Gereformeerd Kerkboek?
1978-03-31
We zeiden het al en herzegden: wie psalmen zingt heeft met teksten en met melodieën te maken. Daarvoor hoeft hij geen musicus en geen theoloog te zijn. En helemaal hoeft hij geen musicoloog te zijn. Ook geen hymnoloog: iemand die zich in de kerkzang specialiseerde. Kunnen de kerken over zulke specialisten beschikken, des te beter. Maar voor de doorsnee kerkmens is geen scholing nodig. Die moet alleen weten, hoe we de psalmen zingen.- Jaargang 22
- nummer 13
Wie het voorwoord van het 'Gereformeerd Kerkboek' leest zal merken, dat deputaten de verantwoording inzake de muzieknotatie met kleine letters hebben gezet; ook dat deze verantwoording niet ondertekend is; en dat deze verantwoording evenzeer rammelt als de psalmberijming. Zulke kleine letters, net als bij polissen, moet u maar niet overslaan. Het werkt verleidelijk, die kleine letter; maar naderhand merkt u dat er essentiële dingen mee vastgelegd zijn.
We beginnen met de psalmmelodieën. Misschien komen we later aan de gezangen toe. Deputaten schrijven dat de keuze der notenwaarden van fundamentele betekenis voor het karakter van het kerklied is. Dat hebben zij goed gezien. Ze hebben dan ook de halve noot en de kwartnoot gekozen; noten van twee tellen, resp. van een tel.
Onze vaderen spraken van zingen "op hele en halve noten". Dat lijkt iets anders. Maar inderdaad werden de psalmen in vroegere uitgaven, tot 1933 toe, geschreven met vierkante noten en vierkante staartnoten, welke hele en halve noten voorstelden. Want lang daarvoor werden de psalmen genoteerd in een soort postgregoriaans schrift, waarin zogenaamde semibreves en minimae gebruikt werden, die toen ook de functie van hele en halve noten hadden. En nog verder terug in de geschiedenis werden zangwijzen geschreven in longae en breves, noten van dubbele en van enkele waarde. Hoe zit dat eigenlijk?
In de loop der eeuwen is het zangtempo aanzienlijk versneld. Het leven ging sneller, het levensbeeld, het schrift, de muzieknotatie gaven daarvan blijk. Wat aanvankelijk als dubbele en enkele waarden geschreven werd, moest later in enkele en halve notenwaarden worden vertaald. In ons huidig tijdsbeeld spreken de halve en kwartnoot ons toe. Hasper ging zelfs nog verder: die schreef in zijn psalmen in kwart- en achtste noten! Maar daar heeft de Stichting Psalmgezang een stokje voor gestoken. Terecht noemde Jan Zwart deze schrijfwijze "gepavoiseerde notenbalken", doelende op de feestelijke vlaggetjes en het wedstrijdtempo dat ermee gesuggereerd werd. Want met zulk een: notatie in deze eeuw werd aan het karakter van de psalmen geweld aangedaan.
We denken aan wat Calvijn schreef: de psalmwijzen moeten "poids et majesté" bezitten, gewicht en waardigheid, kortom verhevenheid. Vandaag denken we daarbij aan halve en kwartnoten. Dat hebben deputaten goed gezien, althans goed overgenomen.
Maar deputaten gaan verder. Ze zeggen dat het historisch gegeven niet uitsluitend bepalend kan zijn, maar dat historie en "praktijk van de kerkzang" in hun samenhang dienen te worden bezien. Praktijk van de kerkzang? Dat is een gevaarlijk woord in de mond van verantwoordelijke leidslieden. Wie iets van de geschiedenis van onze kerkzang afweet, is bekend met de talloze verbasteringen, die in de loop van eeuwen door onkundigen zijn aangebracht. Zaken als de psalmnotatie moeten, speciaal in een zich gereformeerd noemend kerkboek, telkens opnieuw gereformeerd worden. En dat wil zeggen: hersteld naar het waardevolle origineel, ontdaan van stijlloze uitwassen en platheden. Op dit punt namen deputaten een wankel standpunt in, dat hun geducht is opgebroken.
Over de rusten en hun schrijfwijze zijn ze duidelijk. Er zijn twee soorten rusten, die even lang duren respectievelijk als de halve en de kwartnoot. Dat hoefden ze ons niet te verzekeren, want sedert 1950 staan deze dingen ter algemene beschikking. Uit het voorwoord van Pierre Vallete in 1557 blijkt zonneklaar dat de gewone rusten de tijdsduur van een lange noot hadden: de weinige halve rusten de tijdsduur van de korte noot. De lange noot en de lange rust duren een daling en een heffing van de hand (un baisser et lever de la main, zei Pierre); de korte rust duurt slechts een daling van de hand ...
want bij de heffing volgt de korte noot, die een opmaat inhoudt; zie bijvoorbeeld psalm 1 regels 2 en 5. Deze wijsheid is in originali in ons land in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag te vinden.
En wie was Pierre Vallete? Met zekerheid is dat helaas niet te zeggen - maar we kunnen enige dingen vaststellen. Duidelijk blijkt dat Pierre Vallete zangleider te Genève was en dus recht heeft (evenals drie anderen uit zijn tijd) te worden aangeduid met de naam "Maistre Pierre", Voorts schreef Pierre Vallete dit voorwoord voor zijn psalmuitgave in 1557, toen de op gang komende psalmzang in Genève moeilijkheden ondervond van onkundige schreeuwers.
Hij verklaart daarom duidelijk en in glasheldere termen hóe er gezongen moet worden, wil het eensgezind en ordelijk toegaan in de kerk. Hij verklaart voor de leek hoe lang een hele en een halve noot duren, welke rusten gebruikt worden en wat nog meer nodig is voor een welluidende kerkzang. Dat alles in 1557 - een merkwaardig jaartal.
Want Calvijn die, in navolging van Luther, de gemeente aan het zingen wilde brengen, begon met een eerste bundeltje psalmen (en lofzangen) in 1539. Daarna gaf hij opdracht aan meer deskundigen, zodat in 1542 een tweede proefbundel psalmen en gezangen uitkwam. Deze proefbundels zijn in de loop van 20 jaren steeds gecorrigeerd en uitgebreid - tot eindelijk in 1562 (slechts 2 jaar voor Calvijn's dood) de totale psalmbundel klaar kwam. Klaar? Eigenlijk niet - want er mankeerden nog 26 psalmwijzen, die nimmer zijn aangevuld.
Wel, in 1557, vijf jaar voor de psalmzang definitief werd vastgesteld, schreef Pierre Vallete zijn onderwijzend voorwoord.
We vertellen u deze dingen, waarover we vaker publiceerden, om u helderheid te geven in de keus van deputaten, welke sedert 1950 de enig mogelijke keus was. 1)
Dan maken deputaten een bijzondere opmerking: "de ritmische figuur triool komt in de psalmmelodieën niet voor". Maar wie zei dat dan? Deputaten maken hier een kwinkslag in de lucht.
De triool (het delen van een lange noot in drie-en) is in de geschiedenis van de psalmzang slechts twee maal aan de orde geweest. Eerst in de Zuidafrikaanse bundel uit 1885, die door Samuel de Lange is verzorgd. Die schreef triolen voor melodieën, wier syncopen (= accentverschuivingen) De Lange niet kon pruimen. Hij schreef er haastig bij dat, als de triool te moeilijk was, men er ook wel twee gelijke nootjes van mocht maken. En in de door hem verzorgde bundel voor de Eglises Wallonnes in 1891 wist hij van geen triolen af!
De tweede, die het met triolen waagde, was... ds H. Hasper. Die heeft in zo'n 25 psalmen een triool geschreven, in zijn eerste uitgaven. Het gaf een ellendige verwarring, afgezien van de historische flater. Want men kreeg nu noten van zeer uiteenlopende waarden: van een hele eenheid,' van een halve eenheid, van een derde eenheid en van tweederde eenheid. Behalve dat zijn notatie verwarring en wanhoop gaf is deze krachtig aangevochten. De Stichting Psalmgezang heeft die triolen, na een jaar studie en na twee rapporten van onze hand, eenstemmig afgewezen en Hasper heeft er zich bij neergelegd. Het was in de melodie van psalm 38, waarbij Hasper zich in een korte rust, in een syncope en in een triool gelijktijdig verslikte, dat het laatste bewijs gevonden werd. Wij komen daar op terug, want deputaten hebben zich juist in de wijs van psalm 38 grotelijks vergist.
Deputaten zeggen dat "de verhogingen (door hen) genoteerd zijn volgens de regels, die in de 16e eeuwen daarna golden. Hetzelfde geldt voor de verlagingen".
Dat is boud gezegd. Het is trouwens fout gezegd. Laten we beginnen met de verlagingen. Deputaten hebben die niet genoteerd na vergelijking van de beschikbare mogelijkheden, zoals ze suggereren. Ze hebben die verlagingen precies zo genoteerd als sedert 1562 gebeurd is. Over die verlagingen is nooit een regel geschreven, goed of kwaad. De achtergrond is deze: dat de dorische toonreeks (de witte toetsen, lopende van D tot de eerstvolgende D) zowel de grote als de kleine sext kent. Dat wil zeggen: zowel de b als de bes zijn (bijvoorbeeld in psalm 92) authentiek dorisch. De verlaging trad pas op, wanneer de melodie over B naar F moest uitwijken, waarbij de spanning F-B als een overmatige kwart en als een onaanvaardbare zaak gold, voor ieder die oren heeft. Deze verlagingen, alleen in het dorisch voorkomend, zijn dus nimmer afhankelijk geweest van geheime afspraken of "regels". Ze werden normaliter uitgeschreven. Niet alleen Pierre Pidoux (Ie Psautier Hugenoot, Ie volume, Bäle 1962) schrijft elke dorische verlaagde sext volledig uit - maar ook de oudste Franse kerkboeken, welke hij volledig weergaf, schreven de verlaging volledig uit. Datheen, in zijn eerste Nederlandse uitgave van 1566 (in mijn exemplaar abusievelijk gedateerd als 1562), schreef elke verlaagde dorische sext met een mol. Datheen deed trouwens nog meer. Hij schreef naast elke noot ook nog de náám van die noot, volgens het latijnse solmisatie-stelsel. Wie de stukken wil bezien, neme een retour Schotland. 2)
Die opmerking van deputaten over zekere "regels inzake verlagingen" moeten ze in hun definitieve bundel maar laten vaIlen. Maar ook over de verhogingen schijnen ze "regels" te kennen. Laten we daar eens op ingaan - het gaat ons allen aan. En Bach zei al eens: dat tonen, die het dichtst bij elkaar liggen, de gemeenste dissonant kunnen geven. Welnu dat krijgt u wanneer de ene kerkganger een toon zuiver, zijn buurman een valse verhoging zingt.Ds B. Smilde, bekend niet alleen als gereformeerd predikant, maar vooral als musicoloog, componist en kenner van het kerklied, vraagt in "Organist en Eredienst" van december 1977: "het zou mij als musicoloogbijzonder interesseren, van deputaten te horen, waar zij deze regels dan wel hebben gevonden en hoe die zijn. Een geweldig vraagstuk zou dan met één handomdraai zijn opgelost. Ik zeg niet, dat er geen regels zijn, maar het is wel lichtvaardig er zo argeloos over te spreken".
Ds Smilde heeft gelijk. Wanneer deputaten werkelijk een verborgen bron hadden opgespoord is het redelijk, dat zo iets meteen aan de (waarlijk niet zo grote) kring van werkers op dit terrein werd meegedeeld. Maar ds Smilde heeft niet zoveel vertrouwen in kerkelijke deputaten, dat hij de vlag uithangt.
Weer terecht. Deputaten hebben zich ook hiermee geblameerd. Ze hebben de foutieve verhogingen uit de IKB-notatie overgenomen en die zelfs nog met een aantal vermeerderd. Zoals zij ook foutieve jaartallen uit de IKB hebben overgenomen.
Hoe zit dat dan met die "regels"? Daar zit geen geheimzinnigheid achter. De oude kerktoonreeksen, waarin onze psalmwijzen zijn gecomponeerd, kennen geen verhogingen. Deze verhogingen werden dan ook in geen psalmboek geschreven, tot de lSe eeuw. Wie het niet gelooft, want het lijkt stout gezegd, raadplege het genoemde boek van Pidoux; (Pidoux heeft, in opdracht van de Zwitserse regering, 400 jaar na het gereedkomen van Calvijn's Psalter, een historische weergave van de oorspronkelijke melodieën en van derzelver voorgangers uitgegeven.) Nimmer heeft Pidoux één verhoging kunnen vinden. Hij constateert het zonder teleurstelIing. En Henri Gagnebin sprak, in een interview met Jenne Meijster (zie "Organist en Eredienst") er zijn teleurstelling over uit, dat de IKB zulke onjuiste verhogingen had genoteerd.
Nog eens: hoe zit dat dan met die verhogingen? Het is waar, dat de latere bewerkingen wél verhogingen kenden. Bij de meerstemmigheid kwamen immers harmonieën, accoorden, te voorschijn, die fraaier en minder fraai kunnen klinken. Bij die meerstemmigheid ging men in de begeleidende stemmen verhogingen aanbrengen. En later, waarom niet?, ook in de zangwijzen. Maar dat geeft nog geen grond aan het spreken over "regels". Blijft slechts over, dat het zich ontwikkeld muzikaal gehoor (en vooral de muzikale smaak) onder zekere spanning kwam te staan bij bepaalde kerktonale sluitingen. In de loop der eeuwen ging men de voorlaatste noot graag verhogen. Om zo een do-si-do sluiting te verkrijgen. En om niet halfvoldaan met een la-sol-la sluiting te blijven zitten. Maar in een "gereformeerd" kerkboek moet men deze symptomen van deformatie duidelijk zien en bestrijden!
Schrijver dezes, wiens bescheiden papieren u nu wel kent, heeft als lid van de Stichting Psalmgezang en als derzelver muziekcommissaris het voorrecht gehad, een conferentie tussen deze Stichting en de (Ned. Hervormde) Raad voor Kerk en Eredienst mee te maken. Het was in het Zendingscentrum te Baarn, 25-6-48 en een aantal musici en musicologen was mede genodigd. Daaronder: prof. dr K. Ph. Bernet Kempers (musicoloog), Ina Lohr, hymnologe, Cor Kee (organist en componist van psalmwerken), ds S. P. de Roos (schrijver van 'Beginselen 'der Kerkmuziek'), Adriaan C. Schuurman (organist en componist van kerkmelodieën), George Stam (organist en componist), Joh. M. Vetter (idem idem), Mr A. Bouman (musicoloog en organist) en Jacq P. Bekkers (medewerker van ds Hasper).
Op die conferentie en in een later schriftelijk uitgebracht advies van prof. Bernet Kempers werden de "regels" voorzichtig als volgt "aanvaard":
een verhoging kan gedoogd worden, indien het een penultima (voorlaatste noot) betreft;
die verhoging kan slechts komen op een zevende trap, wanneer die naar de eerste (of laatste) trap wenst te sluiten;
die verhoging kan slechts komen, wanneer die laatste noot reeds duidelijk voorbereid is voordat de penultima optreedt;
en die verhoging komt slechts aan de orde op een halve noot. 3)
U kunt voor al die regels naar psalm 30 kijken. Verhogingen midden in een zin (derde noot van ps. 77 bijv.) zijn dus onbestaanbaar. Verhogingen op andere plaatsen dan voor een eerste trap (in psalmen 20 regellen 74 regel 2 bijv.) zijn dus ontoelaatbaar. Verhogingen op noten, die in het normale melodische verband liggen (als ps. 150 regel 1 bijv.) zijn ontoelaatbaar. En modulaties, overstapjes naar andere toonreeksen, komen in de psalmen niet voor.
Helaas, helaas, heeft de IKB niet naar dit advies geluisterd. Zo kwam ook het G.k.b. op verkeerd spoor.
(wordt vervolgd)
Noten
1) Helaas kon ik in mijn boek "En nu - allemaal!" in 1949 van deze kennis nog geen gebruik maken. Waarom de psalmwijzen aldaar fout zijn geïnterpuncteerd.
2) Hij zal het achteraf betreuren, geen enkele reis 'te hebben genomen.
3) Geciteerd wordt naar eigen aantekeningen.