Dialoog christenen en marxisten
1977-06-24
Dialoog- Jaargang 21
- nummer 25
In het begin van deze beschouwing werd over de dialoog tussen christenen en marxisten gesproken. Deze dialoog vindt het en daar plaats. Dat is niet vreemd; wij komen elkaar in de samenleving tegen. De problemen in onze wereld zijn gemeenschappelijke problemen. Het heeft geen zin elkaar met een banvloek te bedreigen en het gesprek niet eens te beginnen, omdat men er van uitgaat dat het toch niet lukt en omdat marxisten nu eenmaal materialistisch en atheïstisch zijn en daarmee uit. Ook nemen marxisten geen goede houding aan als zij christenen alleen maar zien als mensen die de gevestigde orde willen handhaven en de aandacht van concrete maatschappelijke en politieke problemen afleiden naar een hemelse werkelijkheid.
Ik zeg niet, dat men niet tot deze conclusies zou kunnen komen. Wellicht zijn er gesprekspartners die tot zulke conclusies zijn gekomen. De laatstgenoemden zullen aan een dialoog waarschijnlijk geen behoefte meer hebben. Vooral jonge generaties hebben er echter steeds weer behoefte aan de dialoog aan te gaan. Ze willen en moeten hun levensopvatting verwerken en verwerven; ze willen de kracht van hun levensvisie meten en met argumenten testen.
Het gesprek vindt plaats, niet vrijblijvend; het is een wederzijdse ondervraging.
Vragen aan marxisten
In dit gesprek zouden aan marxisten de volgende vragen gesteld kunnen worden:
- Van wie komt het kwaad? Marx wijst op de afhankelijkheidsrelatie van de mens ten opzichte van de natuur, die overwonnen of verzoend moet worden door de mens in de arbeid. Vanwaar en waarom deze afhankelijkheidsrelatie?
- Marx spreekt verder over het verkeerde bewustzijn, dat uit verkeerde maatschappelijke verhoudingen voortkomt. Is het kwaad in de samenleving slechts een structureel probleem? Wie brengt dan de maatschappijstructuren tot stand? De mensen brengen ze voort. Marx zou zeggen: het maatschappelijk systeem en het kapitaal (subject), die over de mensen beschikken. Zijn er gezien de geschiedenis van de mensheid doorslaggevende redenen te noemen, dat de mens in principe goed is? Zijn er voldoende redenen om aan te nemen, dat bij het omverwerpen van de kapitalistische samenleving een goede samenleving zal ontstaan? Is de mens voor zichzelf het hoogste wezen? Onderschatten marxisten het kwaad in de mens niet? Als wij zien dat het kwaad in de structuren niet zonder oorzaak kan ontstaan en wij de mens als primair-verantwoordelijke moeten aanspreken op de werken van zijn handen, hoe kan de mens dan zijn goede levensrichting kiezen. Is de mens die zichzelf genoeg is en voor zichzelf het hoogste wezen is en uit wie het kwaad voortkomt, bij machte het kwaad zelf te overwinnen met het goede? Vanwaar komt dan het goed
- Benadert Marx de mens en de vervreemding niet te veel vanuit economisch-financieel gezichtspunt? De klassenstrijd accentueert economische, materiële tegenstellingen tussen de mensen. Wordt het leven, met name de niet-materiële aspecten van het leven, niet ondergeschikt gemaakt aan de economische klassenstrijd?
- Is alle godsdienst bijgeloof en ideologie van de heersende klasse? Marx heeft voornamelijk een gedeformeerd en ontaard christendom gekend. Hoewel het atheïsme essentieel is voor zijn filosofie, kunnen wij vragen:
a.Is zijn godsdienstkritiek niet in belangrijke mate tijdbepalend?
b.Wordt de godsdienst opgeheven in een communistische samenleving?
c.Geldt Marx’ kritiek op de godsdienst ook voor die godsdienst die radicale maatschappijkritiek impliceert?
5. Indien marxisten in het westen democratisch en vertrouwenwekkend met anderen willen samenwerken, dienen zij dan niet elke ideologische binding met leninistisch-marxistische dictaturen expliciet af te wijzen?
Vragen aan christenen
In dit gesprek zullen we aan onszelf de volgende vragen moeten stellen:
- Is het geen gewetensvraag voor christenen óf en zo ja, wát het evangelie te zeggen heeft voor het maatschappelijke en politieke leven? Was en is de kritiek van Marx op bepaalde vormen van christendom niet terecht?Christenen moeten zich ten volle bewust zijn van de fundamenteel-deformerende betekenis van de zonde (het niet volgen van het Woord van God) die zowel in het individuele leven als in maatschappelijke structuren gestalte krijgt. Impliceert onvoldoende maatschappijkritiek niet onvoldoende inzicht in de invloed van de zonde en in de betekenis van de radicaal vernieuwende kracht van het geloof in Jezus Christus ook in de vormgeving van de samenleving? Rust op christenen niet de bewijslast om op constructieve wijze een alternatief te tonen?
2. Leidt toenemende materiële welvaart tot opheffing van de godsdienst? B.v. in de secularisatie? Wat is – mede in verband met vraag 1 – het wezen van de christelijke godsdienst en haar betekenis voor de samenleving?
3. Hebben christenen, die niet de klassenstrijd en de vijandschap maar de naastenliefde en de barmhartigheid voorstaan, voldoende oog voor onrechtvaardige economische verhoudingen die deformerend op de mens kunnen inwerken? Hebben zij voldoende oog voor de norm en het feit, dat geldzucht de wortel van alle kwaad is?
4. Dat tegenwoordig wel gesproken wordt over de dialoog tussen christenen en marxisten, mag niet de indruk wekken dat vertegenwoordigers van andere levensbeschouwelijke en wijsgerige richtingen minder relevante gesprekspartners voor christenen zijn. Niet alleen marxisten ontkennen de betekenis van de godsdienst. Het positivisme van Auguste Comte en verschillende vertegenwoordigers van het latere positivisme hebben de godsdienst verklaard als een door de exacte wetenschapsbeoefening achterhaalde zaak. Hun geloof in de rede, de vorderingen van de wetenschappen en van de techniek, culminerende in een vooruitgangsgeloof, is in het westen nog steeds zeer invloedrijk.