Gereformeerd Kerkboek?
1978-05-05
Zullen we nu maar eens terugkeren naar het GKb? Want daar is nog veel van te zeggen, waar we ons voordeel mee kunnen doen. Over de "Enige Gezangen"- Jaargang 22
- nummer 18
schrijven we een andere keer wel eens: óók een stukje kerkhistorie. Genoeg zij, dat Calvijn in zijn eerste bundel (1539) al 3 gezangen aan zijn 18 psalmen toevoegde. Hij noemde de bundel "Enige Psalmen en Gezangen". Ook de definitieve bundel bevatte enkele gezangen: de Tien Geboden en de Lofzang van Simeon. Pierre Pidoux somt uit diverse bundels zelfs niet minder dan 15 op. Datheen voegde (1566) acht gezangen toe, waaronder enkele van hemzelf en een Credo in tweevoud. Het laatste, een berijming van Jan Utenhove, was een toegift. Hier ligt de oorsprong van het meervoudig Credo, onthoudt u dat? Ook in Datheen's herdruk van 1737 komen zijn 8 gezangen voor, vermeerderd met de Avondzang.
In de Statenberijming-1773 kwamen we op 11 gezangen, nu aangeduid als "En~ge Gezangen", kennelijk naar Calvijn. Toegevoegd waren de Morgenzang en 2 tafelgebeden. In Middelburg-1933 kwamen we op 29 gezangen: de 2 tafelgebeden vervielen, waren trouwens geen kerkliederen, en 20 werden toegevoegd. En in het nu besproken GKb zijn 4 liederen daaruit verval1en, 11 er aan toegevoegd. Laten we die kleine bundel nu eens bezien.
Aan de 4 vervallen liederen ging niet veel verloren: het zijn de oude nummers:
12 O hoofd, bedekt
13 Is dat mijn koning?
14 Jezus, uw verzoenend sterven
21 Kom, Schepper, Geest,
In 12 en 13 werd, zoals wijlen ds G. Visee wel eens zei, het crucifix aangebeden, in 14 de tweede persoon en in 21 de derde persoon van de Drie-eenheid.
Naar zeer oude en ik geloof zeer wijze kerkelijke uitspraak is het goed te bidden tot Onze Vader, daarbij een beroep doende op Gods Zoon, vertrouwende op het werk van Gods Geest. Volgens deze norm mogen we ons afvragen, of de 4' verloren geraakte nummers wel kerkliederen kunnen heten.
Een andere vraag is, of hier geen positieve reformatie op zijn plaats ware geweest. Ds Bernard Smilde 1) wijst voor 21 op de goede vertaling van het duizend jaar oude Veni Creator door Schulte Nordholt (Liedboek nr. 237). Ook vraagt hij of voor 12 en 13, met hun internationale melodie, de door zijn eenvoud aansprekende nieuwe versie van dezelfde dichter geen soulaas bood? (Zie Liedboek nr. 183). Wij geven die vragen ter overweging door, zonder vooralsnog Smilde bij te vallen. En welke 11 nieuwe liederen zijn nu toegevoegd?
Dat zijn de nieuwe nummers:
12 Dit is de dag
22 De dag van onze Vorst
25 God in den Hoog' alleen
26 Ere zij aan God de Vader
31 Dankt, dankt nu allen God,
alle vijf uit ... het Liedboek voor de Kerken-1973! En voorts:
13 Jezus, leven van mijn leven
14 Ontsluit 0 Heer
23 Wij knielen voor uw zetel neer
overgenomen uit ds H. Hasper's tweede uitgave van Liederen, 1959, alsmede:
28 Getrouw is God, zijn plannen falen niet
uit diens eerste bundel Liederen, 1935. Voorts:
20 Nu triomfeert de zoon van God
uit het Ev. Lutherse Gezangboek, 1954. En eindelijk:
29 De kerk van alle tijden
uit de Honderdnegentien Gezangen van de (syn.) Geref. Kerken in Ndl.-1962.
Wat is die aanwinst waard? Bij de beoordeling van tekst en melodie willen we eerst aan ds B. Smilde het woord geven. Deze "registreerde", "dat bij enkele gezangen een of meer strofen zijn weggelaten" (zo bij 16: het "dwaal ziek hart" en "de bange nacht des vertwijflens") "waarbij overigens de hele tekst van het lied aanzienlijk is herzien en enorm verbeterd". Hij meent dat "het gebruik van verouderde taal en beelden de deputaten tot deze m.i. wijze besluiten heeft gebracht". Ook twijfelt hij niet "of deze 11 nieuwe maar algemeen bekende christelijke liederen zullen in de vrijgemaakte kerken spoedig ingezongen en gemeengoed geworden zijn". "Maar een vraag, die velen binnen en buiten de vrijgemaakte kerken zal bezig houden, is ongetwijfeld deze: is dat nu de hele oogst? Waren er dan in de schat van verleden en heden van de christelijke kerk niet meer liederen te vinden, die waardig bevonden konden worden om de gemeente van vandaag op de lippen te leggen, als resonans op het heil dat in Christus is geopenbaard?"
Hoe staat het met de teksten van de gezangenbundel?
Als we de leeftijden der gezangen vluchtig nalopen, dan zijn de liederen 20, 22, 25, 26, 29, 30 en 31 jonger dan 25 jaar. Zes ervan zijn van Jan Wit, W. Barnard, prof. P. Boendermaker, ds P. D. Kuiper en prof. dr H. J. Schilder.
Maar de liederen 13, 14 en 23 zijn thar.s reeds ouders dan 50 jaar. Dat hóeft niet oud te zijn - maar in het totaal van dit boekje gaat de ouderdom (van tekst, taalgebruik, beelden en achtergronden) een bedenkelijke rol spelen.
Want niet minder dan negen liederen (en wel 10, 15, 17, 18, 19, 21, 24, 28 en 33) zijn ouder dan 100 jaar; niet minder dan zes liederen (nrs 11, 12, 32, 34, 35 en 36) zijn ouder dan 150 jaar; niet minder dan acht liederen (nrs 1 t/rn 6, 16 en 27) zijn ouder dan 200 jaar; en niet minder dan drie liederen (7, 8, 9) zijn ouder dan 300 jaar. We weerstonden de neiging om naar de wijze der computors curieuselijk te onderzoeken, wat de gemiddelde leeftijd van dit stokoude boeketje bij het verschijnen precies is - maar vragen ons verbijsterd af: wat bezielde deze deputaten? Wat bezielt deze kerken? Menen zij, dat de kerkelijke jeugd met dit antiek kan worden opgezadeld tegen de komende zware tijden? Dat er iemand door getrokken zal worden tot het Evangelie? Of dat één goede vertaling en berijming van een binnenverbandse hoogleraar deze een binnenverbandse hoogleraar deze bundel gereformeerd maakt?
Bijna 50 jaar geleden toonde ds K. Schilder het gereformeerde volk aan: dat een psalmberijming als van Ghijsen, Voet en Laus Deo vandaag geen schijn van kans op invoering zou krijgen. Nu we zo ver zijn, dat zelfs de achterhoede hiervan overtuigd raakt, durven deputaten de berijmde gezangen van Ghijsen, Voet en Laus Deo te handhaven? En dwingend op te leggen? Met bewuste verwerping van de moderne berijming van diezelfde gezangen, welke Het Liedboek ons biedt?
Hoe staat het met de muzieknotatie van deze gezangenbundel?
We willen deputaten niet onnodig hard vallen en laten eerst weer een objectieve buitenstaander aan het woord. Bernard Smilde zegt dan: de muzieknotatie is "in een woord slecht. Allereerst heeft men bronvermeldingen uit het Liedboek overgenomen bij geheel afwijkende notaties. Zo stamt de notatie van Gz 3 (Lofzang van Zacharias) in deze vorm niet uit Straatsburg, die van Gz 9 (Avondzang) in deze vorm zeker met uit Verona, 11de eeuw. Gz 10 kwam zó niet uit de hand van M. Teschner. Gz 12 is zo niet bij Luther te vinden, noch Gz 13 zo bij Wessnitzer.
Wanneer de tekst uit dit Kerkboek niet de oorspronkelijke lezing volgt van de auteur zelf, is dat met een sterretje aangegeven. Waarom dat dan niet bij de muziek gedaan, waar de afwijkingen soms nog groter zijn?
Van dit wegen met tweeërlei gewicht zegt de Bijbel niet zulke mooie dingen (Spr. 20 : 23).
Heel jammer is, dat men bij Gz 25 (God in den Hoog' alleen) en Gz 31 (Dankt, dankt nu allen God) de fouten uit de notatie van de Hervormde bundel-1938 handhaafde en niet de correctere lezing van het Liedboek overnam. Ik noemde reeds het handhaven van de 18-1ge eeuwse notatie van Gz. 30 Een vaste burcht. Hetzelfde is ook gedaan bij Gz. 24 (Ja, de Trooster is gekomen) en Gz 32 (Alle roem is uitgesloten), maar men mag zo'n melodie dan niet zonder meer op naam van Johann Schop zetten.
Ronduit verdrietig is, dat voor het bekende gezang 25 ('k Wil u 0 God dank betalen) eveneens werd vastgehouden aan de eertijds gangbare versie, terwijl het herstel van de goede lezing toch zo'n stuk plezieriger zingt en veel meer de dankbaarheid van de tekst ten goede komt."
Dat oordeel is niet mals. Maar er ware nog veel meer van te zeggen. Daarvan slechts enkele dingen.
1. Hoe ter wereld kon men vijf liederen uit het Liedboek overnemen, terwijl toch algemeen bekend is, dat de uitgevende Stichting geen selectie toestaat? We hebben het uitgeknobbeld en komen er via
2. Het GKb bevat een lied, overgenomen uit het boekje ,,119 Gezangen, geen uitgever, zonder jaartal". Een weeskind dus, zonder toeziend voogd. Uit dié bundel gebruikte men nr 29 (De kerk van alle tijden). Nu zijn tekst en melodie van dit lied waarlijk de sterkste niet en slechts wijl het om een "nieuwe vertaling" ging, kreeg men met de auteurswet te maken. Dus deed men onderzoek naar ilet vaderschap en ja, uit het voorwoord bleek duidelijk: dat deze bundel in 1962 is uitgegeven door de (syn.) GK in Ndl. Het was namelijk een overgangsbundeltje, voor die GK bedoeld, om ze in te leiden tot het Liedboek. Dat boekje heeft tot 1973 zijn plicht gedaan en kreeg emeritaat.
Het was helemaal geen weeskind. En het is niet correct, als men iets uit een boekje nodig heeft, het aan te duiden met "geen uitgever, zonder jaartal".
3. Want al wilde men liever verzwijgen, dat men profiteerde van het werk van synodale netinim, via dit boekje kreeg men toegang tot nog vijf ándere gezangen, die zowel in het "Weeskind" als in het "Liedboek" voorkomen.
Wilde de Interkerkelijke Stichting haar fiat over selectieve overname niet geven - de (syn.) deputaten, waaronder GS~praeses ds P. D. Kuiper met zijn lied 22, blijkbaar wel; voor hen had het boekje afgedaan. Met zo'n positie kan men in de zakenwereld soms een nee in een ja veranderen. Kennelijk is het deputaten op deze wijze gelukt, vijf - en wel betrekkelijk de beste, althans de jongste - vruchten uit de interkerkelijke boomgaard te verzamelen.
Bedenkelijk is het echter, bij die overname wijzigingen aan te brengen, die niet verantwoord zijn en onverantwoord blijven.
Dan enkele opmerkingen over afzonderlijke gezangen. Volgende week?