Zo was het (8)
1977-06-24
In het vorige praatje had ik het over geloof en geloven. Het is een zeker weten en vast vertrouwen, dat God ons in Christus alles geeft wat we nodig hebben in leven en sterven. Namelijk: vergeving der zonden en eeuwig leven. Het klemt zich vast aan Gods beloften, die in Christus ja en amen zijn. Het leeft van genade, we mogen wel zeggen van genade alleen. Het is de lege hand, die aanneemt Gods goede gaven. Paulus wordt van zijn doren in het vlees niet verlost, maar krijgt te horen: “Mijn genade is u genoeg!” Het Evangelie van de levende Christus, die eens voor ons gestorven is komt met dit ene bevel: Gelooft. Gelooft alleen. En gij zult behouden worden.- Jaargang 21
- nummer 25
Dan komt als vanzelf de vraag op: maar hoe staat het dan met de werken? Hebben wij dan niets anders te doen dan te geloven? Is er geen bekering nodig of vernieuwing van ons leven? Moeten we niet breken met de zonde en zonder enige tegenspraak God gehoorzaam zijn? Er staat toch geschreven: Werkt uw redding met vrees en beving, want God werkt het willen en het werken? De Here Jezus heeft toch gezegd, dat niet de hoorders van het Woord zalig zijn maar zij, die het horen én doen? Wie dat niet wil en niet doet bouwt op zand en krijgt aan het einde der dagen te horen: Ga weg van mij, werker der ongerechtigheid. Ik heb u nooit gekend.
Maar hoe zit het dan. Worden we dan niet behouden door het geloof? Moeten daar nog werken en verdiensten bij komen? Het antwoord is: we worden werkelijk behouden door geloof, maar door geloof dat werkt. Dat werken bij het geloof móeten bijkomen, zou ik zo niet willen zeggen. Ze komen er als vanzelf bij, ze mogen er bij komen. Van verdienen en verdiensten, zoals wij daarvan gewoonlijk praten, moeten we maar niet spreken. Wat de catechismus in zondag 23 over een en ander zegt is waar en goed. Naar de Schrift gesproken. Daar wordt gevraagd: “Wat baat u dit, dat gij dit alles gelooft?” En geantwoord: “Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.” Verder: “Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?” Mijn geweten klaagt mij aan, dat ik tegen al Gods geboden zwaar gezondigd heb. En dat ik geen daarvan gehouden heb. En dat ik nog tot alle boosheid geneigd ben. Toch schenkt God mij en rekent Hij mij toe de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus, alsof ik nooit enige zonde had gehad noch gedaan. Ja, alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft. In zover ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem. En dat alles zonder enige verdienste van mij, uit louter genade – Christus is dus onze gerechtigheid, en heiligheid en heerlijkheid. Hij alles, wij niets.
Mogelijk zal iemand tegen mij zeggen: U vertelt over uw levensloop en “hoe het was” en nu krijgen we een stukje dogmatiek? Mijn antwoord is: van dogmatiek heb ik zo geen verstand. Maar wat ik nu vertel heeft te maken met mijn levensgang. In de loop der jaren heb ik – vooral in en na de vrijmaking – meer en meer begrepen, dat ik mij moest houden aan het bevel van de Here Jezus: Preek het Evangelie. Maar dan ook: Leer onderhouden al wat Ik geboden heb. Dit laatste had ik – wel wat achterwege gelaten. Dat “leren onderhouden van de geboden des Heren” is broodnodig. Ook op de Veluwe en ook in Kampen. Op de Vale Ouwe leefden we in de kerkelijke omgeving, waar men het hield met de dierbare vijf nieten: ik kan niet, ik wil niet, ik heb niet, ik ben niet, ik deug niet. En vanuit die omgeving werkte dit ook door in de Geref. kerk. Daarom heb ik in mijn preken en schrijven – ook in het kerkblaadje – nogal nadruk gelegd op ons doen en laten. Op de praktijk der godzaligheid. Dat werd mij niet door alle brs. en zrs. in dank afgenomen. Sommigen mompelden en mopperden: hij is een beetje remonstrants. En nu komt mij een verhaal te binnen: er was eens een patriarch, die niet lang meer zou leven. Hij gaf de oude Statenbijbel aan de oudste zoon en zei: “Ik heb in het Boek alle teksten onderstreept, die wat remonstrants zijn.” Dat zullen dan wel teksten geweest zijn als: Werkt uw eigen zaligheid. Wordt vervuld van de Heilige Geest. Maakt u een nieuw hart. Weerstaat de duivel en hij zal wegvluchten. Weest heilig, want Ik ben heilig. Weest volmaakt gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.
Maar hoe zit het dan? Rechtvaardig door het geloof en erfgenaam van het eeuwige leven en toch nog goede werken doen? Ja, brs en zrs. Maar dat is geen vervelend móeten, maar een aangenaam mogen! De catechismus vraagt in zondag 32: “Aangezien wij uit onze ellende, zonder enige verdienste van ons, alleen uit genade verlost zijn, waarom moeten we dan nog goede werken doen?” En het antwoord is: “Daarom dat Christus, nadat Hij ons met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door zijn Heilige Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons hele leven Gode dankbaar voor zijn weldaden bewijzen, en Hij door ons geprezen wordt. Daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij en dat door onze godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.” We mogen dus goede werken doen om God te eren, om zelf de zekerheid van het geloof te bewaren en anderen voor Christus te winnen.
Goede werken zijn dus nodig. Maar het zijn geen werken der wet, doch geloofswerken. En dat maakt een groot verschil. Werken der wet of uit de wet zijn werken, die gedaan worden om bij God in de gunst te komen. Mensen, die uit de wet leven, zoals Schriftgeleerden en Farizeeërs van alle tijde, zien de verhouding tussen God en mensen als die van een werkgever en de werknemers. De werkgever belooft loon en de werknemer werkt daarvoor en verdient loon. Beter misschien nog kunnen we spreken van heerser en slaaf. Een slaaf werkt, omdat hij bang is voor de zweep van z’n meester. Hij is alleen maar slaafs gehoorzaam en niet kinderlijk. Hij wordt beheerst door slaafse vrees voor straf en niet door kinderlijke eerbied voor een vader. Gelovigen weten zich kinderen Gods, ze leven van Gods genade. En vol van die genade begeren ze hun hemelse Vader te behagen. Hun vrees is geen slaafse vrees, maar kinderlijke zorg en heilige zorgvuldigheid om de wil van hun Vader te doen.
Wie leeft uit de wet en werkt om verdienste komt nooit tot zekerheid. De vroomste rabbi, de knapste theoloog, de ijverigste kloosterling komt door z’n vasten en bidden, z’n boeten en theologiseren nooit tot de vaste overtuiging, dat hij genoeg voor God gedaan heeft. De ervaring van alle tijden bevestigt dit. In zekere zin maar goed ook. Paulus zegt: “Indien zij die uit de wet zijn erfgenamen zijn, dan is het geloof ijdel geworden en de belofte teniet gedaan.” Op een andere plaats zegt hij tot slavenarbeiders: “Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht, buiten de genade staat gij.” Wie van eigen verdienen wil leven veracht Gods genade. Wie uit de wet leeft kan en wil niet leven van geloof. En hij bereikte z’n doel nooit.
Maar met geloofswerken staat het anders. Wie van genade, uit geloof leeft, werkt wel. Hij kan en wil niet anders. Hij doet goede werken om zo te zeggen als vanzelf. Onder de zachte drang van de Heilige Geest. Waar geloof kán niet alleen blijven. Een “geloof” dat alleen blijft is naar het woord van Jakobus een dood geloof. Dat is helemaal geen geloof! Als ik geloof, dat God Zijn enige Zoon gegeven heeft tot in de dood aan het kruis en dat uit grondeloze barmhartigheid, dan kán het toch niet anders dan dat ik vraag: “HERE, wat wilt Gij dat ik doen zal?” Dat vraagt de cipier in Filippi, dat vraagt Paulus. Dat is ook de vraag van elke christen, die Christus gelovig aangenomen heeft als zijn Zaligmaker. Wie de belofte van het Evangelie gelooft wil ook naar aanwijzing van het Evangelie leven naar de Wet des HEREN.Niet op wettische wijze als een slaaf of slavin, maar op evangelische wijze als een kind.
Hij wil leven náár de wet, niet uit de wet. Dat is geen verschil in woorden, maar in werkelijkheid. Dat woord Wet mogen we wel goed verstaan. Naar mijn ervaring wordt de betekenis van de Wet vaak misverstaan. Velen denken daarbij aan een streng voorschrift of een stapel harde bevelen. Die tot ons komen met dreiging van “kogel en strop” om zo te zeggen. Van zulk een wet of verzameling van wetten houden we niet. We vinden ze maar lastig en trachten ze te ontduiken als het even kan.
Maar het woord Wet betekent in de Schrift iets heel anders. Het Hebreeuwse woord voor wet betekent: onderwijzing, aanwijzing, levensregel van een hemelse Vader voor zijn geliefde kinderen.
Wie in de hemelse Vader gelooft begeert naar Zijn lessen te horen en naar Zijn aanwijzing te leven. Die vraagt niet als een slaaf: Wat móet ik nu al weer doen. Maar: wat mág ik voor U doen. Dat was reeds zo onder het O.T. Boven de Wet des HEREN staat geschreven: “Ik ben de HERE uw God, die u uit Egypte heb geleid.” Dát voorop. Er staat niet: Ik zal uw HERE en God worden als gij mijn bevelen hebt uitgevoerd. Neen, eer Israël iets gedaan heeft zegt de HERE: Ik heb u lief. Ik heb u tot mijn volk verkoren. Ik ben uw Vader, gij zijt mijn kinderen. Leeft dan ook als mijn kinderen. Naar mijn aanwijzingen.
En dan horen we uit de mond van die kinderen: Hoe lief hebben wij uw Wet. Ze zijn mijn gezangen in min vreemdelingschap. Welzalig de man, die de HERE vreest. Ik overdenk uw Wet bij dag en ook wel in slapeloze nachten. De Wet des HEREN is volmaakt, een verkwikking voor ons leven. Ze is meer waard dan het fijnste goud. Zoeter dan honing. – Ik zou zeggen: Lees nog eens psalm 19 en 119.
Van die geloofswerken kwam in de zogenaamde zware kring weinig terecht. Dat er in onze kringen heel veel van terecht komt wil ik niet beweren. Ik hoop van wel. En de mogelijkheid is er in elk geval wel. Die is er in de “zware” kringen eigenlijk niet. Men durft daar Gods beloften van vergeving en leven niet zomaar aannemen. Dat vindt men te licht. Trouwens, men verontschuldigt zich met de “nieten”. Men kan, wil, enzovoorts niet. Nu dan. Het gevolg is, dat men wel streng leeft naar allerlei overgeleverde gewoonten. Men gaat heel trouw naar de kerk. Soms om daar te griezelen, zoals anderen naar de bioscoop gaan om hetzelfde te ondergaan. Ik verzin geen verhaaltjes, uit de mond van sommigen heb ik het zelf gehoord. Maar van kinderlijk geloof in het Evangelie en dus van geloofswerken kwam niets terecht. Ik kreeg eens iemand aan de pastorie om mij te vermanen wat meer met het vuur van het oordeel te “speulen”.De vonken moesten er afspatten. De pannen moesten ratelen op het dak van het kerkgebouw! Toen vroeg ik aan die broeder: “Zie je veel vrucht van zulk een prediking in jouw kring?” Munt men daar uit in goede werken? Zijn antwoord was even kort als duidelijk: “Wie bij ons een paard koopt moet het dier wel goed in de bek kijken.”
Wie niet begint met de blijde boodschap van Jezus Christus te geloven komt niet tot geloofswerken. En dan helpen de scherpste preken van hel en verdoemenis niets.