Beleid (1)

1978-04-07
  • Jaargang 22
  • nummer 14
Bewegingsbeperking
Wie in 'protestantse kringen "kerkgebouw" zegt, zegt per definitie "preekstoel" - het enige meubel dat met een stoel niet of nauwelijks te maken heeft. Behalve dan, dat het in naam herinnert aan de goede oude tijd waarin de prediker zàt en de gemeente stónd. Voor het overige vindt ge stoelen of banken. Bij voorkeur banken, zoals in de Jeruzalemkerk te Utrecht, waar de Gereformeerde Persvereniging "Opbouw" haar jaarvergadering houdt.
Banken - meubels die in al hun onverzettelijkheid demonstreren, dat dit gebouw een kerkgebouw is en niets anders - zeker geen vergaderruimte.
Banken perken vrijwel alle bewegingsvrijheid in, laten hooguit ruimte voor enige inschikkelijkheid - maar ook die is uiterst beperkt. Schuive er ter rechter zijde teveel mensen in, dan vallen anderen er ter linker zijde uit, en omgekeerd. Niets belet u dit ook figuurlijk te verstaan. Slechts wie zich in het midden hebben genesteld, zitten betrekkelijk veilig, zij het dat ook zij, al is het in mindere mate, de onrust van de wisselende beweging ondergaan moeten: enige beweeglijkheid is wel gewenst.

Lezers of abonnees?
De "kerk met banken" demonstreert even treffend als ongewild onze kerkelijke situatie.
Met die kerkelijke situatie heeft de redactie van "Opbouw" wekelijks te maken - een situatie met veel beperkingen en weinig bewegingsvrijheid - en dat bepaalt haar beleid ...
of niet? Anders gezegd: bepaalt de redactie zelf haar beleid of wordt dit bepaald door de gegeven kerkelijke situatie? De vraag blijve tijdelijk onbeantwoord.
De redactie staat in elk geval wel voor een andere vraag: hoe bereikt zij dat het blad wordt gelézen? Men make zich geen illusies: het aantal lezers is beslist niet gelijk aan het aantal abonnees. Maar al te vaak blijft het blad - met het adresbandje er nog om - voor onbepaalde tijd ongelezen, tot het de verdwijning nabij is, zo oud dat het nog net goed is voor O.P.A. oftewel enigerlei oud-papieractie, hetgeen in de huidige situatie ook al geen lucratieve bezigheid is en nauwelijks winst afwerpt. Het ongelezen verwezen worden naar hergebruik op lager peil is overigens een lot, dat ook andere, soortgelijke bladen treft.

Concurrentie
In dit alles spelen factoren een rol waarop de redactie geen enkele invloed kan uitoefenen - zelfs al wordt haar bij tijd en wijle verweten als zouden haar artikelen te elitair zijn - zeg maar: te moeilijk. In een tijd waarin de schat van de kerk van twintig eeuwen gemeengoed zou moeten zijn, krijgt zij te horen: doe alstublieft niet zo moeilijk.
Nu gaat het hier mijns inziens duidelijk om een tijdsverschijnsel. Enerzijds hangt de klacht over de moeilijkheidsgraad samen met het feit, dat veel mensen werkelijk moe, zo niet oververmoeid zijn. Het maatschappelijk leven is overspannen, het werkklimaat niet meer ontspannen zoals vroeger. De irritatie over al het negatieve dat onder onze aandacht komt, is constant en gaat gepaard met een neerslachtigheid die aan wanhoop grenst. De mogelijkheid om ongenoegen en frustraties af te reageren bestaat nauwelijks, en christenen dènken veelal dat ze eigenlijk niet boos mogen worden - ten onrecht.
Anderszijds is en blijft er de opdringerige aanwezigheid van de massamedia, wier informatiekeuze niet alleen uiterst subjectief is, maar die tegelijk informatie in zulke overstelpende hoeveelheden over ons uitstorten, dat wij in arren moede de toevlucht nemen tot het aanhoren van het samenvattend journaal en het kennisnemen van de krantenkoppen. De rust - en de tijd - ontbreekt, om als vroeger krant en weekblad te spellen en te herspellen. Wij leven in een tijd van snelleescursussen, een logisch verschijnsel in een tijd waarin zelfs bibliotheken de stroom van informatie niet meer kunnen bijhouden.

Verkenning op de taalmarkt
Onze taal heeft zich bij deze situatie aangepast, zegt men even ten onrechte als gemakshalve. Het is niet waar: de taal zelf doet niets, is slechts instrument. Wij hebben ons taalgebruik aangepast en onze woordenschat in onze vermoeidheid of gemakzucht gereduceerd tot het soms absolute minimum. De tijd van de spreekkunst lijkt voorbij - die van de spraakkunst (de grammatica) trouwens ook. Krampachtig pogen enkelen het tijdperk der hunnen ("ik heb hun geholpen) te achterhalen door het nieuwe tijdperk der hennen, getuige zelfs het toch nog recente Liedboek: "een woning wilt hen geven", regel uit lied 62, dat niemand minder dan Huub Oosterhuis tot auteur heeft.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het foutieve gebruik van "wat" in constructies als "iets wat" en dergelijke - iets dat een schrijver in de periodiek "Onze Taal" deed verzuchten, dat wij het eerlang niet meer over "ditjes en datjes", maar over "witjes en watjes" hebben. Slordige haast, pure gemakzucht dan wel botte onverschilligheid terzake van het voertuig onzer gedachten bezorgen ons een brevet van onvermogen voor "onze taal" of verraden - testimonium paupertatis - onze armoede aan gedachten. Wie trouwens heeft of neemt nog de tijd om te luisteren naar de voldragen volzinnen van een taalkunstenaar als I. A. Diepenhorst?
Zelfs de kinderboeken van W. G. v. d. Hulst zijn niet meer te lezen, te verteren, zegt men, vanwege de overdaad aan bijvoegelijke naamwoorden en beschrijvingen. Wie het iets deftiger wil zeggen stemme in met een recente recensie: de boeken van V. d. Hulst zijn te zeer beïnvloed door de stijl der tachtigers.

Eenvoud kenmerk van het ware?
Probeerde een man als prof. dr K. Schilder de clichétaal van zijn tijd te doorbreken met een abundant proza dat soms de poëzie benaderde - al vrij kort na zijn dood werd zijn woordgebruik voor jongeren ervaren als te overladen, te overdadig, te geforceerd, bombastisch zelfs. Een nieuwe zakelijkheid, ook op taalgebied, deed haar intree - een verzakelijking die samenhing met een steeds verdergaande "vertechnocratisering" van de maatschappij. Met name immers op het gebied van de techniek nam men "anderstalige" termen en begrippen over zonder zich de moeite te geven die te vertalen: gemakzucht en luiheid waren geen zaken meer om je voor te generen - de robot van de techniek deed zijn intree samen met een onverschillige, zakelijke, voor taal ongevoelige mens. Een simplisme in taalgebruik, vergelijkbaar met biblicisme op het gebied van bijbelgebruik (men wenst directe resultaten), werd en is een onverbiddelijke eis. Voor versieringen is geen plaats, bijvoegelijke naamwoorden zijn taboe. Rudimentair en primitief, zo niet vulgair, is favoriet. Daarvan getuigt niet alleen veel moderne litteratuur, maar ook alledaags taalgebruik: je hebt tegenwoordig niet meer ergens tabak van, laat staan balen tabak - nee je kunt volstaan met "de bale", zonder de meervoudsuitgang-“n": het komt allemaal niet meer zo precies, zegt men.

Verzadiging - maar niet van de markt
Doordat men overvoerd wordt met nieuwe informatie, wordt de behoefte aan achtergrondkennis bijna automatisch kleiner. Aan de drang naar directe informatie wordt tegemoet gekomen door de computer in reuzen dan wel vestzakformaat - de laatste, in de vorm van een kleine rekenmachine, is op sommige Amerikaanse lagere scholen voor de leerlingen als verplicht gesteld: de kinderen groeien er bij op. Maar die zelfde computer, die zo snel zoveel directe, praktische informatie verstrekt, werkt tegelijk het a-historisch "denken" royaal in de hand... De straat laat ons via de televisie ongetwijfeld meegenieten van ons tijdsbeeld: demonstraties voor de meest uiteenlopende zaken achter spandoeken met pakkende leuzen als blikvangers. Het visuele element wordt aangevuld door het auditieve: monotone spreekkoren die een moderne wildernis doen vermoeden en een primitieve levensgemeenschap waaraan alleen de èchte tamtam ontbleekt.
Dat de achterkant van de spandoeken doorgaans blanco is, kon wel eens symbolisch zijn: men weet niet eens waar men achteraan loopt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief