.
Dat was goed mis. De Kuyperiaanse leer van het "houden voor wedergeboren" - die natuurlijk al veel ouder was - heeft mee een kerkscheuring veroorzaakt. Al was dat de enige oorzaak niet. Gereformeerden hebben m.i. nogal veel met "leiders" op gehad. Niet tot heil van de Kerk.
Zuiverheid in de leer werd hoog gewaardeerd, meer dan zuiverheid van het christelijke leven. Wel was er grote activiteit op allerlei terrein van het leven. En daardoor hebben gereformeerden veel bereikt. Maar die activiteit was meer massaal en algemeen, dan persoonlijk. Naar mijn ervaring stond het met "de praktijk der godzaligheid" niet zo best. Er was grote offervaardigheid. En de organisatie zat goed in elkaar. Het gereformeerde leven was wel georganiseerd en geïnstitueerd, Kerkelijk was dit zo, maar ook op het brede terrein van het leven.
Aan strijdlust ontbrak het de gereformeerden niet. Men zou kunnen zeggen, dat hun devies was: "Op ten strijde, wakk're helden!" Maar dat zij naam verwierven door hun zachtmoedigheid en geschiktheid en vriendelijkheid en vredelievendheid, zou ik niet durven zeggen. Ook op kansels werd gevochten tegen de roomsen en tegen de ethischen en tegen de vrijzinnigen.
Tegen de hervormde kerk ook wel. Er was nogal kritiek tegen allerlei niet-geref. stromingen. Maar aan zelfkritiek ontbrak het wel wat. In een preek werd soms strijd geleverd tegen roomsen of vrijzinnigen, terwijl geen enkele hoorder ook maar enige neiging had om rooms of vrijzinnig te worden. Uit mijn jonge jaren herinner ik mij, dat van al wat niet gereformeerd was weinig deugde.
Ik was het daar toen wel mee eens, denk ik, maar later leerde ik inzien, dat zelfingenomenheid ons niet vreemd was.
Wij gereformeerden hielden ons niet alleen apart van de "wereld", maar ook van andere kerken en geloofsgenoten. "In ons isolement ligt onze kracht." Wij zochten het isolement, ook waar het niet werd opgedron:gen. Het kerkelijke leven was er meer op gericht "de zaak bij mekaar te houden", dus naar binnen gekeerd, dan dat het zich bekommerde om de ellende van de wereld. Dát werd overgelaten aan "het Leger des Heils", Waarvan wij in onze jeugd hoorden spreken als "het legertje". Zo heb ik dat ervaren.
Verder heb ik de indruk, dat het leven meer wettisch was dan evangelisch. Op huisbezoek werden naar zekere regels vragen gesteld als: Gaat u tweemaal naar de kerk? Gaan de kinderen geregeld naar de catechisatie?
Leest u een christelijke krant? Leest u de Standaard of ook de Heraut? Bent u lid van een christelijke organisatie? Hebt u wat aan de prediking? Als dat allemaal in orde was, dan was de praat vaak uit. Hoe het met de persoonlijke vroomheid stond, kwam niet veel aan de orde. Kende men de HERE in alle wegen? Kwam men uit voor z'n geloof als het te pas kwam? Beleed men concreet z'n zonden en hoe stond het met de blijdschap van 't geloof? En met het bezoeken van zieken en het zich onbesmet bewaren van de wereld? Aan de vrijmoedigheid en openheid voor elkaar ontbrak veel. Dat had ik in de loop der jaren leren zien en dit had invloed op de prediking bijvoorbeeld.
Ook de vrijmaking met al wat daarom heen gebeurde - synode-besluiten, proffen-invloed, kerkordelijke beslissingen - had mij wel aan het nadenken gezet. Dit alles had verandering in mijn prediking gebracht. Ik had geleerd kritiek te hebben op ons zelf. En ik probeerde de gemeente er toe te brengen kritisch te staan tegenover de overlevering. Iets is nog niet goed, omdat het altijd al zo geweest is. En iets is nog niet verkeerd, omdat het nieuw is. We moeten niet roemen in C of in K. of in K.S., maar alleen in de HERE. Ook niet in de "vaderen" of in de gouden eeuw - want die eeuw was zo gouden niet - of in wat die vaderen hadden geleerd. Die hadden de wijsheid niet in pacht. De Vrijmaking moesten we oók niet boven de maat vereren, zoals hier en daar wel gebeurde. Meer dan vroeger wel legde ik de nadruk op de praktijk der vroomheid. We moesten roeping en verkiezing maar "ast maken door een godvrezend leven. En anders zou de Here ons in de dag der dagen niet kennen als "werkers van ongerechtigheid".
De gemeente heeft die verdieping en verandering van de preken wel gemerkt denk ik. En ze was er wel blij mee. Ik probeerde mij te houden aan de opdracht van de Here Jezus: Predikt het Bvangelie. En leert onderhouden alles wat Ik geboden heb. De gemeente van V. was het daarmee wel eens. En was er mee tevreden. Vermoedelijk was dit niet het geval met alle vrijgemaakten. We leefden in V. niet op een eiland. Hier en daar kwam de neiging op om in de Vrijmaking te roemen. En in de Vrijgemaakte kerken. Wat in 1944 gebeurde zou op één lijn staan met de grote Reformatie. "Onze kerk" zou vrijwel de enige ware kerk zijn.
En zou op één plaats maar één adres van de Kerk zijn en dat ene adres was de Vrijgemaakte kerk.
Verder kwam de mening op, dat na de Vrijmaking van de Kerk op elk terrein van het leven verandering moest komen. Vrijgemaakten konden niet meer samenwerken met niet-vrijgemaakten.
Op vrijwel geen enkel gebied. In plaats van de A.R. moest het G.P.V. komen Voor het CN.V. het G.M.V. Van de CB.T.B., de christelijke boeren- en tuindersbond, mocht een vrijgemaakte boer eigenlijk geen lid blijven. Er was maar één goede, christelijke krant: Het Gesinsblad.
Wie hierover anders dacht en anders handelde was niet goed-vrijgemaakt.
Zo iemand werd wel geduld, maar kwam toch wat achteraan. Hij zag de Kerk nog niet goed. Maar hij zou het nog wel leren. Zo kwam er de onderscheiding van goed-vrijgemaakten en minder-goedvrijgemaakten. Leidinggevende figuren waren over het algemeen radicaal.
Vanuit vrijgemaakte kring kwam kritiek op van alles en nog wat, maar zelfkritiek was schaars. Ik kon deze opvattingen niet bewonderen. Eens kreeg ik "hoorders". Als ik me wel herinner vertrokken ze na twee preken gehoord te hebben met stille trom. Achteraf vernam ik, dat ze mij zeiker niet als predikant moesten hebben. Ze hadden al wel begrepen, dat ik de Kerk niet zag en niet "concreet" preekte. Daaronder verstonden sommigen die preken, die aan de gemeente duidelijk maakten welke krant men moest lezen, van welke vereniging men lid moest worden of niet-worden.
Van buitenaf werkten invloeden in de radicale richting ook in de gemeente van V. Een gemeentelid kwam eens bij mij met de vraag of ik niet wilde waarschuwen, vanaf de kansel, tegen het CN.V. Het christelijk-nationaal- vakverbond. Toen ik vroeg waarom ik dat zou doen, was het antwoord: Het C.N.V. is niet christelijk meer, in elk geval niet goed-christelijk.
Op mijn vraag hoe hij dit wist volgde het antwoord, dat dit in het Gezinsblad stond. Waarop ik reageerde met het weerwoord, dat dit blad en z'n bewering nog geen Evangelie was. Als ik tegen het C.N.V. zou waarschuwen - dat zou ik op de kanse1 wel nooit doen - dan moest ik Ie weten hoe het daar gesteld was en 2e wie er lid was. Het bleek dat één gemeentelid bij het C.N.V. behoorde.
Met die broeder heb ik wel over het C.N.V. gesproken. Ik kreeg niet de indruk, dat het daarmee helemaal mis was. Later werd mij de vraag gesteld waarom ik in een preek nooit eens het Gesinsblad aanbeval. Zo kwamen er meer vragen, meestal van dezelfde broeders. Waarom ik het G.P.V. nooit noemde enz. enz. Er kwam. eens een wat vreemde dame uit een andere kerk, die wilde, dat ik propaganda zou maken voor een vrijgemaakte vrouwenvereniging. die toch zo nodig was. Ik beloof1de dat ik de zusters op de Bijbelkring zou vragen of zij daarvoor voelden, om dan vanzelf ook zich aan te sluiten bij een landelijke bond. De zusters vonden het niet nodig.
We bleven bij onze gewoonte. De éne week een bijbelkring voor de vrouwen, de volgende voor de mannen. We hebben natuurlijk over deze vragen nagedacht en met elkaar gesproken.
We waren het erover eens, dat ik me moest houden aan de opdracht van de Here Jezus. Vertroosten door het Evangelie en vermanen om te leven naar de onderwijzing van de Schriften. De "radicalen" hebben wel gelijk als ze zeggen, dat de vertroosting en de vermening van de Schriften heel het leven moeten beheersen. Het is niet wals een zakenman eens tegen mij zei: Zaken zijn zaken' en daar houd ik het geloof buiten. Het Evangelie heeft met heel het leven te maken. Maar ik meende - en de gemeente was het daar in grote meerderheid mee eens - dat vanaf de kansel niet aan ieder moet worden voorgeschreven, welk paadje hij moet bewandelen in z'n zaak, z'n functie, z'n bezigheid op politiek of maatschappelijk terrein. Een predikant mág dit niet doen. Maar hij kán het ook niet. Hij mag het niet doen, want hij heeft te doen met mondige leden, die zelf verantwoordelijk zijn voor hun daden. Hij kán het ook niet, want hij is niet t!huis op elk levensterrein.
Iemand kan zich dat wel inbeelden, maar inbeelding is "erger dan de derde-daagse koorts". Dat was een gezegde, die ik me uit m'n jeugd herinner.
Tegen broeders en zusters, die van mij verlangden te horen, in de prediking, welk pad ze' moesten gaan op allerlei levensterrein, heb ik als volgt gesproken: Ais de prediking als vrucht mrug voortbrengen, dat de brs. en zrs. de HERE kennen in al hun wegen, dan komt het met de handelwijze van ieder op zijn terrein wel terecht. Als iemand God vreest en oprecht vraagt: "HERE, wat wilt Gij dat ik doen zal?" dan maakt Hij wel bekend, wat hij te doen heeft. "Wie Hem needrig valt te voet, zal van Hem zijn wegen leren." Dan zal een werknemer wel weten of hij al dan niet lid kan blijven VMl het C.N.V. En dan zal ieder, die belang stelt in de politiek, wel weten wie of wat hij te kiezen heeft. En welke krant hij lezen zal. Enz. enz. De gemeente bestaat - ik herhaal het - uit morrige lelden. We zijn allen brs. en zrs. En met al de heiligen zullen we overwegen wat we doen mogen en wat we laten zullen. Ieder is dan verantwoordelijk voor zijn of haar keus. Die zal voor alle leden niet gelijk zijn.
We moeten elkaar de vrijheid gunnen, die wie in Christus hebben. Ieder is verantwoordelijk voor zichzelf en zal eigen pak dragen. We zullen van elkaar veel moeten verdragen.