Zo was het (16)

1978-04-28
  • Jaargang 22
  • nummer 17
Van een broeder kreeg ik een vriendelijk schrijven naar aanleiding van het vorige artikel. Hij was er niet gelukkig mee, hoewel hij m'n bedoeling wel begreep. Hij was bang, dat door dergelijke verhalen koren werd aangedragen voor de molen van hen, die steeds maar bij de oude organisaties wilden blijven. Uit vrees voor isolement. Zodat ze langzaam maar zeker onder invloed kwamen van “linkse'' figuren.
Ik van mijn kant kan wel begrijpen, dat hij er niet gelukkig mee was. Mogelijk is dit helt geval bij meer lezers.
Om hun vrees wat weg te nemen geef ik een samenvatting van de brief, die ik aan bovenaan geduide broeder schreef. Namelijk dit:

1e. Ik schreef hoe het was. In 1946-48. Zo sprak ik en zo handelde ik in antwoord op vragen en wensen, die mij toen werden gesteld. Ik heb geen spijt, dat ik indertijd zo deed.

2e. Het ging niet om de vraag of ik persoonlijk vóór of tegen het G.P.V. enz. was. Maar of ik als dienaar van het Woord des HEREN wilde aandringen om te kiezen vóór of tegen een en ander.
Ik meende en meen nog, dat de kansel hiervoor niet de plaats is.

3e. Wat ons isolement betreft, het is goed dat we ons niet openstellen vóór de wereld. Maar we moeten ons wel openstellen naar de wereld toe. Ons niet laten beïnvloeden door de wereld, maar wel invloed uitoefenen op de wereld. Naar het woord van Jezus Christus: "Laat uw licht schijnen voor de mensen, zodat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader in de hemelen verheerlijken". Dit laatste deden we in elk geval veel te weinig.

En nu dan m'n vervolgverhaal. Er waren dus brs. en zrs. die mij wilden bewegen om vanaf de kansel, dus als dienaar van het Woord des HEREN, iedereen de weg of het pad voor te schrijven, op elk levensterrein.
Welk blad men zou moeten lezen enz. Daarvoor heb ik stichtelijk, bedankt. Het is immers niet zo, dat één man, op de preekstoel, mondig is en dat de "leken", zal ik maar zeggen, allen onmondig zijn. In de Schrift staat, dat al de heiligen, alle gelovigen samen zullen overleggen, wat de wil van God is. En ook, dat alle gelovigen de zalving van de Heilige Geest hebben. Dat wil vanzelf niet zeggen, dat het Evangelie niet heel ons leven moet beheersen. Daarover mag geen verschil van mening zijn. Maar dan zó: Door de prediking van het Evangelie, als een kracht Gods tot behoud, moet onder de zegen van de HERE de gemeente leren "wandelen met God". De HERE kennen in alle wegen. Als dát bereikt wordt, dan zal elk gemeentelid zijn weg wel kunnen vinden op dat terrein, waarop hij zich beweegt en leeft. Bij verschil van mening èn verschil van handelen zal men elkaar niet gauw moeten verketteren. Maar denken aan het woord van Paulus: "God zal u ook dat openbaren, indien gij op enig punt er anders over denkt; maar wat wij bereikt hebben, in dat spoor verder". In hoofdzaken zullen we één lijn trekken, in bijzaken elkaar vrijheid gunnen, in alles de liefde betrachten.

Misschien zal iemand vragen: Maar hoe stond het dan in de bezettingstijd?
Moest er toen niet voor de koningin gebeden worden? Moest er toen niet tegen Hitler en het nationaalsocialisme gepreekt worden? Mocht een dienaar van het Woord toen over politieke en maatschappelijke bewegingen zwijgen? Mijn antwoord is, dat er toen en onder die omstandigheden niet mocht gezwegen worden. Maar waartégen moest gewaarschuwd worden? Tegen Hitler? Zijn naam heb ik op de kansel bij mijn weten nooit genoemd.
Evenmin als de Here Jezus ooit de naam van een keizer heeft uitgesproken. Wel heeft Hij gezegd: "Geeft aan de keizer, wat aan de keizer behoort en geeft aan God, wat Hem toebehoort". Wat natuurlijk ook wil zeggen, dat een christen God meer gehoorzamen moet dan welke machthebber ook.

Tegen de Nat.-Soc. Beweging heb ik gepreekt. Die bedreef afgoderij met ras en bloed en bodem. En tegen alle afgoderij moet worden gewaarschuwd.
Gedachtig aan het gebod: "Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben". Toentertijd sprak mij het boek Daniël zeer aan. En daarover heb ik een serie preken gehouden.
O.a. over het gouden beeld, waarvoor alle onderdanen van de keizer moesten buigen. Wat Sadrach, Mesach en Abed-Nego pertinent weigerden. Voor het grote Babel van HitIer mochten we niet knielen. '
Toen ik in 1944 wegens een kleinigheid was gevangen genomen, werd ik in Arnhem door een officier van de SS verhoord. Hij vroeg mij waarom de Gereformeerden in het algemeen, en mijn persoon ook, zo tegen het nationaalsocialisme waren. Hij had me gewaarschuwd, dat ik niets mocht zeggen tegen de Leider of tegen de Wehrmacht. Overigens was ik vrij om te zeggen wat ik dacht. Toen heb ik gezegd, dat onze houding bepaald werd door de overtuiging, dat we van geen macht ter wereld een afgod moeten maken. Dat we daarom tegen de N.S.B. waren en preekten. Toen hij opmerkte, dat Duitsland zou winnen en dat God met het sterkste leger was', heb ik gezegd, dat het laatste woord niet aan Duitsland was, maar aan God. De SS-er heeft me geen haar gekrenkt, maar wel gezegd, dat het dan hard om hard tegen de Kerk zou gaan.

Als de toestand zo duidelijk is als omstreeks 1940, dan mag en kan de prediking zich niet op de vlakte houden.
Maar dat wil niet zeggen, en nu heb ik het even over de tegenwoordige tijd - dat dominees en synoden en kerkleiders zich moeten uitspreken over allerlei toestanden in de wereld.
Een dominee moet kiezen en preken, meent men, tegen de apartheid - niet in Rusland of Amerika, maar - in Zuid-Afrika, Hij moet opkomen voor de verdrukten - niet zozeer in landen achter het ijzeren gordijn, maar in wat ik maar zal noemen rechtse landen. Synoden en Wereldraad zijn druk in de weer met allerlei wereldproblemen. Men beweert, dat daar de Kerk aan het woord is. Naar mijn bescheiden mening is dat niet het geval. Wie zijn daar aan het woord? Theologen, waarvan sommigen een theologie van de revolutie aanhangen. Verder zogenaamde kerkleiders. die vaak heel ver van het kerkvolk afstaan. Ik maak me sterk, dat de meerderheid van de kerkleden met allerlei besluiten en protesten en brieven niet instemt. Velen weten niet eens waarover die "hoge" vergaderingen het hebben. Theologen moesten zich wat meer bij hun leest houden. Ik denk, dat het al moeilijk genoeg is te oordelen over toestanden in eigen land. Waar halen sommigen dan de vrijmoedigheid vandaan om te oordelen over toestanden in allerlei delen van de aardbol?

Maar, zal mogelijk iemand zeggen, de profeten van het Oude Testament profeteerden toch ook tegen de onderdrukkers van Israël? Tegen Babel en Assyrië en Egypte, de grootmachten van hun dagen? Moet er in onze dagen ook niet geprofeteerd worden tegen alle onderdrukkende machten?

We moeten denk ik niet vergeten, dat de profeten bijzondere openbaringen ontvingen door gezichten en dromen.
Zij konden zeggen: Zo spreekt de HERE. Zij konden de ondergang aankondigen van de mogendheden, die om de God van Israël zich niet bekommerden, maar roemden in de kracht van wagens en paarden en legerscharen. Hebben onze theologen en dominees zulke openbaringen, zodat zij kunnen zeggen: Zo spreekt de HERE?
Bovendien mogen we niet vergeten, dat de profeten in de eerste plaats zich keerden tegen eigen volk, het volk des HEREN, dat Hem de rug toekeerde. Als Israël de afgod ging aanbidden en de Baäls dienen, dan zeiden zij het oordeel aan tegen eigen volk. Ook al wilden de Israëlieten dan duizenden van rammen offeren en beken van olie laten vloeien, terwijl de rijken de onderdrukten geen recht deden en de armen lieten omkomen, dan zei Micha o.a.: "Hij heeft u bekend gemaakt, 0 mens wat goed is en wat de HERE van u vraagt: Niets anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God".

Synoden en raden van kerken en niet te vergeten de Wereldraad nemen allerlei besluiten, waarin misstanden hier en daar en overal in de wereld worden veroordeeld. Men zegt tegen de apartheid te zijn en tegen de neutronenbom en tegen "Almelo" en tegen weet ik veel wat nog meer. En aan regeringen worden protesten gezonden en de les gelezen over wat er gedaan of niet gedaan wordt. Zou dat de taak van deze raden en vergaderingen zijn? Afgezien van de vraag of zij werkelijk kerken vertegenwoordigen ben ik van mening, dat deze vergaderingen buiten hun boekje gaan. Er zijn ons tellend veel misstanden in de wereld, wie zou het ontkennen?
Maar kunnen theologen oordelen over allerlei toestanden in de wereld? En wie heeft hen tot oordelen geroepen?
En mogen zij aansporen om gewelddadige acties te steunen? En is het de taak van dienaren van het Woord de gemeente in te lichten over toestanden en misstanden in allerlei delen van de wereld? Mogen zij dat en kunnen zij dat? Van zendelingen horen we, dat zij geen oplossing zien voor allerlei problemen en zij zitten er midden in. Zouden wij dan wel in staat zijn en bevoegd tot oordelen?
Heeft de Here Jezus en hebben de apostelen hiertoe opdracht gegeven en hebben zij in dit opzicht een voorbeeld gegeven? Dat is voor mij geen vraag.

Wel heeft Hij aangedrongen om onderdrukten recht te doen en zwakken te sterken en hongerigen te voeden en dorstigen water te geven. Daartoe zullen de gelovigen meehelpen.
In de eerste plaats in eigen omgeving. Maar ook aan verre landen, voor zover dat mogelijk is. Daadwerkelijke steun voor hongerigen in de Sahellanden en voor kinderen in India en voor mensen, die getroffen worden door aardbevingen en overstromingen en dergelijke. En het is te wensen, dat veel jonge mensen zich geroepen voelen om naar onderontwikkelde gebieden te trekken om zo mogelijk een betere toekomst voor te bereiden.

Maar het beste en het krachtigste middel tot verbetering van toestanden in de wereld is het Evangelie.
Dát is een kracht van God tot behoud.
Van heel het leven, zoals dat reilt en zeilt. Daarom was het ook de opdracht van Jezus Christus om het Evangelie te verkondigen aan alle volken en hen te leren onderhouden, wat Hij geboden had. Dát is de allereerste taak van de. Kerk en van de kerken. Opdat de aarde vol mag worden van de kennis van de HERE, zoals de zee vol water is. Als we denken, dat wij daar al heel wat aan doen, dan meen ik. dat we maar niet te gauw tevreden zullen zijn. Naar ik hoorde zijn er kerken in andere landen, die evenveel zendelingen uitzenden als er dominees zijn in eigen kerk. Zover zijn wij zeker nog niet. Daar brengt het kerkvolk evenveel op voor de Zending als voor eigen eredienst. Leeft bij ons wel de overtuiging, dat de Blijde Boodschap overal ter wereld een reddende kracht is?

Daaraan voeg ik nog één opmerking toe. Het is goed, dat we meewerken aan de komst en uitbreiding van het Koninkrijk Gods, overal ter wereld.
Voor zover ons dat mogelijk is. We kunnen vanzelf heel de wereld niet voor onze rekening mimen. Maar het is niet best als we onze gaven voor die arbeid geven en onze gebeden daarvoor opzenden, terwijl we in eigen omgeving ons schamen voor de Goede Tijding. We moeten beginnen bij ons zelf en bij onze buren zal ik maar zeggen. Dat is veel moeilijker en daar komen we niet zo gemakkelijk toe als veel of weinig geven voor de zending. Als ik me niet vergis gaat er van ons en van de kerken in het algemeen weinig kracht uit op "alle mensen". We hoeven niet als de Jehovagetuigen langs de deuren leuren met onze boodschap. Maar we hebben wel levende brieven van Christus te zijn. Door onze woorden en daden. En zo ook wat te doen tegen misstanden onder eigen volk en in eigen land. Daarover kunnen we beter oordelen en daaraan kunnen we meer doen, dan aan wantoestanden aan de andere zijde van de wereldbol.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief