Gereformeerd Kerkboek? De melodieën beproefd
1978-04-07
We zeiden het al: deputaten hebben zich vergist, toen ze de toevallige verhogingen als pepernoten in de psalmwijzen rondstrooiden. Ze volgden een verkeerde voorganger en een verkeerde "praktijk van de kerkzang". Ze hebben geen aanwijsbare bronnenstudie gemaakt. En voegden, aan een reeks fouten in het Liedboek, nog een reeks andere toe.- Jaargang 22
- nummer 14
Hoe kwam het Liedboek eigenlijk aan die fouten? Dat Liedboek, althans de psalmberijming en -toonzetting, waren al opgezet in de proefbundel van 1951, later in een dito van 1958. Men heeft in de definitieve uitgave van 1968 niet meer de correcties verwerkt, die door het in 1962 verschenen werk van Pierre Pidoux aan de orde waren gesteld. Misschien konden ze toen al niet meer terug.
Dat is jammer. Zoals gezegd: voordien heerste er nog al wat onzekerheid over de verhogingen. Sommige mensen prevelden iets over "algemene gedragsregels", maar niemand wist er het fijne van.
Mensen die oude (nu ja, oude) kerkboekjes uit de negentiende eeuw - of zelfs uit de achttiende eeuw! - kenden, troffen er verhogingen in aan. Ja waarlijk. Maar mensen die al voor 1962 fotocopieën van de eerste definitieve uitgave van 1562 bezaten, wisten er toen al meer van, Terwijl na de verschijning van Pidoux' werk alle twijfel verdwenen is.
Misschien gelooft u Pidoux ook al niet? Dan zullen we uit het vaatje van Petrus Datheen moeten tappen. Datheen schreef in zijn eerste Nederlandse uitgave van vertaalde en getoonzette psalmen, uit 1566, ingebonden achter de Canin-bijbel van 1571, .,. Nee, Datheen schreef niet. Zijn onbekende muzikale medewerker .schreef de muzieknotatie dubbel uit, om elk misverstand te voorkomen. Naast elke geschreven noot (hij gaf vierkante noten en vierkante staartnoten) schreef die medewerker ook de eerste letter van het solmisatiestelsel op. Wie "geen noot zo groot als een koe kon lezen" (en die waren er wat!) kon toch de náám van de noot weten. En voor zover hij het lied 'Jan, daar leit een kip in 't water' kon zingen kon hij ook de psalmmelodieën voortbrengen.
U zult zeggen: maar met dat versje zijn nog maar 5 noten gegeven?
Gelijk hebt u. Maar meer waren niet nodig. Het was in die tijd niet gebruikelijk in toonladders van 8 tonen te rekenen - maar in toongroepen van vier, tetrachorden genoemd. Twee reeksen van vier noten, twee tetrachorden zogezegd, vormden samen een toonladder. Het tweede tetrachord stond namelijk een kwint, vijf tonen, boven het eerste. Wie de 5 noten van 'Jan daar leit' kende, had dus de eerste tetrachord afgezongen en was met de laatste noot op de tweede tetrachord beland. Daar ging het van hetzelfde laken een pak: boven de c kwam de kwint g; boven de d kwam de kwint a. En zo voort. Dat is geen theorie, dat is je reinste praktijk.
En wat is nu het solmisatie-stelsel? U herkent de namen sol en mi in dat woord. Die komen uit een oud zangersversje van Guido van Arezzo uit de llde eeuw. Die zangers begonnen hun oefeningen met een gebedje tot Sint Johannes:
UT quaeant laxis - REsonare fibris - MIra gestorum - FAmuli tuorum - SOLve polluti - LAbii reatum - Sancte Johannes. 1)
Daar hebt u het hele muzikale abc; als de kip verdronken is brengt men de put in kaart. Want elke volgende regel uit het do-re-mi begint een trap hoger dan de vorige!
Welnu, Datheen's medewerker schreef naast elke noot de beginletter van de náám van die noot. Om elk misverstand te vermijden. Wilt u een voorbeeld? Neem dan de wijs van psalm 19, die loopt nog al ver uiteen, als het ruime hemelrond. De eerste regels worden als volgt geschreven. Eerst in muziekschrift:
g d d e cl c - ede f e- cl - ace b fl c . En dan daarnaast in letters:
V S S L S F - V R M F L S - R F F M R V.
U ziet dat Datheen in de 2e regel, waar zijn tetrachord tekort schiet, van voren af aan bij ut begint, nu opnieuw tot fa doorgaat, maar terugkomende zich weer op het eerste tetrachord instelt: door de noot die hij juist mi noemde nu weer la te heten. (Dat ut met een V werd geschreven kent u wel uit latijnse spreuken.)
En wat is nu de winst? Dat elke zogenaamde "verhoging" tengevolge van dit minutieuze schrijfsysteem voorkomen werd. Als Datheen en zijn medewerker zo minutieus noteerden hetgeen hun eigen oren in Genève hadden beluisterd, hebben vastgelegd hetgeen door Pierre Valette volkomen zekerheid had verkregen, kunnen we hen niet negeren op andere plaatsen dan psalm 19. Vooral niet op de later verhoogde plaatsen! Neem bijvoorbeeld ps. 71, eerste regel.
Daar schrijft het GKb, evenals de IKB een a-gis-a sluiting. Maar wat deed Datheen?
a g e f f g a g a En daarnaast:
L S M F F S L S L U ziet een la-sol-la sluiting en geen ut-si-ut.
Nog een voorbeeld als het mag. Psalm 150, de eerste 4 balken:
f a g f a bes c - f a g f a bes c - a d c f f e f - c f d c c besc. Aangevuld:
V M R V M F S - VMRVM F S - MLSFFMF - VFRSS F S.
Wie aan het eind van de 4e balk dus een verhoging zou willen zingen (omdat 18e en 19e eeuwse boekjes dat toelieten) weet voortaan, dat het van den beginne anders is geweest.
U zult, misschien nog niet geheel overtuigd, vragen: maar wat deed Datheen met de verlagingen? Nu, neem bijvoorbeeld psalm 20, een dorische. Die luidt bij Datheen:
a a g a c b f a g a f f f e d c - f g a bes – a g f e d enz. Illustratie:
R R V R F M L S L F F FM R V - F S L F L S FM R enz.
Een zuur appeltje? Dat kan lekker zijn op zijn tijd. En u hebt nu al meer kennis dan muziekdeputaten bleken te bezitten. En meer dan bij de proefbundels van IKB destijds ter algemene beschikking stond. Want uit de IKB namen deputaten alle verhogingen plus een aantal extra over. Zeer tot smart van ds Smilde. Als een vrijgemaakt psalter, zich Gereformeerd Kerkboek noemende, iets had kunnen verbeteren aan het Liedboek, dan ware dat hier en nu op zijn plaats geweest.
Toch biedt deze proefbundel ook enkele verbeteringen, vergeleken met de IKB. In ps. 131 bijvoorbeeld is de foutieve verhoging uit het Liedboek verbeterd. Helaas is in de gelijke melodieën voor ps. 100 en 142 de fout teruggekomen.
Men zou aan een drukfout gaan denken. Er zijn bijvoorbeeld drukfouten: de laatste noot van ps. 95 moet geen D maar een F zijn. In psalm 79 regel 5 komt een noot te veel voor.
Foutieve rusten komen in psalm 56 na regels 3 en 7 voor. In psalm 57 is na regel 4 echter een rust vergeten of weggelaten. Ook in psalm 76 na regel 3.
In psalm 38 is na regels 1 en 4 een rust geschreven, waarna nog een halve rust. De eerste zijn fout, de laatste goed.
De balkindeling is meestal zo, dat aan het eind van elke balk een rust komt.
Verwarrend is het daarom, dat in psalmen 52, 75, 81, 99 en 138 met dit systeem is gebroken. De korte regels konden daar beter zijn samengevoegd, aangezien ze door geen rust worden onderbroken en een volzin vormen. Bij psalm 47 is dat terecht wel gebeurd.
Onze psalmwijzen kennen nog enkele melismen - dat zijn groepjes van twee of drie noten, op dezelfde lettergreep gezongen. Ze herinneren ons aan de tijden van voor het psalmzingen. Ze zijn bovendien bijzonder bruikbaar voor de bijbehorende tekst. De smeking uit psalm 6, regel 1, kent iedere kerkganger.
Welnu, dat melisme is in het GKb verloren gegaan. Ook in psalm 28 onduidelijk gemaakt. Jammer, zo'n verlies. En onnodig. Alle berijmers sedert 1562 hebben er zich aan gehouden .......vandaag wordt het blijkbaar niet verstaan.
Wie de ontwikkelingsgeschiedenis van de psalmwijzen bestudeert ziet namelijk, dat tussen 1542 en 1562 sommige wijzigingen zijn aangebracht, die met de oorspronkelijke tekst verband houden. Dat is niet met psalm 6 het geval; die wijs kwam in 1542 in een keer gaaf ter wereld. De tekst was: "Ne veuiIle pas, ó Si-re", of nog ouder: "Je te supplie, ó Si-re". In beide gevallen is het melisme een buiging voor Si-re, Heere.
Die wijziging is wèl aangebracht in psalm 130, tijdens de proefbundels. De melodie was aanvankelijk volkomen regelmatig. Stellen we de lange noot met een streepje voor en de korte met een punt (als in het Morse-systeem) dan luidde het schema van psalm 130:
- . . . . - - - . . - - -
- . . . . - - - . . - - -
- . . . . - - - . . - - -
- . . . . - - - . . - - -
Ziet u? Alle acht regels vormen een regelmatig patroon. Maar in 1551 kreeg de vijfde regel een paar lange noten (die in 1542 al aanwezig waren, maar in 1547, 1548 en 1549 weer kort geschreven waren). Waarom die lange noten? Het ging om de tekst: Entends ma voix plaintive: hoor naar mijn smekende stem. En blijkbaar hebben de zangers de woorden entends ma (hoor naar mijn) al biddend aandachtig en langzamer uitgesproken; de noten werden uiteindelijk lang geschreven - en hiermee is althans één van de vele onregelmatigheden in onze psalmwijzen verklaard.
Zoudt u nog zo'n voorbeeld willen zien? Neem dan psalm 143. Het schema was aanvankelijk:
- - - . . . . - . - . . . . . . - -
- - - . . . . - - . . - - . . - -
- . . . . - - -
De eerste drie lange noten droegen de woorden Seigneur Dieu (oys l'oraison mienne). De eerbied bij het uitspreken van Gods naam is duidelijk voelbaar. Om ritmisch te "rijmen" werd de derde regel ook met 3 lange noten aangevangen.
Maar hier was de tekst "mon humbie (supplication)"; mijn nederig verzoek. En nu kreeg "mijn nederig" precies dezelfde waarde als Gods naam, hetgeen zeker niet op nederigheid wijst. Dientengevolge (?) zijn de 2 lange noten in regel 3 gebracht tot 2 korte.
Als u op deze wijze doorgaat kunt u dozijnen voorbeelden vinden: hoe de melodie zich bij de tekst aanpaste, toen het nog kon. Nadien was het een schending van alle kerkelijke "accoorden", als men nog aan de wijzen prutste. Vandaar dat het voor onze herdichters zo moeilijk is, de juiste tekst bij de klassieke wijzen en onregelmatigheden te vinden. Psalmberijmen is geen nummertje huisvlijt!
Wij houden hier mee op. Het heeft u lang genoeg aandacht en inspanning gekost vrezen wij. En we garanderen niet dat alle fouten zijn opgespoort. Het is per saldo onze opgave niet. Wel zien wij het als onze taak: mee te helpen aan de conservering van de tonale schat uit de reformatorische kerken. En willen deputaten van gereformeerde (en dus zich reformerende!) kerken iets goeds doen, dan moeten ze terug naar het reformatorisch model van Calvijn - en niet met de vergankelijke smaken der tijden meewaaien.
Dat klinkt stoer. En toch willen we er iets van verzachten. Naar onze overtuiging hadden deputaten, rekening houdende met de zo door Christus gewenste eenheid onder zijn belijders, zich kunnen voegen naar de IKB, te vinden in het Liedboek voor de Kerken. Inclusief alle daar gemaakte fouten? Helaas, voorlopig ja. Die fouten hadden gezamenlijk gecorrigeerd kunnen worden, na voldoende bronnenstudie. Maar wanneer zeg maar 80 procent van psalmzingend Nederland eenmaal voor een psalter gekozen heeft (dat niet volmaakt, maar stukken beter dan 1773 en stukken beter dan Gereformeerd Kerkboek mag heten) dan moet er wel grote oorzaak zijn, om daar tegenover een afwijzend standpunt in te nemen.
Wie gelooft nog, dat onze kinderen op de gemengde scholen de psalmen uit het GKb zullen zingen? Wie denkt dan, dat volgende generaties uit de overvloed van psalmberijmingen ook maar één vers uit het hoofd kennen? De Hervormden hebben, bij het afwijzen van Hasper en het aanvangen van een eigen psalter, kerkpolitiek bedreven. Maar - zijn de Gereformeerden daar vrij van gebleven? Of zijn ze werkelijk beter omdat ze gereformeerd zijn?
Noot
1) Het woord ut (opdat) is later vervangen door het meer klinkende woord do. U ziet dat de zevende trap (si) is gevormd uit de naam Sancte Johannes.