De dichter en de geurassociatie

1978-04-07
  • Jaargang 22
  • nummer 14
Er is in de wereld van de psychologen heel wat te doen geweest over de "associatie" . Het woord dat letterlijk "verbinding" betekent, duidt op het effect, dat een bepaalde ervaring na jaren nog hebben kan. Om een willekeurig voorbeeld te geven: Iemand heeft op de lagere school eens een flinke draai om z'n oren gehad van de juffrouw. De tik was volstrekt onverdiend en het kind was er, begrijpelijk, erg verontwaardigd over geweest. De juf had die dag een wat vreemde, fel paarse, jurk aan.
Als dit kind, volwassen geworden, een vrouw ontmoet met een jurk die lijkt op die paarse van toen, komt heel de gebeurtenis weer boven. Ook de emoties.
Dat is een kleurassociatie. Er zijn ook associaties die door geuren ontstaan. Als je oliebollen ruikt heb je even een oudejaarsavond-gevoel en als oudere gereformeerde mensen de geuren van pepermunt en eau de cologne ruiken, zitten ze weer naast hun moeder in de kerkbank.
Welnu, over een geurassociatie gaat het in het gedicht van de bekende dichter Geerten Gossaert, dat we dit keer willen bespreken.

Encore

In het midden van mei, als de nachtegaals zingen,
En de avondglans huwt aan den morgenschen schijn,
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met den geur van de vroege jasmijn,

Toen hoorde ik uw lippen de woorden ontglippen:
(Ik was maar een knaap en gij waart nog een kind)
Hoe wrang is de smaak van verwinnende lippen
Zoo het innig verlangen der ziel niet bemint!

En ik zag het gebed van uw hulplooze oogen,
En ik voelde, beangstigd, de angstige klem
Van uw' hande' om mijn hand, en mijn lippen bewogen,
Maar mijn machtlooze wanhoop verstikte mijn stem.

Dan, uw schaamte bedwong het onstuimige hijgen
Van uw harte en de nachtwind verwaaide uw klacht,
En niets meer verstoorde 't oneindige zwijgen
Dan een zwaan, die zich roerde in de roerlooze gracht...

Maar nog op mijn hand die uw handen omvingen,
Herproeven mijn bevende lippen uw pijn,
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met de geur van de vroege jasmijn.


Het Franse opschrift "encore", dat "weer" in de zin van "nog eens" betekent, suggereert al iets. 't Is wat studentikoos gezegd, dus zal het gebeuren wel hebben plaatsgevonden, toen de dichter student was. Dat hij beweert: "Ik was maar een knaap en gij waart nog een kind", slaat dan niet zo zeer op de leeftijd. Het zegt iets over de onvolwassenheid van beiden. Ik stel me voor dat de student van een vergadering komend, een studente naar huis bracht.
't Was laat geworden, sterker, 't was vroeg in de morgen toen ze samen langs de gracht liepen. Ze hoorden de nachtegalen al zingen terwijl het ochtendgloren begon. Een romantische nacht.
En dan komt er in het hart van de student de begeerte even te vrijen. Haar even te kussen.
Hij kan die lust niet bedwingen en geeft er aan toe. Hij omhelst en kust haar.
Het meisje, dat daar helemaal niet op bedacht was, schrok hevig. Ze stamelde, terwijl ze angstig zijn hand vastklemde: "Dat doe je toch niet als je niet echt van elkaar houdt."
Die schrik heeft op de gevoelige student een geweldige indruk gemaakt.
U moet bedenken dat deze gebeurtenis wellicht plaats vond rond 1910. In die dagen dacht men over de omgang van jongens en meisjes wel even anders dan vandaag. Gelukkig maar, ook omdat we er een prachtig gedicht aan overgehouden hebben. Een stuk poëzie, boordevol van de indrukken van die avond. De avondglans huwt - 't gaat immers over de liefde - met het morgenlicht.
De geur van de late seringen, is schuchter - er is toch de verlegenheid van het meisje en van de jongen. Ook, daar moet u op letten, staat het eerste vers in de tegenwoordige tijd, terwijl het eindigt met een komma. Het tweede vers is dus gewoon bet vervolg, terwijl dat in de verleden tijd staat. Dat is niet per ongeluk, of omdat anders het ritme niet zou kloppen, nee dat is heel opzettelijk, heel suggestief. De dichter beleeft die gebeurtenis van toen, opnieuw. Op het moment dat hij die geur weer in z'n neusgaten krijgt, is die avond er weer. Sterker - en dat is het grote geheim van de woordkunst - ook door het gedicht wordt het gebeuren opnieuw werkelijkheid. Dat is de scheppende kracht van de poëzie. En daardoor worden wij, die het gedicht lezen, getuigen van dat gebeuren.
We horen het meisje spreken over de wrangheid van de kus, waarvan niet de liefde de drijfveer was. Niet het innig verlangen der ziel. We zien, ieder van ons op zijn eigen manier, de smekende blik in haar ogen en we horen het onstuimige "hijgen" van haar hart. Ook merken we hoe ze zijn handen vastklemt en ondergaan iets van de geschoktheid van die jongen. 't Is doodstil op de gracht. Geen van beiden zegt meer iets. 't Lijkt wel een eeuwigheid duren. En dat oneindige zwijgen wordt nog benadrukt door een zwaan die zich roert in de roerloze gracht. Die allitererende zegging doet je ook de ontroering mee beleven. Voor de dichter is die geurassociatie zo sterk, dat hij nog de klem van haar hand voelt op zijn hand. Bij een goede vriend van mij staat een seringenboom in de tuin, niet ver van een jasmijn. Een enkele keer gebeurt het dat de seringen laat zijn en de jasmijn vroeg is.
Ik denk, nu u dit gedicht kent, dat, als u die geurenmengeling zou insnuiven, u zou zeggen "encore". En u zou, net als ik, een zwaan horen die zich roert in een roerloze gracht.

Het gedicht is uit EXPERIMENTEN.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief