Vrijheid
1978-04-21
Misschien wel het méést verwènde woord van deze tijd: vrijheid! Niemand naar de ogen kijken! Doen, wat je zèlf wil! Een menswaardig bestaan hebben! De mensenrechten proclameren! Recht hebben om te werken! Recht hebben om te staken! Om ja te zeggen en om nee te zeggen!- Jaargang 22
- nummer 16
Recht hebben om te demonstreren en om te bezetten! Recht om een regering te kiezen en om een regering naar huis te sturen! Rechten van meerderheden en van minderheden! Vrijheidsidool van onze generatie! Recht op léven en recht op stèrven! Misschien óók wel het meest verwenste woord van deze tijd. Want vrijheid betekent óók verantwoordelijkheid. En verantwoordelijkheid betekent óók schuld. En dát is nu, wat we het minst willen aanvaarden. De met bloed en tranen bevochten vrijheid is tegelijk een noodlot, waarin we als mensen geworpen zijn. Vrijheid, dat betekent, zegt de mens van onze tijd, dat ik elk moment mijn mens-zijn moet kiezen; ik luister niet naar God daarbóven noch naar een mens hier beneden; ik ben vrij om te zijn en te worden, wie ik wil. Dat is mijn lot, dat is mijn existentie, daar ga ik in op en daarom ga ik erin onder. Dat is mijn doem, mijn gericht, mijn moeten vrij zijn. Zodat ik ten slotte mijzelf vernietig.
Want als de mens God dóód verklaard heeft, komt hij óm in zijn eigen vrijheidswaan. Zó serieus neemt de levende God zijn schepsel.-
“Want waar de Geest van de Heer is, dáár is vrijheid."
Het gaat (zagen we) in Paulus' prediking om de lévende Heer van Pasen. Deze opgestane Heer leeft in de gestalte van de Geest bij zijn leerlingen. Onzichtbaar (Geest is onzichtbaar), maar in volle werkelijkheid (Hij is er bij) en met een eigen identiteit, die bij niemand anders te vinden is (heilige Geest).
Door dié Geest (van de opgestane Heer) wordt nu ook het karakter van de vrijheid bepaald. Daar zit niets in van ongebondenheid. Het heeft helemaal niets te maken met je eigen zin doen. Als het al iets te maken zou hebben met "rècht", dan alleen met het recht om lief te hebben. Paulus gebruikt voor "vrijheid" een woord, dat de tegenstelling vormt van "slavernij, dienstbaarheid". Nu denken wij bij slavernij direct aan de "Negerhut van oom Tom" en aan de slavernij, waarmee de negers uit Afrika werden geknecht. Voor óns is "slavernij" identiek aan wreedheid en mishandeling. Uitbuiting en misbruik van macht.
In Paulus' tijd was slavernij in de eerste plaats: onmondigheid, geen recht van spreken hebben en dus onvolwassenheid. Natuurlijk waren er ook slechte meesters, maar dat tekende de slavernij in die tijden niet.
Slaven waren met hun gezin en hun bezit geheel voor rekening van de meesters; hadden dus zèlf géén beschikkingsrecht en waren dus vooral "onmondig" en "niet-volwassen". Vrijheid betekende dus in Paulus' mond allereerst: mondig zijn; volwassen-zijn; voor eigen verantwoordelijkheid leven en werken.
Christelijke vrijheid heeft dus een geheel eigen identiteit. Met geen enkele menselijke waarde te vergelijken.
Er was "dienstbaarheid", onmondigheid. Zonder de Heer, die de Geest is, kiest de mens altijd weer een eigen weg, die hem onontkoombaar verwart in boosheid, zonde en gebondenheid.
Zonder de Heer, die op Pasen is opgestaan, was het volk van God in het oude verbond nog onmondig en onvolwassen in de liefde en moest de wet van Mozes elke dag opnieuw voorzeggen, wat mocht en wat niet mocht. In dat opzicht waren de kinderen nog gelijk aan de slaven.
(Paulus zegt dat b.v. in Galaten 4 : 1-3 heel duidelijk). Elke dag een gebod van de meester. Dit moet. Dat moet. Dit mag niet. Dát mag niet. Het verbond van de letter, noemt Paulus dat (vers 6) en de bediening van de dood. (vers 7) wa heerlijk, maar niet volkomen en (in déze tegenstelling) ook niet levend. Zoals het heerlijk is, dat vader en moeder de onmondige kinderen met expresse woorden moeten zeggen, wat ze wèl en niét mogen-doen.
Maar het mooiste, het fijnste wordt het, als de kinderen zèlf kunnen onderschatten, wat van hen gevraagd wordt. Dan pas zijn ze mondig, dan pas zijn ze vrij.
Als de opgestane Heer in de gestalte van de Geest (onzichtbaar dus) maar heel werkelijk (op de pinksterdag door de uitstorting van de Geest) bij zijn gemeente komt wonen, wordt deze gemeente mondig en volwassen en mag ze op het kompas van de liefde haar weg en haar taak in deze wereld zoeken en gaan.
Maar dan in de volstrekte identiteit van de liefde, die boven alles haar leven en haar geest mag beheersen.
Waar de Geest van de Heer is, dáár is de vrijheid, dat betekent dus, dat, als Pasen en Pinksteren op één dag vallen, niemand meer aan de gemeente hoeft te zeggen, wat ze doen moet; want ze mag alleen maar liefhebben en wil ook niet anders, want ze is aan de zonde met Christus, haar Heer gestorven, en wat ze nu leeft, dat leeft ze (door haar Heer, die de Geest is) voor God. Daar behoeven we geen regeltjes voor (dat is de oorzaak, dat mensen, die altijd weer komen aandragen met de bewering: dit of dat staat nergens in de bijbel, eigenlijk weer terug willen naar het verbond van de letter, de bediening van de dood). We hebben geen uitgewerkte moraal nodig, die ten slotte verdrinkt in dode casuïstiek of stelselmatig traditionalisme; de allesbeheersende vraag wordt niet, wat moet ik allemaal doen om aan wet en moraal te beantwoorden, maar wat moet het evangelie van de opgestane Heer van mij? Waar brengt het evangelie van de Heer mij en hoe wil de Heer, dat ik Hem en mijn naaste zal liefhebben.
Zo krijgt de christelijke vrijheid een heel eigen identiteit. Ik behoef niet meer te haten, maar ik mag liefhebben. Ik behoef niet meer te vergelden, maar ik mag vergeven.
Ik behoef mijn vijanden niet meer te haten, maar ik mag ze góed doen.
Ik behoef niet meer te vechten om het recht van de sterkste, maar ik mag pleiten voor het recht van de zwakke.
Want vrijheid betekent volwassenheid en volwassenheid betekent verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheid betekent liefde en liefde betekent de Geest van de opgestane Heer.
Als Hij er niet bij is, loop ik tóch weer vast in de troebele moerassen van mijn egoïsme.
Als de levende Heer niet in de gestalte van de Geest bij ons woont, verzandt álle christelijke leven weer in moraal en religieuze traditie. Als de levende Heer niet bij ons woont, kunnen wij geen volwassen, mondige gemeente zijn, waar we de Heer mogen dienen in liefde. De Heer neemt ons altijd serieus. Mondigheid betekent verantwoordelijkheid en verantwoordelijkheid betekent: keuze. Ik moet niets, maar ik mag alles, wat de Heer fijn vindt. Ik moet niet naar de kerk, maar ik mag er heen, met allen, die de Heer verwachten. Als we God, de Heer, liever niet willen dienen, dan mogen we het niet eens meer. Want God neemt ons, mensen, zijn schepsels, heel serieus. Als we Hem liever zien verdwijnen, dan verdwijnt Hij. Als wij Hem zichzelf willen laten terugtrekken, dan trekt Hij zich terug. Als wij liever onmondig willen zijn of worden, dan laat Hij ons onmondig worden. Want vrijheid houdt altijd verantwoordelijkheid in. Voor wie de levende Heer dood verklaart, voor dien houdt Hij zich dood.
Dan krijgen we een stervende wereld, maar die hebben we zèlf gekozen.
Dan wordt de vrijheid een noodlot, waarin we onszelf hebben geworpen.
We proclameren dan óf ons recht op het leven en we moeten maar zien wat we ervan maken, want het is toch maar een bestaan in sterven ("sein zum Tode", zegt Heidegger); of we roepen het rècht uit om te sterven en maken er op een of andere manier een eind aan. Want als ik er ben, zegt de bekende wijsgeer Sartre, dan is God nergens meer. Dat is de vrijheidswaan van de moderne mens, die daarin zijn doem, zijn gericht beleeft.
Paulus schrijft, dat de vrijheid dáár is, waar de Levende Heer woont in de gestalte van de Geest. Door Christus ben ik weer vrij mens; door Christus ben ik weer verantwoordelijk mens; God, de Vader neemt zijn kinderen dodelijk ernstig. Omdat ik verantwoordelijk ben voor mijn liefde voor Hem en de naaste, beleef ik ook de schuld van mijn verschrikkelijk tekort. Maar ook die schuld mag ik belijden, want Christus, de levende Heer, stierf voor mij.Mijn vrijheid is géén lot, dat mij meesleept; maar een voorrecht, dat mij weer ècht mens doet zijn; beeld van God; kind van God; erfgenaam van God door de levende Heer van Pasen, die in de gestalte van de Geest bij mij woont. Leer mij, Heer, de identiteit van dié vrijheid. De vrijheid van de Geest, die mij uw kind doet zijn.
O wonder! Dat ik U zó mag liefhebben!
Dat ik zó mag existeren! Vrije, vrolijke, vriendelijke kinderen van U!
Geef, Heer, dat we een klein stukje van uw rijk laten zien aan de mensen.