Over de "ziel"

1978-04-28
  • Jaargang 22
  • nummer 17
Zoals onze lezers zich misschien nog wel zullen herinneren heb ik enige tijd geleden een aantal artikelen geschreven over wat de Heilige Schrift ten aanzien van de "ziel" zegt. Dat geschiedde naar aanleiding van een "Ingezonden" van br. P. Bos uit Spakenburg.
Hij reageerde daarin op een artikel over de "onsterfelijkheid der ziel" dat ik reeds veertig jaar geleden in "De Reformatie" had geschreven en dat ik opnieuw in Opbouw had laten afdrukken.
Br. Bos was met wat ik in reactie op zijn "Ingezonden" schreef niet gecontenteerd en zond daarover een tweede "Ingezonden". Ik was en ben van plan nog wat dieper op het bijbelse begrip "ziel" in te gaan. Ik wilde dan beginnen met zijn "Ingezonder" op te nemen om in directe aansluiting daaraan op de zaak nader in te gaan. Maar br. Bos stond er op dat zijn stuk zo spoedig mogelijk geplaatst werd. En dat gebeurt dan bij deze.

Geachte professor Veenhof, Uw artikelen over de scheppingsdagen, de zondvloed en de onsterfelijkheid der ziel hebben mij niet kunnen overtuigen. In tegendeel.

1. Wat zin heeft het, als de Heere zegt: "Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag", om dan te gaan filosoferen over de vraag: dag? Wat is dag? Een tijdperk?
Misschien wel duizend of een miljoen jaren. Als in de tien geboden staat (Ex. 20 : 11): Want in 6 dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt en Hij rustte op de zevende dag, dan vraag ik U, wat zin heeft het dan om over de lengte van die dagen te filosoferen.
Als U weet, dat God met één machtwoord dit alles tot stand bracht, waarom gaat U dan de lengte van die dagen disputabel stellen? Ik meen mij te herinneren dat Kuiper iets dergelijks opmerkte, toen ze indertijd ook al gingen morrelen aan de lengte van de scheppingsdagen.
Ik vind dat U zich door zulk getheoretiseer op een glibberig pad begeeft.
Ik weet wel dat het woord dag in verschillende betekenissen kan gebruikt worden, maar verwijzende naar Ex. 20: Ik versta ik dat in Gen. 1 een dag bedoeld wordt, zoals wij die in onze 7 dagen der week verstaan en beleven.
Zoals U het veronderstelt kan de ongelovige wetenschap daarop verder borduren met z'n evolutietheorie.
Volgens U was de rotatie der aarde dus langzamer dan nu. Volgens mij begon de draaiing der aarde op de eerste dag. Als in Jozua 10: 13 staat: "De zon nu bleef staan midden aan de hemel en haastte zich niet onder te gaan, omtrent een volle dag, dan ga ik niet tornen aan de lengte van die dag, evenmin als aan "toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag."

2. Op mijn ingezonden in "Opbouw" van 22 april '77 gaat U niet in. Mijn argumenten ontleend aan Schrift en belijdenis, laat U links liggen. Pred. 12: 7 "en de geest wederkeert tot God, die hem geschapen heeft.
Matth. 10: 28; "En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan berderven in de hel."
Inzonderheid op die laatste tekst gaat U niet in. Ook onze belijdenis gaat er van uit dat de mens een ziel heeft, die bij het sterven het lichaam verlaat. De Heere riep aan het kruis: "Vader, in Uwe handen beveel ik mijne geest."
En Stefanus riep totde Heiland, die hij zag staan aan de rechterhand Gods: "He ere Jezus, ontvang mijne geest."
Art. 18 van onze belijdenis spreekt duidelijk over de ziel.
"En heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen, zoveel het lichaam aangaat, maar ook een ware menselijke ziel, opdat Hij een waar mens zou zijn. Want aangezien de ziel zowel als het lichaam verloren was, zo was het van node dat Hij ze beide aannam, om ze beide zalig te maken."
In art. 19 staat: "Zo was dan hetgeen Hij stervende in de handen Zijns Vaders bevolen heeft, een ware menselijke geest, die uit Zijn lichaam scheidde. In art. 21 staat: "en dat zowel in Zijn lichaam als in Zijn ziel gevoelende de schrikkelijke straf."
In art. 37 staat: "Want al degenen, die gestorven zijn, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen te zamen gevoegd en verenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hebben."
U poneert de stelling dat Ursinus en Olevianus de catechismus geschreven hebben onder invloed van de Aristototelische filosofie.
Evenzo de opstellers van de geloofsbelijdenis, De leer van lichaam en ziel hebben ze (volgens U) overgenomen van de Griekse wijsgeleerden.
Aan mijn opmerking dat "deze leer van lichaam en ziel" door deze filosofen is overgenomen (maar dan verminkt) van de Joodse schriftgeleerden, die een paar eeuwen voor Aristoteles reeds in Griekenland waren, gaat U voorbij. Dit laatste is Die door mij bedacht. Ook Uw beroep op 1 Tim. 6 :16 zet geen zoden aan de dijk. In die tekst wordt meegedeeld dat God alleen de onsterfelijkheid bezit. Zie er de grondtekst maar op na. Calvijn noemt het een beestachtige dwaling om te leren dat de menselijke ziel sterfelijk is.
Bij het formeren van de mensenhandeI. God anders dan bij het scheppen van de dieren. "Toen formeerde God de mens van het stof der aarde en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen."

3. Ook met Uw schrijven over de zondvloed kan ik niet meegaan.
U veronderstelt dat het ook een plaatselijke vloed kan zijn geweest. Waarom die veronderstelling, terwijl de Schrift in deze duidelijk genoeg is. Indien dat het geval was geweest, was het bouwen van de ark overbodig.
Noach en de zijnen waren naar elders vertrokken, evenals Lot en de zijnen. Een ark van dergelijke afmetingen en daarop een jaar ronddrijven zonder ergens aan wal te komen.
Petrus schrijft (2 Petr. 3 : 3-7): Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het Woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn, en de aarde die uit en door het water bestaat, waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen. Petrus stelt twee gelijkwaardige gebeurtenissen tegenover elkaar.

1. De aarde die door het water verzwolgen werd.
2. Diezelfde aarde die door het vuur zal vergaan. Volgens U kan de wereld van vers 6 een deel van de wereld zijn, maar in vers 7 de gehele wereld. En dat wil er bij mij niet in.

Trouwens in "Opbouw" van 25-3-'77, blz. 94 wijst U er zelf op dat door de val en zondvloed ontzaggelijke veranderingen hebben plaats gehad. En die veranderingen hebben niet plaats gehad door een plaatselijke vloed.
Neen, die zondvloed is een totale, de gehele aarde bedekkende vloed geweest.
Die vloed heeft de structuur en het klimaat totaal veranderd. Ps. 104 spreekt er van in vers 9: "Gij hebt een grens gesteld, die zij niet overschrijden: zij zullen de aarde niet weer bedekken." , Als ik het geslachtsregister van onze aartsvaders lees in Gen. 5 en zie dat de mens toen gemiddeld 900 jaar werd en er dus een groot aantal geslachten gelijktijdig leefden (thans 3 geslachten) dan moeten er al miljoenen mensen geleefd hebben toen de zondvloed kwam. Graag was ik breedvoeriger op Uw schrijven ingegaan, maar mijn ingezonden zou te lang worden.

P.Bos, Spakenburg


Voorlopig maak ik hierbij de volgende opmerkingen.

1e. Op de kwestie van de scheppingsdagen en de zondvloed ga ik niet meer in. Er is daarover onder Gereformeerden steeds verschil van gevoelen geweest zonder dat daarover enige moeite ontstond. Wat mijzelf aangaat: ik kan mij het best vinden in' Schilders bekende brochure "Een hoornstoot tegen Assen". Die is indertijd in de gereformeerde wereld met algehele instemming ontvangen en is voor zover ik weet tot nu toe nooit zakelijk weerlegd.

2e. Op de Schriftuurlijke opvatting omtrent de "ziel" hoop ik, zoals ik schreef, nog nader in te gaan. Nu alleen het volgende: Toen in de jaren dertig door heel velen o.a, in De Reformatie en Pro Ecclesia er op gewezen werd en aangetoond dat de uitdrukking "onsterfelijke ziel" niet Schriftuurlijk is, ontstond daartegen scherp verzet, vooral van Prof. Hepp, Prof. H. H. Kuyper, de roomse Prof. Veraart en, meer gematigd, van Prof. J. Ridderbos.
Dit leidde ertoe dat in de reeks kerkverwoestende leeruitspraken, die de synoden in de jaren veertig uitvaardigden en, tegen alle daartegenin gebrachte bezwaren in, handhaafden, er ook een was waarin de term "onsterfelijkheid der ziel" werd gehandhaafd. Enig Schriftbewijs werd daarvoor niet gegeven. De synode verklaarde dat zij zich daarbij aansloot bij het "in dezen onder ons gangbare spraakgebruik". Alsof dat "gangbaar spraakgebruik" een grond kan zijn voor een leeruitspraak die als "goddelijke waarheid" aan de gewetens werd opgelegd!
In een noot voegde de synode er nog aan toe: "Ook in de H. Schrift komt dat spraakgebruik voor, met name in Matth. 10: 28, maar over het algemeen is hier het spraakgebruik enigszins anders dan het onze".
Met stomme verbazing las ik indertijd die laatste zinsnee. Want het ging er in de toenmalige discussie juist om dat dat naar onze overtuiging het Schriftuurlijk spraakgebruik t.a.v. "ziel" en "lichaam" anders was dan het gangbare! Dat gaf de synode nu aarzelend toe. Maar ze zei niet waarin dat Schriftuurlijke spraakgebruik "enigszins anders" was dan het gangbare.
Daardoor werd die hele leeruitspraak een farce! De eigenlijke kwestie werd er niet door aangeraakt.
Die bleef in de mist. Met de andere leeruitspraken - over de algemene genade; het genadeverbond en het zelfonderzoek; de vereniging van de beide naturen in Christus en de pluriformiteit der kerk ..!
hebben toen ALLE vrijgemaakten ook die over "de onsterfelijkheid der ziel" in de kerkelijke prulIenmand gedeponeerd. Laat ik nog zeggen dat wat ik D.V. over de Schriftuurlijke visie op de "ziel" ga schrijven dit woord van Bavinck tot motto zal hebben: "Als we er thans toe overgaan om te onderzoeken wat de Schrift onder "ziel"
verstaat, dan dienen we ons in herinnering te brengen dat wij bij dat woord in de Schrift NIET moeten . denk en aan de betekenis, die het gewoonlijk in ons spraakgebruik bezit ... Bij dit woord "ziel" moet men niet denken aan de betekenis die wij er tegenwoordig (in 1920) mede verbinden, en die wij eigenlijk veel meer aan de filosofie dan aan de Heilige Schrift hebben ontleend.”

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief