Dupliek aan dr D. Holwerda inzake de vrouw in het ambt

1978-04-28
  • Jaargang 22
  • nummer 17
Het antwoord van dr Holwerda aan mij in "Opbouw" van 3-2-'78 vraagt om een korte reactie, waarbij ik me tot de hoofdzaken beperk.

A. De plaats van de vv. 34/35 van 1 Cor. 11
Dr H. leest de beginwoorden van v. 34 (N.V.): zoals in alle gemeenten der heiligen, bij v. 33. Hij voert daar thans als argument voor aan het spraakgebruik van Paulus. Ik betwijfel of dit, gezien 2 Cor. 11: 3 en Rom. 5: 16, naar welke vv, dr H. zeer correct verwijst, wel een doorslaggevend argument is. Herhaling van reeds gegeven argumentatie heeft geen zin. Deze kwestie - en daar komt het wezenlijk op aan - beslist tenslotte nog niet over de plaatsing van de Vv. 34 en 35 na V. 40.

B. Het 'beoordelen' van de profetie
De verbinding die ik legde tussen het zwijggebod en het beoordelen van de profetie (v. 29) ontmoet bij dr H. taalkundig bezwaar, omdat 'diakrinein' (beoordelen) een schiften en niet een toepassend bezig zijn uitdrukt.
Laat ik trachten me wat duidelijker uit te drukken. De profetie zèlf had wel betrekking op praktische aangelegenheden. Door haar werd ook vermaning gegeven, V. 4, en gezegd wat er gedaan moest worden, vgl. Friedrich in K.W., 6, pag. 857.
En daarover had het oordeel der anderen te gaan, schiftend: was er juist of onjuist gesproken? Dat zal zeker in een levendige samenkomst als men te Corinthe gewend was tot discussies aanleiding gegeven hebben. De deelname daaraan ontzegt Paulus echter aan de zusters. Deze opvatting komt in geen enkel opzicht in strijd met de betekenis van 'diakrinein' als schiften.

C. Het 'waarom' van dit zwijggebod
Dr H. schrijft: J. zoekt het in de onderworpenheid van de vrouw. De kwalificatie 'aischron' (lelijk, NBG) betekent volgens hem "wat de vrouw niet als vrouw doet uitkomen... "Maar het gebruik van de term 'aischron' in het NT is duidelijk anders. Het betekent 'oneerbaar'..."
Ik merk hierbij op dat ik geen vertáling gaf van 'aischron', maar aangaf waarop deze kwalificatie sloeg, vgl. vlak er boven: Het woord lelijk kan' ons doen denken aan wat toentertijd als passend gold, Opbouw, pag. 319.
Maar verder: de vertaling van dr H. met 'oneerbaar' wekt gemakkelijk associatie met de gedachte van 'onkuisheid', wat ook de bedoeling van dr H. is. Deze vertaling is echter niet een algemeen erkende, maar een . strikt persoonlijke. Het woord 'aischron' betekent als zodanig schandelijk in al zijn nuances. Buiten het NT betekent het zeker niet altijd 'oneerbaar' of ook 'laag' in zedelijke zin, welke vertaling dr H. naast die van 'oneerbaar' soms in het NT aanwezig acht, terecht. De Griekse vertaling van het OT (de Septuagint) noemt de magere koeien uit de droom van de Farao 'lelijk van aanzien' (aischrai tooi eidei, Vulgata: deformes), Gen.
41 : 9 en de Ie Brief van Clemens (ongeveer 96 na Chr.) typeert met verzet tegen de oudsten in de gemeente van Corinthe als schandelijk, een grote schande (aischrai). In het NT beslist het verband over de nadere nuance van het woord, dat er slechts enkele keren in voorkomt.
Daarbij valt te bedenken dat alles wat onkuis is wél schandelijk is, maar dat alles wat schandelijk is nog niet oneerbaar met de bijbetekenis van onkuis is. Dr H.' verwijst voor zijn vertaling 'oneerbaar' naar het zich kaal laten scheren van een vrouw, 11 : 16; daardoor verliest ze haar gewaad, zegt hij en loopt ze er a.h.w. naakt bij, V. 15. Zo ziet Paulus in 14: 35 ook niet zozeer insubordinatie dreigen, zoals ik stelde, maar onkuisheid, aldus dr H. Maar in V. 34 spreekt de apostel toch maar nadrukkelijk over de ondergeschiktheid van de vrouwen en in 11 : 15 is er m.i. geen sprake van er naakt bijlopen, maar van het er als een mán bijlopen. Het gaat in heel dit hoofdstuk in elk geval om de bedekking van het hóófd en dat is hier een teken van ondergeschiktheid aan de man, die bij het bidden en profeteren geen hoofdbedekking hoeft te dragen, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man, V. 7. Het lijkt me voor geen tegenspraak vatbaar dat niet de onkuisheid, maar de emancipatie het eigenlijke thema van caput 11 is. Paulus strijdt hier tegen de 'rolvervaging', zegt Van Bruggen. Men moet hier ook niet vanuit 1 Tim. het begrip 'onkuisheid' indragen, te minder omdat het de vraag is of dit begrip ook daar wel zo'n grote rol speelt.

Dr H. beziet het hele vraagstuk vanuit de positie van de gehuwde vrouw en denkt aan een tekort doen aan de huwelijkstrouw en zo komt de gedachte van de onkuisheid haar rol spelen. Maar of Paulus speciaal aan de gehuwde vrouw denkt is tot op de dag van vandaag een omstreden zaak.
In 1 Cor. 11 ontbreekt elke verwijzing naar het huwelijk, noch wordt daaraan enig argument ontleend voor het optreden van de vrouw in de gemeente, zo citeert Van Bruggen Conzelmann.
Hoe ter wereld kan een vrouw door zich met een vraag om advies te wenden tot een broeder daardoor tekort doen aan de onderdanigheid, die zij jegens een man verplicht zou zijn, vraagt dr H. blijkbaar wat ongeduldig. Ze kan daardoor toch alleen tekort doen aan het gezag van haar eigen man over haar? Ik veroorloof me hier een citaat van Delling: Het ondergeschikt zijn “hat hier kein unmittebares personles Gegenüber, es kenzeichnet zunächst einfach den Status der Frau als solcher" (K.W., 8, 44). Het gaat hier om de onderdanigheid niet aan een man, maar aan de man als zodanig. Dr H. verstrikt zich hier in een nodeloos probleem.
Dit probleem wordt nog verwarrender doordat hij 'gezag hebben over' (N.V.) in 1 Tim. 2: 12 vertaalt met 'negeren'. Zo wordt de vraag aldus toegespitst: wat voor gezagsnegering zit er in een vráág aan een vrouw aan een man? In het Grieks staat hier het woord 'authentein'. Dr H. verwijt: J. blijft weliswaar maar vertalen "ik sta niet toe, dat een vrouw...
gezag over de man heeft", terwijl hij er toch al op gewezen had (II) dat wat wij van elders over het hier gebezigde zeldzame woord weten, duidelijk maakt dat de betekenis niet is 'gezag hebben over', maar veeleer 'het gezag van wie over je gesteld is' negeren.

Authentein dus, dat ik ook een keer vertaalde met de baas spelen over.
Muller, Bauer, Blass/Debrunner geven de vertaling beheersen, heersen over; de Canisiusverfaling: meestert over; Rienecker: (eig. eigenmachtig handelen) beherschen, m. gen. Vergelijk voor authentès Euripides: heer, gebieder, de in het laat-Grieks overheersende betekenis; via het nieuw-Grieks in het Turks: effendi, heer, zo Hommes; Joachim Jeremias: sich selbstherrlich über den Mannerheben.

Het 'negeren' van dr H. geeft aan een bijkomende gedachtenegatie van -, die voortvloeit uit de hoofdgedachte - eigenmachtig optreden - een veel te zwaar accent. Dit is vooral daarom nog bezwaarlijker omdat de gedachte van het negéren van het gezag van haar man bij dr H. overgaat in het negéren van haar man zelf. En zo komt het dan te staan in de sfeer van de huwelijksontrouw met de daarbij komende gedachte van de onkuisheid.

In verband met wat ik schreef over Rom. 16: 1 en 2 wijst dr H. er terecht op dat er niet te spreken valt van een NTisch spraakgebruik m.b.t. het woord 'prostatis', voorstandster, omdat dit woord slechts één keer in het NT voorkomt. Ik wist dit, want praktisch alle commentaren zeggen dit. Daarom was te vermoeden geweest dat ik bedoelde het NTisch spraakgebruik t.a.v. diaken en voorstandster en/of aanverwante woorden. Ik dacht daarbij o.a, aan de prochistamenoi in b.v. 1 Thess. 5: 12, zie Reicke, K.W., 6, 701-713.

Tenslotte: heel wat van wat ik heb opgemerkt aan zijn adres liet dr H. onaangeroerd, zoals ik me ook grote beperkingen heb opgelegd m.b.t. wat hij aan mijn adres heeft geschreven.
Me:' moet nu eenmaal met de ruimte en de lezers rekening houden. De exegese van 1 Cor. 14 en andere teksten, die ons onderwerp raken blijft moeilijk. Een gelijk oordeel zal, zoals ik reeds eerder schreef, wel niet gemakkelijk uit de bus komen.
Het is verstandig op dit punt niet met al te grote stelligheid te spreken. Ik hoop dit dan ook niet gedaan te hebben, al kan men natuurlijk op een bepaald punt wel eens kunnen en mogen zeggen: dit' is toch wel onjuist. Natuurlijk sluit de moeilijkheid van de stof het nuttige van de gedachtewisseling niet uit. Zij kan leiden tot meerdere helderheid, dat is tenminste de bedoeling. Ik hoop dat ook mijn bijdrage in dit opzicht enig nut heeft afgeworpen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief