Het ondertekenen van de belijdenis
1978-05-05
Wanneer iemand tot een bijzonder kerkelijk ambt geroepen wordt, als dienaar van het Woord, ouderling of diaken, wordt bij zijn bevestiging in het ambt gevraagd: of hij de schriften van het Oude en Nieuwe Testament voor het enige Woord van God en de volkomen leer der zaligheid houdt, en alle leringen verwerpt die daar tegen strijden.- Jaargang 22
- nummer 18
Maar behalve deze openlijke verklaring voor het front van de gemeente, wordt in onze kerken van de ambtsdragers ook een ondertekening van de belijdenisgeschriften gevraagd. Voor de predikanten bestaat zelfs een historisch geijkt en zeer uitvoerig ondertekeningsformulier.
Als dit ondertekenen niet maar voor de vorm geschiedt, ongeveinsd en niet maar uit gewoonte, dan veronderstelt het schriftelijk instemmen met de belijdenis, dat iedere ambtsdrager in de kerk op z'n minst de drie formulieren van enigheid onzer kerken heeft doorgelezen en ze aan de Schrift heeft getoetst. Toch geloven we niet te stout te spreken, als we zeggen dat niet iedere ouderling en diaken in zijn leven daartoe gekomen is. Mij is bij kerkelijke examens wel eens gebleken dat ook een kandidaat in de theologie, die tot de dienst van het Woord en van de sacramenten wordt toegelaten, niet altijd tot een dusdanig cursorisch doorlezen en bestuderen van al wat in de kerkelijke belijdenisgeschriften staat gekomen was, dat hij eerlijk kon verzekeren, dat alles wat in die brede formulieren is uitgesproken, in terminologie en naar inhoud geheel overeenkomstig de Schrift is weergegeven.
Het ondertekenen van de belijdenis geschiedt dan ook goeddeels in onderling kerkelijk vertrouwen. Dit vertrouwen: dat een kerk die zich in alles wil aanstellen naar het zuivere Woord van God, verwerpende alle dingen die daar tegen zijn. Ook haar belijdenis gefundeerd heeft op het Woord van God. Te meer, omdat ze in die belijdenis nadrukkelijk heeft uitgesproken: 'Men mag ook geen menselijke geschriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve' (Art. 7 der N.G.B.).